Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ0314

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
201008132/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2007 heeft de minister [wederpartij] een boete van € 4.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008132/1/V6.

Datum uitspraak: 6 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2010 in zaak nr. 09/463 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Hilversum,

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2007 heeft de minister [wederpartij] een boete van € 4.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 29 mei 2008 heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 juli 2010, verzonden op 12 juli 2010, heeft de rechtbank het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak en het besluit van 12 december 2007 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 september 2010. Deze brieven zijn aangehecht.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2011, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.R. Schuurmans en mr. A.G. Oosthoek, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb, voor zover hier van belang, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte het beroep van [wederpartij] ontvankelijk heeft geacht. Hiertoe voert hij aan dat uit het bij het hoger beroepschrift gevoegde geleideformulier blijkt dat het besluit van 29 mei 2008 op dezelfde dag is verzonden. Het beroepschrift van 2 februari 2009 is volgens de minister derhalve te laat ingediend.

2.2.1. [wederpartij] heeft op 30 januari 2009, door de rechtbank ontvangen op 2 februari 2009, beroep ingesteld tegen het besluit van 29 mei 2008. Hij heeft gesteld eerst op 20 januari 2009 een kopie van het besluit te hebben ontvangen, nadat zijn gemachtigde contact had opgenomen met de minister. De rechtbank heeft voor haar oordeel dat het beroep ontvankelijk is van belang geacht dat het besluit niet aangetekend is verzonden en dat uit het door de minister bij de rechtbank overgelegde formulier 'gegevens zaak' en de toelichting ter zitting is af te leiden dat het besluit op 29 mei 2008 is ondertekend en afgedaan, maar niet dat het op die dag is verzonden. [wederpartij] is derhalve eerst op 20 januari 2009 bekend geraakt met het besluit, zodat hij op 30 januari 2009 tijdig beroep heeft ingesteld.

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 27 april 2004 in zaak nr. 200402504/1; AB 2005, 413) dient, in geval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst ervan op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Eerst dan is het aan het bestuursorgaan dat het stuk heeft verzonden om de ontvangst daarvan aannemelijk te maken.

2.2.3. Het besluit van 29 mei 2008 is niet aangetekend verzonden en bevat geen verzendstempel. Tijdens de zitting bij de Afdeling, heeft de minister verklaard dat het tot december 2008 niet gebruikelijk was een stempel met de verzenddatum op een te verzenden besluit te plaatsen. In december 2008 heeft een wijziging van de werkwijze plaatsgevonden, in die zin dat sindsdien standaard een stempel met de verzenddatum op besluiten wordt geplaatst. Gelet op het in hoger beroep door de minister overgelegde geleideformulier, dat als een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt bij de beoordeling kan worden betrokken, en op de toelichting tijdens de zitting bij de Afdeling, heeft de minister aannemelijk gemaakt dat het besluit van 29 mei 2008 daadwerkelijk op dezelfde dag is verzonden. De beroepstermijn is derhalve de dag daarna aangevangen en op 11 juli 2008 geëindigd. De enkele niet nader toegelichte stelling van [wederpartij] dat hij het besluit niet heeft ontvangen en eerst op 20 januari 2009 een kopie ervan heeft ontvangen, nadat daar door zijn gemachtigde om was gevraagd, kan niet worden aangemerkt als een niet ongeloofwaardige ontkenning van de ontvangst van het besluit. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat [wederpartij] dit kort na 29 mei 2008 heeft ontvangen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat [wederpartij] niet in verzuim was door eerst op 30 januari 2009 beroep in te stellen. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte ontvankelijk geacht.

Het betoog slaagt.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 29 mei 2008 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2010 in zaak nr. 09/463;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011

164-532.