Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ0306

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
201005095/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Vreeland" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005095/1/R2.

Datum uitspraak: 6 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Vreeland, gemeente Stichtse Vecht,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Vreeland, gemeente Stichtse Vecht,

en

de raad van de gemeente Loenen, thans: Stichtse Vecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Vreeland" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2010, en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2011, waar [appellant sub 1] en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. drs. M.E.F. Staal, en de raad, vertegenwoordigd door mr. drs. J. Hasper en T.V. van Es MA MSc, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Het onderzoek ter zitting is onder toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geschorst teneinde de raad en [appellante sub 2] in de gelegenheid te stellen nadere informatie in te zenden.

Bij brieven van 3 maart 2011 en 8 maart 2011 hebben de raad en [appellante sub 2] een nader stuk ingediend.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft gesloten.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 1], omdat [appellant sub 1] geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

2.1.1. [appellant sub 1] stelt zich op het standpunt dat het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Uit de publicatie van de terinzagelegging van het ontwerpplan heeft hij niet kunnen afleiden dat het bestemmingsplan betrekking had op zijn woning, gelegen aan [locatie] te Vreeland, aldus [appellant sub 1].

2.1.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.1.3. In de publicatie voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan is vermeld dat het ontwerpplan de kern Vreeland omvat. In de publicatie voorafgaand aan de terinzagelegging van het vastgestelde plan is, voor zover van belang, vermeld dat het plangebied de kern Vreeland betreft, inclusief een deel van Sluisje. Tevens is aangegeven dat het plangebied wordt begrensd door de Provinciale weg N201 inclusief Sluisje en de hier gelegen bebouwing aan de zuidzijde.

2.1.4. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit de publicatie voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan onvoldoende wat de exacte begrenzing van het plangebied is. De Afdeling acht daarbij van belang dat in de publicatie voorafgaand aan de terinzagelegging van het vastgestelde plan expliciet is vermeld dat het plangebied mede een deel van Sluisje omvat. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat niet zonder meer duidelijk is dat de kern van Vreeland ook Sluisje omvat. Derhalve heeft [appellant sub 1] uit de publicatie voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan niet redelijkerwijs kunnen opmaken dat het plan mede betrekking had op zijn gronden aan [locatie]. Gelet hierop kan [appellant sub 1] redelijkerwijs niet worden verweten dat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht tegen het ontwerpplan. Het beroep is dan ook ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 1] voor het overige

2.2. Ter zitting heeft [appellant sub 1] zijn beroep ingetrokken voor zover dat betrekking heeft op het positief bestemmen van de aanbouw achter het bouwvlak op het perceel van Sluisje 5.

2.3. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich verder tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor zijn perceel [locatie]. Hij betoogt dat ten onrechte een deel van zijn woning niet in het bouwvlak is opgenomen. Voorts vreest [appellant sub 1] dat dit zal leiden tot een waardedaling van zijn woning.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat vanwege de plansystematiek alleen ter plaatse van het hoofdgebouw een bouwvlak op de verbeelding is opgenomen.

2.3.2. Ingevolge artikel 20.1.1, aanhef en onder a, van de planregels voor zover hier van belang, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor het bestaande aantal woningen met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, tuinen en erven.

Ingevolge artikel 20.2.2, aanhef en onder c, van de planregels, mogen aan- en uitbouwen, overkappingen of bijgebouwen aan de achterzijde niet breder zijn dan de oorspronkelijke achtergevel van de woning.

Ingevolge artikel 20.2.2, aanhef en onder j, van de planregels, voor zover van belang, mag de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen voor zover gebouwd buiten het bouwvlak, per hoofdgebouw niet meer dan 50 m² bedragen.

Ingevolge artikel 26.1 van de planregels geldt in die gevallen dat de bestaande goot- en boeiboordhoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, die goot- en boeiboordhoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.

Ingevolge artikel 1 van de inleidende regels van het plan wordt onder een bestaand bouwwerk verstaan: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald.

2.3.3. Op de verbeelding is uitsluitend het hoofdgebouw en niet de aan- en uitbouw op het perceel [locatie] in het bouwvlak opgenomen.

Blijkens de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is voor de aan- en uitbouw van de woning aan [locatie] op 5 maart 1997 een bouwvergunning verleend.

Niet in geschil is dat de op het perceel aanwezige aan- en uitbouw niet voldoen aan het bepaalde in artikel 20.2.2, aanhef en onder c en onder j, dat is opgenomen in hoofdstuk 2 van de planregels, nu die gebouwen breder zijn dan de oorspronkelijke achtergevel van de woning en de oppervlakte van die gebouwen tezamen meer dan 50 m² bedraagt.

Nu de aan- en uitbouw van de woning aan [locatie] op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan echter al aanwezig waren en de aan- en uitbouw in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gebracht geldt ingevolge artikel 26.1 de bestaande breedte en oppervlakte van de aan- en uitbouw als maximaal toegestaan, zodat de aan- en uitbouw in het plan als zodanig zijn bestemd.

In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de aan- en uitbouw binnen het bouwvlak had moeten opnemen. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het onwenselijk is een deel van de aan- en uitbouw van de woning van [appellant sub 1] op te nemen in het bouwvlak dat behoort bij het perceel Sluisje 5, omdat hierdoor zijn bouwmogelijkheden zouden worden uitgebreid.

Voor zover [appellant sub 1] vreest voor een waardedaling van zijn woning, omdat in dit plan een kleiner deel van zijn woning binnen het bouwvlak is opgenomen dan in het vorige plan, overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor de verwachting dat, zo al sprake zou zijn van waardedaling, die zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.3.4. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

2.4. [appellante sub 2] voert aan dat de raad in de plantoelichting voor het bedrijf gevestigd aan de Bergseweg 6 is uitgegaan van een onjuiste richtafstand. De richtafstanden uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" voor bedrijven in categorie 3.1 hadden moeten worden gehanteerd en niet de richtafstanden voor een vaten-, verf- en vernisfabriek, aldus [appellante sub 2].

Voorts voert [appellante sub 2] aan dat ten onrechte voor dit bedrijf een onjuiste geurcontour in de plantoelichting is opgenomen.

2.4.1. De omvang van de geurcontour en de richtafstanden zijn uitsluitend vermeld in de plantoelichting. De Afdeling overweegt dat de plantoelichting geen deel uitmaakt van het juridisch bindende deel van een bestemmingsplan, zodat daaraan geen bindende betekenis kan worden toegekend. Het betoog faalt.

2.5. [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Kleizuwe 103. Zij voert hiertoe aan dat [appellante sub 2] door de komst van de twee woningen in haar bedrijfsvoering zal worden beperkt.

Voorst heeft de raad onvoldoende onderzoek verricht naar de geluidsbelasting op de in het plan voorziene woningen aan de Kleizuwe 103, nu de woningen overlast zullen ondervinden van [appellante sub 2] en van de weg Kleizuwe. Hierdoor is een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen niet gegarandeerd, aldus [appellante sub 2]

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellante sub 2] niet in haar bedrijfsvoering zal worden belemmerd door de voorziene woningen, omdat op kortere afstand van het bedrijfsperceel reeds woonpercelen zijn gelegen. Bovendien bestaan plannen om [appellante sub 2] te verplaatsen, aldus de raad.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat akoestisch onderzoek is verricht naar de geluidsbelasting op de in het plan voorziene woningen vanwege de omliggende wegen.

Voor de beoordeling van de geluidsbelasting vanwege [appellante sub 2] is aangesloten bij de richtafstanden uit de VNG-brochure. De raad zal geen medewerking verlenen aan de verplaatsing van geluidshinderveroorzakende activiteiten. Omdat de afstand tussen de geluidshinderveroorzakende activiteiten op het perceel van [appellante sub 2] en de gevel van de voorziene woningen 50 meter bedraagt, is een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen gegarandeerd, aldus de raad.

2.5.2. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 2] dat zij onevenredig in haar bedrijfsvoering zal worden belemmerd overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat de in het plan voorziene woningen op een kortere afstand zijn gelegen van het bedrijfsperceel en de daarop gevestigde bedrijfsgebouwen dan de reeds bestaande woningen. De raad heeft het standpunt dat [appellante sub 2] niet onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt beperkt daarom niet kunnen baseren op het feit dat reeds woningen op een kortere afstand van het bedrijfsperceel en de daarop gevestigde bedrijfsgebouwen staan. Voor zover de raad zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat de afstand tussen het bedrijfsperceel en de daarop gevestigde bedrijfsgebouwen en de voorziene woningen zodanig weinig verschilt van de afstand tussen het bedrijfsperceel en de daarop gevestigde bedrijfsgebouwen en de bestaande woningen dat de voorziene woningen geen nadelig effect hebben op de bedrijfsvoering van [appellante sub 2] overweegt de Afdeling dat de raad dit standpunt niet nader heeft onderbouwd.

Voorts kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat [appellante sub 2] op termijn wellicht zal worden verplaatst, nu de procedure met betrekking tot de verplaatsing van het bedrijf volgens de plantoelichting nog niet officieel is afgerond.

Gelet op het voorgaande berust het besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

2.5.3. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de gronden aan de Kleizuwe 103 niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Proceskosten

2.6. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 2] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Loenen van 26 januari 2010 voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Kleizuwe 103;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Stichtse Vecht aan [appellante sub 2] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011

425-683.