Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ0294

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
201008180/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] reguliere bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk vergroten van een woning op het perceel [locatie] te Veghel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008180/1/H1.

Datum uitspraak: 6 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Veghel,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 juli 2010 in zaak nr. 09/124 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veghel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] reguliere bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk vergroten van een woning op het perceel [locatie] te Veghel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2010, verzonden op 20 juli 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [partij] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.S.M. de Barbanson, en ing. K. Bakker, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.A. Muller, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij], vertegenwoordigd door mr. A.M.T.A. Verhagen, advocaat te Boxtel, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het gedeeltelijk vergroten van een pand, een voormalige opslagplaats, gelegen op een industrieterrein tussen de Zuidkade en de Lelielaan/Asterstraat. Dit pand is reeds 26 jaar in gebruik als burgerwoning, hetgeen op grond van het gebruiksovergangsrecht zoals opgenomen in de partiƫle herziening van het als bestemmingsplan geldende "Uitbreidingsplan gemeente Veghel, partiƫle wijziging plan in onderdelen Eikelkamp" van 26 oktober 1993, is toegestaan. De minimale afstand van de woning tot het naastgelegen mengvoederbedrijf van [partij] bedraagt na realisering van het bouwplan 3 meter.

2.2. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het als bestemmingsplan geldende uitbreidingsplan, nu op het perceel de bestemming "Industrie I" rust en op gronden met deze bestemming geen burgerwoning is toegestaan. Het college is niet bereid vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), omdat het bouwplan niet voldoet aan de randvoorwaarden zoals opgenomen in de "Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie Veghel Centrum". Voorts heeft het college aan zijn in bezwaar gehandhaafde besluit ten grondslag gelegd dat niet in voldoende mate een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de uitbreiding van de woning kan worden gewaarborgd vanwege de ligging van de uitbreiding binnen de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-Brochure) voor stof en gevaar aanbevolen afstanden tot het naastgelegen mengvoederbedrijf van [partij]. Verder zal de realisatie van het bouwplan volgens het college nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering van [partij] hebben wat betreft geluid.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Volgens [appellant] zien de aanbevelingen in de VNG-Brochure niet op een uitbreiding van een bestaande woning. Voorts voert hij aan dat het college ten aanzien van zijn standpunt, dat met het bouwplan geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd, niet heeft kunnen volstaan met het verwijzen naar de aanbevelingen in de VNG-Brochure, maar dit beter had dienen te onderbouwen. Hij wijst er in dit verband op dat volgens het advies van ing. M.J. Meihuizen van 30 maart 2007 de op het mengvoederbedrijf van toepassing zijnde geurnorm niet zal worden overschreden en dat volgens het rapport van BOR Advies van 10 juli 2009 ook de op het mengvoederbedrijf van toepassing zijnde geluidnormen niet zullen worden overschreden. Ter zitting heeft hij nog gesteld dat het woon- en leefklimaat in de voorziene uitbreiding beter zal zijn dan in de bestaande woning en dat de woning niet maatgevend is voor de milieusituatie van het mengvoederbedrijf. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat de 55 d B(A)-contour van het mengvoederbedrijf aan de voorziene uitbreiding in de weg staat. Verder voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college aan het besluit om de vrijstelling te weigeren een ondeugdelijke belangenafweging ten grondslag heeft gelegd, nu niet is aangetoond dat [partij] door het verlenen van de gevraagde vrijstelling in haar belangen wordt geschaad. Ten slotte heeft het college ten onrechte niet in de belangenafweging betrokken dat aan het bouwplan de voorwaarde kan worden verbonden dat isolatiemaatregelen zullen worden getroffen teneinde de geluidbelasting ter plaatse te verminderen, aldus [appellant].

2.3.1. De beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen voor de uitbreiding van de woning behoort - in dit geval - tot de bevoegdheden van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit de vrijstelling te weigeren heeft kunnen komen.

2.3.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen weigeren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college de in de VNG-Brochure neergelegde aanbevelingen als uitgangspunt heeft mogen nemen. Het betreft hier geen beoordeling van een bestaande situatie, zoals [appellant] betoogt, maar om een bouwplan voor het uitbreiden van een woning waarvan bovendien alleen het overgangsrecht van het bestemmingsplan het gebruik als woonruimte legaliseert. De uitbreiding is voorzien in de richting van het mengvoederbedrijf van [partij] en binnen de in de VNG-Brochure aanbevolen afstanden voor stof en gevaar. Het betoog van [appellant] dat de milieuvergunning van [partij] geen normen bevat voor gevaar en het college daarom dit aspect in zijn besluitvorming niet mee mocht wegen, faalt. De VNG-Brochure beveelt een minimale afstand voor gevaar aan en in hetgeen [appellant] aanvoert wordt geen grond bevonden voor het oordeel dat het college geen betekenis aan die afstand mocht toekennen. Voor zover [appellant] met verwijzing naar het advies van Meihuizen betoogt dat aan de geurnormen wordt voldaan, wordt overwogen dat het college dit aspect niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd.

Het college heeft voorts in zijn belangenafweging mogen betrekken dat realisatie van het bouwplan de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van [partij] kunnen beperken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat volgens het college niet kan worden uitgesloten dat de op dat terrein aanwezige loods, die thans als geluidbuffer wordt beschouwd voor de geluidbelasting voor onder meer de woning van [appellant], wordt gesloopt. Voorts moet volgens het besluit op bezwaar rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat die loods in de toekomst als emissiepunt moet worden beschouwd, indien het gebruik daarvan wijzigt. Dit standpunt is door [appellant] niet gemotiveerd bestreden. In het rapport van BOR en ook ter zitting is enkel uitgegaan van de bestaande bedrijfssituatie alsmede een toekomstige situatie waarvoor [partij] een wijziging van de milieuvergunning heeft aangevraagd. Dat aan de bouwvergunning mogelijk een voorwaarde kan worden verbonden om de woning te isoleren en zo de geluidbelasting te beperken doet er voorts niet aan af dat het mengvoederbedrijf in zijn uitbreidingsmogelijkheid kan worden belemmerd. Verder betoogt [appellant] weliswaar terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beoogde uitbreiding van de woning is voorzien binnen de 55 dB(A)-contour van het mengvoederbedrijf, maar nu het college dit standpunt niet aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, kan het betoog niet leiden tot het daarmee beoogde doel.

Concluderend wordt in hetgeen [appellant] aanvoert geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college het besluit op bezwaar ontoereikend heeft gemotiveerd en het de vrijstelling en bouwvergunning in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft gehonoreerd. Hij wijst in dit verband op de woningen aan de Asterstraat 19, 21 en 23. Volgens [appellant] zijn deze woningen ook binnen de in de VNG-Brochure voor stof en gevaar aanbevolen afstanden tot het mengvoederbedrijf opgericht en is de woning aan de Asterstraat 23 eveneens op 3 meter afstand van de perceelgrens van het mengvoederbedrijf van [partij] gelegen.

2.4.1. Het betoog faalt reeds omdat, anders dan in dit geval, op de percelen waarnaar [appellant] verwijst een woonbestemming rust. De rechtbank heeft terecht overwogen dat van gelijke gevallen niet is gebleken.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat hij erop mocht vertrouwen dat aan hem vrijstelling en bouwvergunning zou worden verleend, omdat het college de vrijstellingsprocedure heeft opgestart en uit de adviesnota van het college van 1 mei 2007 en de publicatie in de Stadskrant Veghel van 9 mei 2007 blijkt dat het college voornemens is medewerking te verlenen aan het bouwplan.

2.5.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college niet bij [appellant] het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat de aangevraagde bouwvergunning aan hem zou worden verleend. In de adviesnota van 1 mei 2007 en de publicatie in de Stadskrant Veghel van 19 mei 2007 heeft het college zijn principebereidheid uitgesproken om medewerking te verlenen aan een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO. Aan de enkele omstandigheid dat het college in principe bereid is mee te werken aan het verlenen van vrijstelling voor het bouwplan kan niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat het college na afweging van alle betrokken belangen tot verlening van vrijstelling zal overgaan. Voorts maakt de omstandigheid dat er geen zienswijzen zijn ingediend tegen het principebesluit niet dat bij verlening van vrijstelling voor derde belanghebbenden niet meer de mogelijkheid open stond om daartegen bezwaar te maken en het college aan die bezwaren geen gewicht meer had kunnen toekennen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011

414-564.