Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ0289

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
201008477/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2008 heeft de raad de percelen, kadastraal bekend gemeente Berghem, sectie C, nummers 1173 en 1408 (thans nummers 1696 en 1697; hierna: de percelen), aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) van toepassing zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008477/1/H3.

Datum uitspraak: 6 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 juli 2010 in zaak nr. 09/308 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Oss.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2008 heeft de raad de percelen, kadastraal bekend gemeente Berghem, sectie C, nummers 1173 en 1408 (thans nummers 1696 en 1697; hierna: de percelen), aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) van toepassing zijn.

Bij besluit van 18 december 2008 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2010, verzonden op 20 juli 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 22 september 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door F.R. Roos, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, eerste volzin, van de Wvg, zoals die luidde ten tijde van het besluit van de raad van 12 juni 1998, liggen het in artikel 2 bedoelde raadsbesluit en de bijbehorende kadastrale kaart voor een ieder ter gemeentesecretarie ter inzage. Het college van burgemeester en wethouders maakt de nederlegging bekend in de Staatscourant, in één of meer dag- of nieuwsbladen, die in de gemeente verspreid worden en voorts op de gebruikelijke wijze.

Ingevolge artikel 4, derde lid, verstrekt het college een exemplaar van het besluit en de bijbehorende kadastrale kaart aan het desbetreffende kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, ter overschrijving van die stukken in de openbare registers.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, kan de raad gronden aanwijzen waarop van toepassing zijn de artikelen 10-24, 26 en 27, voor zover die gronden nog niet zijn opgenomen in een ter inzage gelegd ontwerp van een structuurplan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of van een bestemmingsplan, waarbij aan de betrokken gronden een gewijzigde bestemming wordt toegedacht onderscheidenlijk gegeven.

Ingevolge het derde lid is op het in het eerste lid bedoelde besluit artikel 2, derde lid, van toepassing en is artikel 4 van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het vierde lid geldt het in het eerste lid bedoelde besluit voor een termijn van ten hoogste twee jaren, te rekenen van zijn dagtekening.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, doet het college de in het eerste lid bedoelde aanwijzing vervallen:

a. (…);

b. terstond na verloop van de in het vierde lid bedoelde termijn.

Ingevolge het zesde lid is artikel 5 van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, vindt de inschrijving in de in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare registers van een akte, behelzende een vervreemding anders dan aan de gemeente, alleen plaats indien onder de akte is opgenomen een notariële verklaring, houdende, hetzij dat de betrokken onroerende zaak niet is opgenomen in een aanwijzing als bedoeld in artikel 2 of artikel 8 dan wel in een voorstel als bedoeld in artikel 6 of artikel 8a, hetzij dat de vervreemding niet in strijd is met het bepaalde in de artikelen 10-23 van deze wet.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wvg, zoals dat luidde op 12 juni 2000, doet het college de aanwijzing vervallen door het plaatsen van een desbetreffende aantekening bij de ingevolge artikel 4, eerste lid, ter inzage liggende stukken, onder vermelding van de percelen en perceelsgedeelten waarop de aantekening betrekking heeft. Van het vervallen van de aanwijzing doet het college mededeling aan een ieder die in de kadastrale registratie ten aanzien van de desbetreffende zaken staat vermeld als eigenaar of rechthebbende op een beperkt recht waaraan die zaken zijn onderworpen, zomede aan het desbetreffende kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers. Artikel 4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het tweede lid kan een eigenaar of beperkt gerechtigde aan het college verzoeken, aan het bepaalde in het vorige lid uitvoering te geven. Het college beslist binnen vier weken na de dag, waarop de aanvrage is ontvangen.

Ingevolge artikel 9 van de Wvg, zoals die luidde ten tijde van het besluit van 15 mei 2008, kunnen gronden die aangewezen waren bij een besluit als bedoeld in artikel 8, eerste lid, niet binnen twee jaar na het verstrijken van de in artikel 8, vierde lid, bedoelde termijn opnieuw bij een zodanig besluit worden aangewezen of bij een zodanig voorstel worden betrokken.

2.2. Bij besluit van 12 juni 1998 heeft de raad onder meer de percelen krachtens artikel 8 van de Wvg, zoals die destijds luidde, aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 8 juni 2000 een aantekening geplaatst bij het aanwijzingsbesluit van 12 juni 1998 en de bijbehorende kadastrale kaart.

Bij besluit van 15 mei 2008 heeft de raad opnieuw de percelen krachtens artikel 8 van de Wvg, zoals die destijds luidde, aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de raad de percelen bij besluit van 15 mei 2008 opnieuw mocht aanwijzen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn. Het college had reeds op 12 juni 1998 een aanwijzingsbesluit krachtens artikel 8 van de Wvg, zoals die destijds luidde, genomen. Een aanwijzingsbesluit krachtens artikel 8, eerste lid, van de Wvg geldt voor een termijn van ten hoogste twee jaren en dat besluit gold dus tot uiterlijk 12 juni 2000, zo heeft de rechtbank overwogen. Voorts heeft het college het aanwijzingsbesluit van 12 juni 1998 op 8 juni 2000 doen vervallen door het plaatsen van een desbetreffende aantekening bij het aanwijzingsbesluit en de bijbehorende kadastrale kaart. Dat het college de mededeling aan het betreffende kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wvg zoals die luidde ten tijde van belang, eerst in 2007 heeft gedaan, kan er niet toe leiden dat de geldingstermijn van het aanwijzingsbesluit van 12 juni 1998 is verlengd tot enig moment na 8 juni 2000, aldus de rechtbank. Artikel 9 van de Wvg staat dan ook niet in de weg aan de aanwijzing door de raad van de percelen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn, zo heeft de rechtbank overwogen.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aanwijzing van de percelen krachtens artikel 8, eerste lid, van de Wvg van kracht is gebleven totdat de vermelding van die aanwijzing in de kadastrale registratie is doorgehaald. Die doorhaling is dwingend voorgeschreven, omdat anders bij de verkoop van de percelen blijkt dat er beletselen zijn en de grond niet vrij kan worden verkocht. De vermelding dat op de percelen een voorkeursrecht is gevestigd belet dat die grond wordt overgedragen aan derden, zo betoogt [appellant]. De wetgever heeft volgens hem ook zeer nadrukkelijk een kadastrale registratie verlangd om op die manier de aanwijzing van gronden rechtens geldend en rechtens kenbaar te maken.

2.4.1. Artikel 5, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 4, eerste lid, van de Wvg, zoals die luidde ten tijde van belang, bepaalt op welke wijze het college een aanwijzingbesluit, genomen krachtens artikel 8, eerste lid, van de Wvg, doet vervallen. Hiertoe dient het college, zoals de rechtbank heeft overwogen, een aantekening te plaatsen bij het aanwijzingsbesluit en de bijbehorende kadastrale kaart die ter inzage ligt.

Het eerste lid van artikel 5 bepaalt vervolgens dat het college een mededeling van het vervallen moet doen aan de eigenaar en de rechthebbende op een beperkt recht van de betrokken grond. Ook dient volgens die bepaling mededeling te worden gedaan aan het desbetreffende kantoor van de Dienst van het kadaster en de openbare registers. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat slechts het plaatsen van de aantekening bij het aanwijzingsbesluit en bij de bijbehorende, ter inzage liggende kadastrale kaart vereist is voor het doen vervallen van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wvg, zoals die luidde ten tijde van belang. Het doen van de vervolgens vereiste mededelingen is geen vereiste voor het vervallen van de aanwijzing.

In artikel 9 van de Wvg, zoals die luidde ten tijde van het besluit van 15 mei 2008, is bepaald dat binnen twee jaar na het vervallen van een aanwijzingsbesluit de gronden die daarbij waren aangewezen, niet opnieuw kunnen worden aangewezen. Het college heeft op 8 juni 2000 een aantekening geplaatst bij het aanwijzingsbesluit van 12 juni 1998 en de bijbehorende kadastrale kaart, zoals bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, van de Wvg, zoals die destijds luidde, en heeft daarmee het aanwijzingsbesluit doen vervallen. Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikel 9 van de Wvg, zoals die luidde ten tijde van het besluit van 15 mei 2008, niet in de weg stond aan het bij besluit van 15 mei 2008 krachtens artikel 8, eerste lid, van de Wvg opnieuw aanwijzen van de percelen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011

419-622.