Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ0310

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
201005767/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning verleend voor een varkensvermeerderingsbedrijf aan de [locatie 1] te Erp. Dit besluit is op 4 mei 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2011/316
Milieurecht Totaal 2011/3669
JOM 2011/414
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005767/1/M2.

Datum uitspraak: 6 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Erp, gemeente Veghel,

2. [appellanten sub 2] (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Erp, gemeente Veghel,

en

het college van burgemeester en wethouders van Veghel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning verleend voor een varkensvermeerderingsbedrijf aan de [locatie 1] te Erp. Dit besluit is op 4 mei 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2010, en [appellant sub 2], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 29 juni 2010. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 13 juli 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, [appellant sub 2 A], bijgestaan door mr. H.U. van der Zee, en het college, vertegenwoordigd door E. Sanders en A. van Heertum-van Hoof, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door mr. W.P.N. Remie, advocaat te Tilburg, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [appellant sub 1] zijn beroepsgrond dat het college bij de beoordeling van de geurhinder van de inrichting met 100 biggen te weinig heeft gerekend, ingetrokken.

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om de revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.3. [vergunninghouder] stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 1] niet is aan te merken als belanghebbende bij het bestreden besluit, omdat hij op ongeveer 500 meter afstand van de inrichting woonachtig is en daarom geen milieugevolgen van de inrichting kan ondervinden.

2.3.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover thans van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3.2. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting of een zogenoemde revisievergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden.

2.3.3. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 3.185 biggen, 1.174 zeugen, 320 vleesvarkens en 3 dekberen. [appellant sub 1] heeft ter zitting gesteld dat hij op 415 meter van de inrichting woonachtig is. Dit is door [vergunninghouder] noch het college bestreden. Gelet op de omvang van de inrichting en de afstand tussen de woning van [appellant sub 1] en de inrichting is het aannemelijk dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. [appellant sub 1] is daarom aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat het varkensvermeerderingsbedrijf waarvoor vergunning is verleend één inrichting vormt als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer met de varkenshouderijen aan de [locatie 2] en de [locatie 3]. Hiertoe stellen zij onder meer dat de drie bedrijven in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen, [vergunninghouder] eigenaar is van de varkenshouderij aan de [locatie 2], de biggen van het varkensvermeerderingsbedrijf worden getransporteerd naar de beide varkenshouderijen en tussen het varkensvermeerderingsbedrijf en de varkenshouderijen materieel en personeel worden uitgewisseld.

2.4.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden daarbij als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.4.2. Uit de aanvraag om de onderhavige vergunning blijkt niet dat het varkensvermeerderingsbedrijf aan de [locatie 1] zodanige technische, organisatorische en/of functionele bindingen heeft met de varkenshouderijen aan de [locatie 2] en de [locatie 3], dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gaat om van afzonderlijke inrichtingen. Hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, biedt geen grond om van een andere situatie uit te gaan dan uit de aanvraag blijkt.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat geen verplichting bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapport. Volgens hen wordt vanwege de uitbreiding van de inrichting de drempelwaarde van categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) voor het houden van zeugen overschreden. Zij voeren hiertoe aan dat het college bij de beoordeling of een verplichting bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapport ten onrechte aan de hand van de bij besluit van 20 maart 2007 voor de inrichting verleende milieuvergunning heeft vastgesteld welke veranderingen in de inrichting plaatsvinden. Volgens hen was de vergunning van 20 maart 2007 ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet in werking getreden. Zij merken in dit verband op dat de benodigde bouwvergunning voor stal 10, een stal voor het houden van dragende zeugen, niet is verleend. Weliswaar is er een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een dragende zeugenstal, maar deze ziet volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet op stal 10, zoals vergund bij het besluit van 20 maart 2007, maar op een stal die 18 meter oostelijker is gelegen. Bovendien is deze bouwvergunning niet tijdig in werking getreden, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Ook wanneer er van wordt uitgegaan dat de vergunning van 20 maart 2007 tijdig in werking is getreden, moet volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] worden geoordeeld dat de drempelwaarde van categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit wordt overschreden, nu stal 10 nog niet is opgericht, stal 9 zodanig wordt gewijzigd dat sprake is van de oprichting van een nieuwe installatie en de vleesvarkens in stal 10 zullen worden gehouden als zeugen.

2.5.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu.

In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit is in categorie 14 onder meer als activiteit als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 900 plaatsen voor zeugen.

Ingevolge onderdeel A, onder 2, van de bijlage bij het Besluit, wordt in deze bijlage onder 'oprichting van een inrichting' mede verstaan: een uitbreiding van een inrichting door de oprichting van een nieuwe installatie.

2.5.2. Ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer treedt in afwijking van artikel 20.3, eerste lid, eerste volzin, een besluit als bedoeld in artikel 20.6, eerste lid, in gevallen als bedoeld in artikel 8.5, tweede lid, - waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet - niet eerder in werking dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend.

2.5.3. Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college, voor zover hier van belang, een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een dragende zeugenstal op het perceel [locatie 1] te Erp. Op grond van een vergelijking van de bij de aanvraag om de vergunning van 20 maart 2007 behorende tekening met de tekening die behoort bij de bouwvergunning van 30 maart 2010 is de Afdeling van oordeel dat, gelet op de omvang van stal 10 en de situering daarvan ten opzichte van de stallen 6, 7, 8 en 9 op beide tekeningen, bij het besluit van 30 maart 2010 een bouwvergunning is verleend voor stal 10 zoals vergund bij het besluit van 20 maart 2007. Met de verlening van de bouwvergunning op 30 maart 2010 is de milieuvergunning van 20 maart 2007 in werking getreden. Anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] menen, is op grond van artikel 20.8 van de Wet milieubeheer voor het in werking treden van de milieuvergunning niet vereist dat de verleende bouwvergunning ook in werking is getreden.

2.5.4. Niet gebleken is dat stal 9 zodanig wordt gewijzigd dat sprake is van de oprichting van een nieuwe installatie als bedoeld in onderdeel A, onder 2, van de bijlage bij het Besluit. Gelet hierop dient alleen de vergunde toename van het aantal zeugen in stal 9 bij de beoordeling of de drempelwaarde voor het houden van zeugen van categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit wordt overschreden, te worden betrokken. Niet gebleken is verder dat de vleesvarkens in stal 10 zullen worden gehouden als zeugen, zodat reeds hierom geen aanleiding bestaat om de vleesvarkens in stal 10 te betrekken bij de vraag of de drempelwaarde voor het houden van zeugen van categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit wordt overschreden.

2.5.5. Bij het besluit van 20 maart 2007 is vergunning verleend voor het houden van 886 zeugen. Ter zitting is gebleken dat deze dieren daadwerkelijk in de inrichting worden gehouden. Wat betreft stal 10 is bij het besluit van 20 maart 2007 vergunning verleend voor het houden van 336 zeugen. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 1.174 zeugen. Gelet op deze aantallen wordt door de uitbreiding van de inrichting de drempelwaarde voor het houden van zeugen van categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit, ook wanneer het bij het besluit van 20 maart 2007 vergunde aantal zeugen voor stal 10 niet wordt meegerekend bij het reeds vergunde aantal zeugen, niet overschreden. Het college heeft gelet hierop terecht geoordeeld dat er geen verplichting bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapport.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat verlening van de vergunning in strijd is met artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav). Zij voeren hiertoe aan dat geen interne saldering kan worden toegepast overeenkomstig dit artikel, omdat de stallen 6 en 7 niet zijn aan te merken als huisvestingssystemen die al op 1 januari 2007 in de inrichting aanwezig waren.

2.6.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wav betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, geldt het eerste lid niet voor het stellen van voorschriften met toepassing van de artikelen 8.11, 8.40, 8.45 of 8.46 van de Wet milieubeheer en het weigeren van de vergunning met toepassing van artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Daarbij geldt dat de vergunningverlening moet worden beoordeeld naar de overeenstemming van de som van de ammoniakemissies uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven met de som van de ammoniakemissies die zijn toegestaan bij een beoordeling per afzonderlijk huisvestingssysteem, met dien verstande dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, afzonderlijk aan de voorschriften moet voldoen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, wordt verstaan onder huisvestingssysteem: gedeelte van een dierenverblijf, waarin dieren van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden.

2.6.2. Vaststaat dat op 1 januari 2007 in de stallen 6 en 7 kraamzeugen werden gehouden. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van gespeende biggen in de stallen 6 en 7 in traditionele huisvestingssystemen. Kraamzeugen en gespeende biggen zijn in de Regeling ammoniak en veehouderij vermeld als afzonderlijke diercategorieën binnen de hoofdcategorie varkens. De bij het bestreden besluit vergunde huisvestingssystemen in de stallen 6 en 7 zijn, nu geen dieren worden gehouden van dezelfde diercategorie, niet dezelfde huisvestingssystemen als op 1 januari 2007 in de inrichting aanwezig waren. Gelet hierop wordt wat betreft de stallen 6 en 7 niet voldaan aan de voorwaarde voor het toepassen van interne saldering dat de huisvestingssystemen op 1 januari 2007 in de inrichting aanwezig waren. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Wav kan ten aanzien van de traditionele huisvestingssystemen voor gespeende biggen in de stallen 6 en 7 dan ook geen interne saldering worden toegepast en moeten deze huisvestingssystemen afzonderlijk overeenkomen met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Vaststaat dat de betrokken huisvestingssystemen niet overeenkomen met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3, derde lid, van de Wav.

De beroepsgrond slaagt.

2.7. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veghel van 29 april 2010, kenmerk 1510/2010/9372;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veghel tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van zijn beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.228,64 (zegge: éénduizendtweehonderdachtentwintig euro en vierenzestig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veghel tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Veghel aan [appellant sub 1] het voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt;

gelast dat het college aan [appellanten sub 2] het voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011

431-578.