Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ0307

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
201002025/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2008 heeft de minister de gemeente een bijdrage toegekend van € 986.739,98 in de kosten van opsporing en ruiming van conventionele explosieven afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4929
JBO 2011/27 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002025/1/H2.

Datum uitspraak: 6 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

2. de gemeente Beverwijk,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 januari 2010 in zaak nr. 09/2765 in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk (lees: de gemeente)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2008 heeft de minister de gemeente een bijdrage toegekend van € 986.739,98 in de kosten van opsporing en ruiming van conventionele explosieven afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog.

Bij besluit van 24 april 2009 heeft de minister het door de gemeente daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 januari 2010, verzonden op 22 januari 2010, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door de gemeente daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 24 april 2009 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2010, en de gemeente bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2010, hoger beroep ingesteld. De minister heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 24 maart 2010. De gemeente heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 25 maart 2010.

De gemeente en de minister hebben een verweerschrift ingediend.

De gemeente heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2010, waar de minister, vertegenwoordigd door drs. J.J.M. Schipper, werkzaam bij de Dienst Regelingen, en de gemeente, vertegenwoordigd door mr. J.C. Binnerts, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de minister en de gemeente in de gelegenheid te stellen nader met elkaar in overleg te treden.

Bij besluit van 27 september 2010 heeft de minister het bezwaar van de gemeente gedeeltelijk gegrond verklaard en de gemeente een aanvullende bijdrage in de kosten van opsporing en ruiming van conventionele explosieven afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog toegekend van € 178.009,84 inclusief wettelijke rente.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben de gemeente en de minister nadere stukken ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven om mr. T.M.A. Claessens te vervangen door mr. C.H.M. van Altena en om een nadere zitting achterwege te laten, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van het Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006 (hierna: het Bijdragebesluit), zoals deze gold ten tijde hier van belang, wordt in dit besluit onder ruiming verstaan: het geheel van organisatie en uitvoering van activiteiten die plaatsvinden vanaf het tijdstip van overdracht van het explosief aan een van de Explosieven Opruimingsdiensten van het Ministerie van Defensie.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, zoals deze gold ten tijde hier van belang, zijn de kosten van werkzaamheden die verband houden met de opsporing en ruiming van conventionele explosieven voor rekening van de gemeente, met dien verstande dat voor de in paragraaf 5 bedoelde kostensoorten van rijkswege een bijdrage kan worden verstrekt.

Ingevolge artikel 17, zoals deze gold ten tijde hier van belang, kunnen bij een opsporing de volgende kostensoorten voor een bijdrage in aanmerking komen:

a. kosten van vooronderzoek;

b. kosten van opsporingswerkzaamheden;

c. kosten van preventieve maatregelen ter voorkoming van schade;

d. kosten die gemaakt zijn in verband met het treffen van noodzakelijke spoedvoorzieningen.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels uitvoering Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006 (hierna: de Beleidsregels) worden de beleidsregels in acht genomen bij de uitvoering van het Bijdragebesluit.

Volgens artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, betreffen kosten die niet vallen onder de kostensoorten, genoemd in artikel 17 van het Bijdragebesluit, en derhalve niet voor een bijdrage in aanmerking komen, in elk geval kosten waarvan aangenomen mag worden dat ze onderdeel uitmaken van het gehanteerde tarief dat door de in artikel 1, onderdeel h, van het Bijdragebesluit, omschreven opsporingsbedrijven in rekening worden gebracht.

Volgens het tweede lid, aanhef en onder a, c en d, worden tot de kosten die over het algemeen deel uitmaken van het door het opsporingsbedrijf gehanteerde tarief gerekend:

a. kosten van werkvoorbereiding zoals het opstellen van een projectplan;

c. algemene kosten;

d. winst en risico.

2.2. De minister heeft bij brief van 27 oktober 2010 zijn hoger beroep ingetrokken met uitzondering van de gronden die zien op het oordeel van de rechtbank over een bijdrage in de kosten van werkvoorbereiding/werkvoorbereider GWW en de kosten van opstellen/aanpassen project(controle)plan. De minister betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat deze kosten als aparte post zijn opgevoerd terwijl deze volgens artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de Beleidsregels onderdeel uitmaken van het gehanteerde tarief dat door het opsporingsbedrijf in rekening wordt gebracht. Nu deze kosten afzonderlijk zijn opgevoerd, komen ze niet voor vergoeding in aanmerking, aldus de minister.

2.2.1. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat de minister, indien op de bij hem ingediende facturen betreffende de ingezette opsporingsbedrijven de kosten genoemd in artikel 13, tweede lid, van de Beleidsregels, afzonderlijk zijn vermeld, deze niet voor vergoeding in aanmerking brengt, terwijl deze kosten indien deze op de factuur van het opsporingsbedrijf zijn begrepen in een (hoger) uurtarief, en daarmee niet als zodanig zichtbaar zijn, wel volledig worden vergoed. Deze toepassing van de Beleidsregels, waarbij uitsluitend van de wijze van inrichting van de facturen afhangt of bepaalde kostenposten voor vergoeding in aanmerking komen, kan niet voor redelijk worden gehouden, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat de minister deze kosten ten onrechte niet heeft vergoed.

2.2.2. Volgens artikel 13, tweede lid, van de Beleidsregels worden de in dit lid genoemde kostenposten gerekend tot de kosten die over het algemeen deel uitmaken van het door het opsporingsbedrijf gehanteerde tarief. Volgens het eerste lid, aanhef en onder d, komen deze kosten niet voor een bijdrage in aanmerking. Deze beleidsregel strekt ertoe te voorkomen dat kosten dubbel worden vergoed en is niet onredelijk.

Ter zitting is komen vast te staan dat in 2009 een declaratie van de gemeente waarin de kale tarieven en de algemene kosten, winst en risico niet zijn gesplitst, volledig is vergoed. Hieruit volgt dat de desbetreffende kosten voor vergoeding in aanmerking komen mits deze niet als aparte post in de declaratie worden opgevoerd. Ter zitting is echter ook komen vast te staan dat bijvoorbeeld overheadkosten die in dit verband zijn gemaakt als afzonderlijke kostenpost kunnen worden opgevoerd en afzonderlijk worden vergoed. Aan het uitgangspunt van de minister dat kosten als hier bedoeld deel uitmaken van het door het opsporingsbedrijf gehanteerde tarief en dat deze kosten slechts worden vergoed indien deze zijn verdisconteerd in het tarief, wordt dan ook niet in alle gevallen vastgehouden. Gelet op het voorgaande had het op de weg van de minister gelegen alvorens genoemde kosten niet te vergoeden, de gemeente in de gelegenheid te stellen de kosten van werkvoorbereiding/werkvoorbereider GWW en de kosten opstellen/aanpassen project(controle)plan te verdisconteren in het door het opsporingsbedrijf gehanteerde tarief. In zoverre heeft de minister gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Het betoog van de minister faalt.

2.3. Bij besluit van 27 september 2010 heeft de minister opnieuw besloten op het door de gemeente gemaakte bezwaar tegen het besluit van 18 december 2008.

Met dit nieuwe besluit is tegemoetgekomen aan het door de gemeente ingestelde hoger beroep. Aangezien de gemeente geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat een belang bestaat bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak, moet worden geoordeeld dat de gemeente geen belang meer heeft bij een beoordeling van haar hoger beroep.

2.4. Het hoger beroep van de gemeente is niet-ontvankelijk en het hoger beroep van de minister is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.5. Aangezien met het besluit van 27 september 2010 niet aan alle gemaakte bezwaren van de gemeente is tegemoetgekomen wordt het, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

2.6. De gemeente betoogt dat in verband met de controleerbaarheid bij het declareren van de kosten van werkvoorbereiding/werkvoorbereider GWW en de kosten opstellen/aanpassen project(controle)plan is gekozen voor een splitsing van de verschillende kostensoorten. Nu deze kosten expliciet worden gedeclareerd en als zodanig zichtbaar zijn, is de vrees van de minister dat deze kosten tweemaal worden vergoed ongegrond, aldus de gemeente. Volgens haar had de minister deze kosten dan ook moeten vergoeden.

2.6.1. Dit betoog faalt. Onder 2.2.2. is reeds overwogen dat het desbetreffende beleid van de minister niet onredelijk is. De minister heeft voorafgaande aan het besluit van 27 september 2010 de gemeente in de gelegenheid gesteld, met inachtneming van de Beleidsregel, hernieuwde facturen en weekstaten in te dienen. De gemeente heeft een aantal kostenposten werkvoorbereiding/werkvoorbereider GWW en de kostenposten aanpassen project(controle)plan en reiskilometers projectleider aannemer ook in de hernieuwde facturen en weekstaten afzonderlijk opgevoerd en niet verdisconteerd in het door het opsporingsbedrijf gehanteerde tarief. Deze declaraties zijn dan ook niet overeenkomstig de Beleidsregels ingediend. De gemeente heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de minister aanleiding hadden dienen te geven in dit geval een uitzondering op dit beleid te maken. Hoewel met het expliciet in de declaratie vermelden voor welke kostenposten een bijdrage wordt gevraagd, de vrees van de minister dat kostenposten twee maal worden vergoed, kan worden weggenomen, brengt dit niet met zich dat de minister in dit geval van zijn beleid had moeten afwijken. De minister heeft de noodzaak van het in een vroeg stadium voorkomen van het indienen van dubbele declaraties en de praktische problemen die verschillende declaratiewijzen met zich brengen, genoegzaam toegelicht. Verder is in aanmerking genomen dat de minister de gemeente de gelegenheid heeft geboden hernieuwde facturen en weekstaten in te dienen en dat de gemeente wederom deze kostenposten afzonderlijk heeft opgevoerd, zonder aan te geven waarom in deze gevallen anders dan in de gevallen waarin zij in de hernieuwde facturen en weekstaten de kosten wel heeft verdisconteerd in de tarieven van het opsporingsbedrijf, de Beleidsregel niet in acht heeft genomen. De minister heeft dan ook kunnen besluiten deze kostenposten niet voor een bijdrage in aanmerking te laten komen.

2.7. Het beroep van de gemeente is ongegrond.

2.8. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de gemeente Beverwijk niet-ontvankelijk;

II. verklaart het hoger beroep van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ongegrond;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak;

IV. verklaart het beroep van de gemeente Beverwijk tegen het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 27 september 2010 ongegrond;

V. veroordeelt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vergoeding van bij de gemeente Beverwijk in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. bepaalt dat van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een griffierecht van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011

85-630.