Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ0315

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
201007575/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft de minister besloten om de overtreding van het Besluit geluidhinder door Prorail B.V. door het wijzigen van de spoorweg 'Zeeuwselijn' zonder dat de minister hiertoe hogere waarden heeft vastgesteld en maatregelen heeft kunnen treffen die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting, tot 1 januari 2010 te gedogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2011/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007575/1/M2.

Datum uitspraak: 6 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister van Infrastructuur en Milieu),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft de minister besloten om de overtreding van het Besluit geluidhinder door Prorail B.V. door het wijzigen van de spoorweg 'Zeeuwselijn' zonder dat de minister hiertoe hogere waarden heeft vastgesteld en maatregelen heeft kunnen treffen die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting, tot 1 januari 2010 te gedogen.

Bij besluit van 19 februari 2010 heeft de minster besloten om de gedoogtermijn te verlengen tot 1 september 2010.

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de minister de tegen deze besluiten door [appellant] en anderen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de minister bij dit besluit de besluiten van 6 mei 2009 en 19 februari 2010 van een nadere motivering voorzien.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2010, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2011, waar [appellant], in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. R. van Slijpe en mr. J.P. Ribbers, zijn verschenen.

Voorts is Prorail B.V., vertegenwoordigd door mr. drs. D. van Bemmel en ing. J.W. van den Brink, als derde belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bij het bestreden besluit gehandhaafde gedoogbesluit is op 1 september 2010 geƫxpireerd, zodat de vraag rijst of [appellant] en anderen nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep.

2.1.1. [appellant] en anderen stellen dat zij nog belang hebben bij hun beroep, omdat zij vanwege het gedoogbesluit schade hebben geleden in de vorm van geluidoverlast. Deze overlast heeft volgens [appellant] en anderen onder meer tot gevolg gehad dat ten tijde van het gedogen van de overtreding van het Besluit geluidhinder ter plaatse van de Zeeuwse lijn hun woningen onverkoopbaar waren en in waarde zijn gedaald.

2.1.2. [appellant] en anderen hebben tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij schade hebben geleden. Hieruit volgt dat [appellant] en anderen nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep.

2.2. [appellant] en anderen voeren aan dat de minister ten onrechte heeft besloten de overtreding van het Besluit geluidhinder te gedogen. Volgens hen is gedogen in strijd met de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde notitie "Gezamenlijk beleidskader inzake het terugdringen van het gedogen van milieu-overtredingen" die bij brief van 10 oktober 1991 door de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Verkeer en Waterstaat aan de Voorzitter van de Tweede Kamer is aangeboden (TK 1991-1992, 22 343) (hierna: het Gezamenlijk beleidskader).

2.2.1. Niet in geschil is dat het Besluit geluidhinder door Prorail B.V. is overtreden. De minister was daarom bevoegd om handhavend op te treden.

2.2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.3. De minister gaat in het bestreden besluit uit van het bestaan van een concreet zicht op legalisatie, omdat Prorail B.V. binnen afzienbare tijd een saneringsprogramma zal indienen aan de hand waarvan de minister hogere waarden kan vaststellen en maatregelen kan treffen die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting.

Blijkens het bestreden besluit heeft Prorail B.V. op 7 september 2009 een ontwerpsaneringsprogramma en op 29 april 2010 een gewijzigd ontwerpsaneringsprogramma ter inzage gelegd. In het bestreden besluit is weergegeven dat Prorail B.V. na verwerking van de reacties ten aanzien van het gewijzigde ontwerpsaneringsprogramma bij de minister een saneringsprogramma zal indienen.

2.2.4. Gelet op het gegeven dat Prorail B.V. ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds een ontwerpsaneringsprogramma en een gewijzigd ontwerpsaneringsprogramma ter inzage heeft gelegd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat Prorail B.V. binnen afzienbare tijd een saneringsprogramma zou indienen. Aan de hand van dit saneringsprogramma kan de minister hogere waarden vaststellen en maatregelen treffen die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting, zodat niet langer het Besluit geluidhinder wordt overtreden. De Afdeling is daarom van oordeel dat nu vaststond dat binnen afzienbare termijn een saneringsprogramma zou worden ingediend de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat concreet zicht was op legalisatie en dat niet handhavend behoefde te worden opgetreden. Dat de minister zoals [appellant] en anderen stellen niet in overeenstemming heeft gehandeld met het Gezamenlijk beleidskader doet in zoverre, nog daargelaten of dit het geval is, niet ter zake.

De beroepsgrond faalt.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kalter

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011

375-578.