Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ0305

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
201005622/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2010, nummer 2010/10, heeft de raad het bestemmingsplan "Natuurgebied Veluwe omgeving Zonneoordlaan 27 Ede" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005622/1/R2.

Datum uitspraak: 6 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Natuurbehoud Doesburgerbuurt, gevestigd te Ede,

appellante,

en

de raad van de gemeente Ede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2010, nummer 2010/10, heeft de raad het bestemmingsplan "Natuurgebied Veluwe omgeving Zonneoordlaan 27 Ede" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de Stichting bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 8 juni 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2011, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Deventer, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. Verbeek, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van de Stichting gedeeltelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien zij enkele beroepsgronden eerst in beroep naar voren heeft gebracht. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat de door de Stichting naar voren gebrachte zienswijze is gericht tegen het gehele ontwerpplan. De beroepsgronden die de Stichting tegen het vastgestelde bestemmingsplan heeft aangevoerd vinden hun grondslag in deze zienswijze. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep van de Stichting gedeeltelijk niet-ontvankelijk is.

2.2. Het plan voorziet in de bestemmingen "Wonen" en "Bos" voor de gronden aan de Zonneoordlaan 27 te Ede. Gelet op artikel 4.1, aanhef en onder e en f, van de planregels in samenhang bezien met de verbeelding is ter plaatse van de voor "Wonen" aangewezen gronden een woongebouw met een inhoud van maximaal 600 m3, met daarin één wooneenheid, en een woongebouw met een inhoud van maximaal 800 m3 toegestaan. De voor "Bos" aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a bestemd voor behoud en ontwikkeling van het bos voor houtteelt, natuur en landschap.

2.3. De Stichting voert aan dat de raad ten onrechte niet heeft onderkend dat het gebied door de in het plan voorziene ontwikkelingen minder geschikt zal zijn als foerageergebied voor dassen. Verder vreest de Stichting dat deze ontwikkelingen negatieve effecten zullen hebben op de verblijfplaatsen van boerenzwaluwen en de mogelijkheden tot verblijf van, en de kwaliteit van het foerageergebied voor, vleermuizen.

2.3.1. De raad brengt naar voren dat de foerageergebieden van de dassen en de vleermuizen door de in het plan voorziene ontwikkelingen worden verbeterd. Verder heeft de raad ter zitting gesteld dat in het plangebied geen boerenzwaluwen voorkomen.

2.3.2. In het kader van de voorbereiding van dit plan is onderzoek verricht naar de natuurwaarden op het perceel aan de Zonneoordlaan 27. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Verkenning natuurwaarden Zonneoordlaan 27 Ede" van oktober 2009 (hierna: het rapport Natuurwaarden).

2.3.3. De voor "Wonen" bestemde plandelen beslaan een oppervlakte van 3.000 m2. Dit betreft 12% van het plangebied dat een oppervlakte van 25.000 m2 heeft. De rest van het plangebied, dat als "Bos" is bestemd, wordt ingericht voor natuur. Volgens de plantoelichting wordt hierbij aangesloten bij de bij het bestreden besluit behorende inrichtingsschets, waarin is voorzien in de aanleg van extensief en matig voedselrijk grasland ten behoeve van het foerageren van dassen. In het rapport Natuurwaarden is vermeld dat deze veranderingen voor de das een positief effect zullen hebben. Uit de tekst van het rapport Natuurwaarden, in samenhang bezien met bijlage 4 bij dit rapport, volgt voorts dat in het plangebied geen boerenzwaluwen voorkomen. De Stichting heeft niet met een tegenrapport of andere objectief verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat deze conclusies onjuist zijn.

2.3.4. De in het rapport Natuurwaarden vermelde resultaten zijn voor zover het vleermuizen betreft gebaseerd op het onderzoek dat is beschreven in het rapport "Vleermuizenonderzoek Zonneoordlaan te Ede" van 20 september 2009. Uit dit rapport komt naar voren dat de stallen die nu nog op het perceel staan, niet geschikt zijn als verblijfplaats voor de vleermuizen. De geplande sloop van deze stallen brengt volgens dit rapport in zoverre dan ook geen negatieve effecten met zich mee. De Stichting heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het perceel minder geschikt zal worden als foerageergebied voor vleermuizen. In dit verband is van belang dat uit de plantoelichting en de bij het bestreden besluit behorende inrichtingsschets, volgt dat het perceel met verschillende vegetaties zal worden ingericht. Hierdoor biedt het perceel ruimte voor meer en een grotere verscheidenheid aan insecten die dienen als voedsel voor de vleermuizen.

2.4. Voor zover de Stichting aanvoert dat de raad de gevolgen vanwege het plan voor het Habitat- en Vogelrichtlijngebied "Veluwe" niet heeft onderkend, overweegt de Afdeling als volgt. Anders dan de Stichting stelt, ligt het plangebied niet in, maar nabij het Habitat- en Vogelrichtlijngebied "Veluwe". In het kader van de voorbereiding van dit plan is onderzocht wat de mogelijke effecten van de in het plan voorziene ontwikkelingen op dit gebied zijn. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport Natuurwaarden. De conclusie van het rapport is dat significant verstorende effecten vanwege het plan op het gebied zijn uitgesloten. De Stichting heeft niet met een tegenrapport of andere objectief verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is.

2.5. De Stichting betoogt dat niet aan de voorwaarden van het beleid inzake functieverandering is voldaan. In dit verband voert zij in de eerste plaats aan dat de stallen die nu nog op het perceel staan vermoedelijk illegaal zijn. Volgens de Stichting had de raad slechts het legale deel van de stallen in aanmerking moeten nemen bij de beoordeling van het plan. In de tweede plaats twijfelt de Stichting aan de juistheid van het standpunt van de raad dat de functieverandering een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het buitengebied. In dit verband betoogt zij dat deze positieve bijdrage niet voortvloeit uit dit plan, maar uit het vervallen van de milieuvergunning in 1997. Verder brengt zij in dit verband naar voren dat uit het plan ten onrechte niet blijkt hoeveel oppervlakte aan verhardingen ten behoeve van de woonbebouwing kan worden aangebracht.

2.5.1. In reactie op het betoog van de Stichting brengt de raad naar voren dat de stallen als zodanig vergund zijn. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat de functieverandering een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het buitengebied.

2.5.2. In het plan is beoogd toepassing te geven aan het beleid inzake functieverandering dat is verwoord in het Streekplan Gelderland 2005 van juni 2005, dat is gelijkgesteld aan een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wro, en de uitwerking van dit beleid in "Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten" van 4 april 2008. Functieverandering is volgens het Streekplan alleen van toepassing op fysiek bestaande, legale, vrijgekomen (en ook vrijkomende) gebouwen die gelegen zijn in het buitengebied. In de Regionale beleidsinvulling staat voorts dat de functieverandering moet leiden tot een kwaliteitsverbetering van het buitengebied.

2.5.3. De Stichting heeft de stelling van de raad dat de stallen als zodanig vergund zijn, niet weersproken. De aangevoerde omstandigheid dat het gebruik van de stallen in de loop der tijd is gewijzigd en dat de milieuvergunning voor het agrarische gebruik is vervallen, heeft geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de op het perceel aanwezige bebouwing zelf.

2.5.4. Het plan voorziet in de herinrichting van het perceel na sloop van de nu nog op het perceel aanwezige stallen. Daargelaten de verbeteringen die het plan wat betreft gebruiksmogelijkheden van het perceel met zich kan brengen, biedt het plan hierdoor voldoende mogelijkheden om wat betreft de inrichting tot een verbetering van de kwaliteit van het gebied te komen. Dat de milieuvergunning voor het agrarische gebruik reeds in 1997 is vervallen, geeft dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van de raad dat de functieverandering een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het buitengebied.

Uit artikel 4.1. onder d, van de planregels volgt dat ter plaatse van de voor "Wonen" aangewezen plandelen verhardingen mogen worden aangelegd. Verhardingen ten behoeve van in- en uitritten, die ook als zodanig zijn aangegeven op de verbeelding, mogen gelet op artikel 3.2.2., aanhef en onder b, van de planregels zonder aanlegvergunning ter plaatse van de voor "Bos" bestemde plandelen worden aangebracht. Gelet op het voorgaande mist de stelling dat uit het plan niet blijkt hoeveel oppervlakte aan verhardingen ten behoeve van het wonen kan worden aangelegd, feitelijke grondslag. Gelet op de totale oppervlakte van het plangebied bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan dusdanig veel verhardingen bij recht mogelijk maakt, dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de functieverandering een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het buitengebied.

2.5.5. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de voorwaarden van het beleid inzake functieverandering is voldaan.

2.6. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Binnema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011

589.