Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ0273

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
201001239/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum fase 1" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001239/1/R2.

Datum uitspraak: 6 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Duiven,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid APO Zevenaar B.V., gevestigd te Zevenaar, en [appellant sub 2b], wonend te 's-[woonplaats], handelend onder de naam Remigius Grand Café,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Duiven,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum fase 1" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2010, en APO Zevenaar en Remigius bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2010, beroep ingesteld. APO Zevenaar en Remigius hebben hun beroep aangevuld bij brief van 8 maart 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2011, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. R.J. van Rijn, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, APO Zevenaar en Remigius, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.C.M. Heinen, advocaat te Arnhem, vergezeld door drs. H. ter Heide en drs. P.H.P. Sessink, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [appellant sub 1] zijn beroepsgrond over de overlast en schade als gevolg van het opbreken van het Remigiusplein ten behoeve van archeologisch onderzoek ingetrokken. APO Zevenaar en Remigius hebben hun beroepsgrond dat het luchtkwaliteitonderzoek ten onrechte is beperkt tot de stoffen stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) ter zitting ingetrokken.

Het plan

2.2. Het plan voorziet in de eerste fase van de herontwikkeling van het centrum van Duiven. Het plan maakt de bouw van commerciële voorzieningen met daarboven wooneenheden mogelijk op het Remigiusplein.

Formeel bezwaar

2.3. APO Zevenaar en Remigius betogen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld. Zij voeren aan dat in strijd met artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geen vooroverleg met het waterschap en de Inspectie Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: Inspectie VROM) heeft plaatsgevonden. Het overleg met het provinciebestuur had volgens hen een te vrijblijvend karakter.

2.3.1. Ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro, voor zover thans van belang, pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen het college van gedeputeerde staten onderscheidenlijk de minister van VROM (thans: Infrastructuur en Milieu) bepalen dat onder bepaalde omstandigheden of in bepaalde gevallen geen overleg is vereist met de diensten van provincie onderscheidenlijk Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening.

2.3.2. In de plantoelichting staat dat tijdens de voorbereiding van het plan overleg heeft plaatsgevonden met diverse instanties. Van het overleg met het waterschap is volgens de plantoelichting verantwoording afgelegd in de waterparagraaf. Hieruit volgt dat vooroverleg met het waterschap heeft plaatsgevonden. De raad heeft dit ter zitting bevestigd. De beroepsgrond van APO Zevenaar en Remigius mist in zoverre feitelijke grondslag.

Uit de plantoelichting en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in 2008 een gesprek heeft plaatsgevonden met de Dienst Ruimte van de provincie Gelderland waarin is besproken dat ontwikkelingen binnen de rode contour die geen gevolgen hebben voor beschermde gebieden niet aangeboden hoeven te worden voor het vooroverleg. Volgens de raad ligt het plangebied binnen de rode contour en heeft de in het plan voorziene ontwikkeling geen invloed op beschermde gebieden. APO Zevenaar en Remigius hebben dit niet betwist. Nu van de zijde van het provinciebestuur te kennen is gegeven dat in dit geval geen overleg is vereist, heeft de raad kunnen afzien van het vooroverleg als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.1.1 van het Bro. De raad heeft eveneens kunnen afzien van het vooroverleg met de Inspectie VROM. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de toenmalige minister van VROM op 26 mei 2009 naar alle gemeenten een brief heeft gestuurd waarin is aangegeven dat vooroverleg verplicht is in die gevallen waarin nationale belangen aan de orde zijn. De raad heeft aangevoerd dat een dergelijk belang in dit geval niet speelt, omdat het plan slechts een kleinschalige ontwikkeling mogelijk maakt. Gelet op de aard en de omvang van de in het plan voorziene ontwikkeling, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met dit plan geen nationaal belang als bedoeld in de bijlage bij de brief van 26 mei 2009 in geding is.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1 van het Bro.

Uitvoerbaarheid

2.4. [appellant sub 1] betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld. Hij is eigenaar en verhuurder van een bedrijfspand aan het Remigiusplein waar een restaurant wordt geëxploiteerd. [appellant sub 1] betoogt dat de economische uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is gewaarborgd. Daartoe voert hij aan dat met de betrokken ondernemers en de projectontwikkelaar nog geen overeenkomsten zijn gesloten en een sluitende exploitatie voor het plan ontbreekt. [appellant sub 1] stelt daarnaast dat de raad ten onrechte geen financieel inzicht aan de betrokken ondernemers heeft geboden, waardoor de consequenties van het plan voor de ondernemers onduidelijk blijven.

2.4.1. APO Zevenaar en Remigius voeren aan dat de financieel economische uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. In dit kader stellen zij dat onduidelijk is of een planschaderisicioanalyse is gemaakt en of rekening is gehouden met de verminderde opbrengst van de voorziene woningen. Tevens betogen APO Zevenaar en Remigius dat de financiële uitvoerbaarheid van het gehele centrumplan niet inzichtelijk is gemaakt.

2.4.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de totale benodigde investering voor de verwezenlijking van het project is opgenomen in de gemeentelijke begroting en dat het plan financieel en economisch uitvoerbaar is.

2.4.3. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid en onder f, van het Bro, gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd.

2.4.4. Aan de hand van de plantoelichting stelt de Afdeling vast dat onderzoek is gedaan naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Naar het oordeel van de Afdeling is in de plantoelichting voldoende inzicht geboden in de financiële uitvoerbaarheid. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de plantoelichting onder meer naar voren komt dat bij raadsbesluit van 30 juni 2008 is aangegeven dat voor het realiseren van het centrumplan 'Een uitnodigend dorpshart' in de grondexploitatie een bedrag van € 10 miljoen is geraamd. Dit bedrag is destijds berekend op basis van het globale stedenbouwkundige plan van bureau Wissing en de daarbij behorende kerncijfers op het gebied van grondexploitatie. Uit de plantoelichting volgt verder dat een detailleringslag is gemaakt waaruit naar voren is gekomen dat het geraamde investeringsplafond ook op basis van deze gedetailleerde berekeningen reëel wordt geacht. De totale investeringen die nodig zijn voor het centrumplan zijn in de gemeentelijke begroting opgenomen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in de raadsvergadering van 17 maart 2008 is besloten om een eventueel exploitatietekort voor het gehele centrumplan hoe dan ook te zullen dekken.

Ten aanzien van het betoog van APO Zevenaar en Remigius dat onvoldoende inzicht is gegeven in de financiële uitvoerbaarheid van het gehele centrumplan, overweegt de Afdeling dat gebleken is dat dit bestemmingsplan los van het centrumplan ten uitvoer kan worden gebracht. Blijkens de plantoelichting is het kostenverhaal voor de eerste fase van het centrumplan verzekerd, aangezien de gemeente de gronden van deze eerste fase volledig in eigendom heeft. Daarbij komt dat de verklaring van de raad dat voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om een eventueel exploitatietekort te dekken, zich ook uitstrekt tot de eerste fase, waarop het plan ziet. Nu de raad voorts ter zitting onweersproken heeft gesteld dat in de gemeentelijke begroting rekening is gehouden met mogelijke kosten van planschade, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd. Hetgeen [appellant sub 1] en APO Zevenaar en Remigius voor het overige hebben aangevoerd, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan niet financieel uitvoerbaar is.

2.4.5. In de plantoelichting is voorts aandacht besteed aan de economische uitvoerbaarheid van het plan. Hierin staat dat meer dan de helft van de nieuw te bouwen winkelruimten in het centrumplan en voor de eerste fase zelfs het gehele oppervlak, is bestemd voor al in Duiven aanwezige ondernemers die aangegeven hebben dat ze graag weer terug willen komen in een vernieuwd centrumplan. Verder volgt uit de plantoelichting dat uit uitgevoerde onderzoeken, waaronder het door Goudappel Coffeng verrichte distributieplanologisch onderzoek, naar voren is gekomen dat ruim voldoende vraag aanwezig zal zijn naar de winkelruimten. [appellant sub 1] heeft niet betwist dat behoefte bestaat aan de uitbreiding van het centrumwinkelaanbod. Met alle betrokken ondernemers zullen overeenkomsten gesloten gaan worden. In het kader van de economische uitvoerbaarheid is, anders dan [appellant sub 1] meent, niet vereist dat de gemeente reeds bij de vaststelling van het plan met de betrokken ondernemers of de projectontwikkelaar overeenkomsten heeft gesloten.

Verder overweegt de Afdeling dat de behoefte aan zowel koop- als huurappartementen naar voren is gekomen uit het uitgevoerde woonbehoefteonderzoek, zodat de raad er van heeft kunnen uitgaan dat voldoende behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen. [appellant sub 1] en APO Zevenaar en Remigius hebben ter zitting onder verwijzing naar recente berichten uit de pers naar voren gebracht dat de plannen voor het centrumplan gewijzigd zijn, waardoor het bestemmingsplan inmiddels is achterhaald. In reactie hierop heeft de raad gesteld dat de mogelijkheden van een cultureel centrum op de bovenste bouwlaag van de voorziene bebouwing thans worden onderzocht, maar dat hij nog steeds voornemens is het plan uit te voeren en commerciële voorzieningen en een aantal appartementen te realiseren. De raad heeft ter zitting erkend dat Woningbouwvereniging Vivares niet meer wenst over te gaan tot realisatie van de appartementen, zoals APO Zevenaar en Remigius hebben aangevoerd. Door de raad is evenwel toegelicht dat andere woningbouwcorporaties belangstelling hebben getoond en dat indien het realiseren van sociale woningbouw onverhoopt niet door kan gaan, plannen bestaan om koopappartementen voor starters te verwezenlijken. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan zoals dat is vastgesteld bij het bestreden besluit niet uitvoerbaar is en de daarin voorziene woningen niet exploitabel zijn.

De betogen ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid falen.

Het beroep van [appellant sub 1] voor het overige

2.5. [appellant sub 1] vreest voor omzetverlies van zijn huurder en daarmee voor nadelige exploitatiemogelijkheden van zijn bedrijfspand als gevolg van de stagnatie van de uitvoering van het plan.

2.5.1. Wat de nadelige invloed van het plan op de omzet van het restaurant en de exploitatiemogelijkheden van het bedrijfspand betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die omzetvermindering en de gevolgen van de exploitatiemogelijkheden zodanig zullen zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan worden gediend.

2.6. Voor zover [appellant sub 1] heeft verzocht de door hem tegen het ontwerpplan ingediende zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 1] heeft in zijn beroepschrift, noch ter zitting, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.7. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van APO Zevenaar en Remigius voor het overige

2.8. APO Zevenaar en Remigius betogen dat het plan niet in overeenstemming is met de aan het plan en het stedenbouwkundig plan 'Een uitnodigend dorpshart' ten grondslag liggende Nota van Uitgangspunten.

2.8.1. De raad heeft in de beantwoording van de zienswijze uiteengezet dat de Nota van Uitgangspunten als basis heeft gediend voor de door bureau Wissing voor het gehele centrum opgestelde visie 'Een uitnodigend dorpshart' en dat het plan hiermee in overeenstemming is.

2.8.2. De Nota van Uitgangspunten is opgesteld om als kader te dienen voor de totstandkoming van een stedenbouwkundig model voor het centrum van Duiven. In deze nota staan algemene uitgangspunten vermeld over wonen, werken, voorzieningen, openbare ruimte en groen, parkeren en verkeer, welke het fundament vormen voor de te ontwerpen stedenbouwkundige modellen. APO Zevenaar en Remigius hebben ter zitting hun betoog in die zin toegelicht dat bebouwing op het Remigiusplein ten koste gaat van de openheid en dat is volgens hen niet verenigbaar met de Nota van Uitgangspunten. Er bestaat voor het oordeel dat het plan in strijd is met de algemene uitgangspunten zoals uiteengezet in de Nota van Uitgangspunten geen aanleiding. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het streven naar openheid niet in deze nota staat beschreven. Daarbij komt dat de Nota van Uitgangspunten is uitgewerkt in de stedenbouwkundige visie 'Een uitnodigend dorpshart' waarin het nieuwe Remigiusplein wordt omschreven. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het plein in deze visie op een nabije locatie is voorzien en derhalve zal worden verplaatst, waarvoor reeds panden zijn aangekocht. Voor zover APO Zevenaar en Remigius betogen dat de raad deze stedenbouwkundige visie ten onrechte ten grondslag heeft gelegd aan het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat aan de raad de vrijheid toekomt om te bepalen of en zo ja, welke stedenbouwkundige visie ten grondslag wordt gelegd aan een bestemmingsplan. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich bij de planvorming niet op de stedenbouwkundige visie 'Een uitnodigend dorpshart' had mogen baseren.

2.9. APO Zevenaar en Remigius voeren aan dat de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen om verschillende redenen onjuist is. Verder betogen zij dat het plan niet in voldoende parkeerplaatsen voorziet.

2.9.1. De raad heeft bij de berekening van de parkeerbehoefte de normen van de gemeente Duiven zoals opgenomen in het Duivens Verkeers- en Vervoersplan (hierna: DVVP) toegepast. In het centrum is sprake van dubbelgebruik van parkeerplaatsen waarmee rekening is gehouden. Om dit dubbelgebruik te kwantificeren is aansluiting gezocht bij de aanbevelingen uit de CROW-publicatie 182. Het evenemententerrein dat tijdelijk wordt opengesteld voor parkeren voorziet volgens de raad ruimschoots in de benodigde parkeerplaatsen.

2.9.2. Aan de gronden in het plangebied is in het plan de bestemming "Centrum" toegekend.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planregels zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijf, mits het bedrijf is opgenomen in de categorieën 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten dan wel het een bedrijf betreft dat voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder gelijk kan worden gesteld met een bedrijf genoemd in de categorieën 1 of 2, beperkt tot de eerste bouwlaag;

b. detailhandel, beperkt tot de eerste bouwlaag;

c. dienstverlening, beperkt tot de eerste bouwlaag;

d. horeca, beperkt tot de eerste bouwlaag;

e. kantoor, beperkt tot de eerste bouwlaag;

f. verkeer;

g. wonen; met uitzondering van de eerste bouwlaag;

h. onderdoorgangen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

2.9.3. Uit de plantoelichting volgt dat bij het berekenen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van 1.000 m² aan winkels en 18 woningen. Voor detailhandel is een parkeernorm van 3,3 parkeerplaatsen per 100 m² gehanteerd en voor de woningen een parkeernorm van 1,25 parkeerplaatsen per woning. Verder staat in de plantoelichting dat volgens de CROW-publicatie 182 de bezettingsgraad, in verband met dubbelgebruik, voor detailhandel 70% en voor woningen 60% bedraagt. Daaruit volgt dat voor de detailhandel 23 parkeerplaatsen extra aangelegd moeten worden en voor de woningen 14.

2.9.4. Binnen de bestemming "Centrum" zijn verschillende planologische invullingen mogelijk. De in het DVVP opgenomen parkeernormen voor wonen, winkels, kantoren, bedrijven en horeca variëren. De raad is bij de berekening van de parkeerbehoefte uitgegaan van 18 woningen en een oppervlakte van 1.000 m² aan winkels.

Dat in de planregels het aantal toegestane woningen niet is vastgelegd en ook niet is vastgelegd dat woningen in het goedkope segment zullen worden gerealiseerd, zoals APO Zevenaar en Remigius terecht stellen, betekent niet dat de raad de parkeerbehoefte voor de woningen daarom onjuist heeft berekend. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat woningen in het goedkope segment zijn voorzien en dat het qua oppervlak niet mogelijk is om ter plaatse meer dan 18 woningen te realiseren. Verder acht de Afdeling van belang dat van de zijde van de raad is toegelicht dat het eventueel realiseren van woningen in een duurdere categorie geen gevolgen zal hebben voor de parkeerbehoefte, omdat deze woningen een groter oppervlak hebben waardoor minder woningen zouden kunnen worden gerealiseerd.

Wat betreft de parkeernorm voor de commerciële voorzieningen, wordt overwogen dat de raad vanwege het beoogde gebruik van deze voorzieningen voor detailhandel aansluiting heeft gezocht bij de daarbij behorende parkeernorm. De gekozen norm van 3,3 parkeerplaatsen per 100 m² voor de commerciële voorzieningen, komt de Afdeling niet onredelijk voor. Dat het plan ook horeca, kantoren en andere bedrijvigheid toestaat, leidt niet tot een ander oordeel, omdat op grond van het DVVP voor horeca weliswaar een hogere parkeernorm geldt dan voor detailhandel, maar voor kantoren en bedrijven een lagere. APO Zevenaar en Remigius hebben niet aannemelijk gemaakt dat gebruik van de commerciële voorzieningen op grote schaal voor andere bedrijvigheid dan detailhandel zal voorkomen.

Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet van een parkeerbehoefte van 37 parkeerplaatsen heeft kunnen uitgaan.

2.9.5. Ten aanzien van het betoog dat het plan niet voorziet in de benodigde parkeerplaatsen, overweegt de Afdeling dat het in de nabijheid van het plangebied gelegen evenemententerrein wordt aangewezen als tijdelijk parkeerterrein. Ter zitting is vast komen te staan dat op het evenemententerrein ten minste 44 parkeerplaatsen beschikbaar zijn en dat dit terrein op een afstand van 200 meter van het plangebied ligt. In het verweerschrift schrijft de raad dat het evenemententerrein in het geldende bestemmingsplan is bestemd als "Bijzondere doeleinden" op grond waarvan ter plaatse onder meer parkeervoorzieningen zijn toegestaan. Anders dan APO Zevenaar en Remigius veronderstellen, behoeft geen planologische procedure te worden doorlopen om het evenemententerrein in gebruik te nemen als parkeerterrein. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op het evenemententerrein voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn.

2.9.6. In de door APO Zevenaar en Remigius gestelde omstandigheid dat de parkeersituatie als gevolg van de herontwikkeling van het gehele centrum in de toekomst zal wijzigen waardoor geen garantie bestaat dat in de toekomst voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet heeft mogen vaststellen. Daarbij wordt betrokken dat vanwege de herontwikkeling van het centrumgebied door Wissing stedebouw en ruimtelijke vormgeving BV een parkeerbalans is opgesteld waarin de parkeerbehoefte is afgezet tegen de capaciteit in de nieuwe situatie. In de parkeerbalans is er vanuit gegaan dat nieuwe parkeerplaatsen aangelegd moeten worden. Volgens de raad zullen de mogelijkheden voor deze parkeerplaatsen gezocht worden binnen de grenzen van het centrumplan. De parkeerbalans laat een positief saldo zien. APO Zevenaar en Remigius hebben de bevindingen uit de parkeerbalans niet bestreden. Gelet op het voorgaande behoeft voor onevenredige parkeeroverlast in de toekomst niet te worden gevreesd.

2.10. APO Zevenaar en Remigius betwisten de uitgangspunten van het geluidonderzoek en de daarin getrokken conclusie dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ter zitting hebben zij deze beroepsgrond toegespitst in die zin dat gelet op de korte afstand tussen het terras van Remigius Grand Café en de woningen geen goed woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woningen kan worden gegarandeerd en dat daardoor de exploitatie van het café zal worden belemmerd.

2.10.1. De raad zet in de beantwoording van de zienswijze uiteen dat gestreefd wordt naar een gemengd gebied met een mix van wonen, werken, winkels en horeca. De raad stelt onder verwijzing naar de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: de VNG-brochure) en het geluidonderzoek dat in dit geval de toegelaten functies op korte afstand van elkaar mogelijk zijn. Daarbij wijst de raad erop dat Remigius Grand Café kan worden getypeerd als een categorie 1 inrichting waarbij in een rustige woonwijk een richtafstand van 10 meter wordt aanbevolen. Omdat in het plan en de directe omgeving sprake is van een gemengd gebied, kan deze afstand worden verlaagd naar 0 meter zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefmilieu, aldus de raad.

2.10.2. In paragraaf 5.5 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect bedrijven en milieuzonering. Hierin staat dat voor een verantwoorde functiemenging tussen detailhandel, horecavoorzieningen en omliggende gevoelige functies de VNG-brochure is toegepast. Voor een gebied zoals het dorpshart is het de vraag welke bedrijven en andere milieubelastende functies aanvaardbaar zijn en ten behoeve van de toelaatbaarheid van bedrijfsmatige functies in het plangebied zijn in de plantoelichting randvoorwaarden geformuleerd. De plantoelichting vermeldt tevens dat voor het onderdeel geluid een rapport is opgesteld.

2.10.3. Het geluidonderzoek is uitgevoerd door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu BV, waarbij de aspecten lawaai van bedrijven en wegverkeerslawaai zijn onderzocht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Geluidsonderzoek Remigiusplein" van 26 mei 2009. Voor het aspect lawaai van bedrijven vormt de VNG-brochure het toetsingskader. De hindercontouren van de bedrijvigheid rond het Remigiusplein zijn in kaart gebracht en volgens het rapport geldt voor deze bedrijvigheid een richtafstand voor geluid van 10 meter tot geluidgevoelige bestemmingen. Als aan deze richtafstanden wordt voldaan dan kan gesteld worden dat zonder meer sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Mocht niet worden voldaan aan deze richtafstanden, dan mag volgens het rapport wegens de gebiedstypering gekeken worden naar de richtafstanden voor het omgevingstype gemengd gebied. Het centrum van Duiven kan volgens het rapport omschreven worden als omgevingstype gemengd gebied, omdat sprake is van winkels, horeca en kleine bedrijven. Het rapport vermeldt dat de hindercontouren van twee restaurants de geplande nieuwbouw doorsnijden, maar omdat de richtafstand voor gemengd gebied mag worden toegepast, wordt geen hinder verwacht. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

2.10.4. In de VNG-brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

De afstanden die in de brochure worden aanbevolen, gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf en de gevel van een woning die is gelegen in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Indien de omgeving is aan te merken als gemengd gebied, kunnen de richtafstanden volgens de VNG-brochure met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.

Onder gemengd gebied wordt in de brochure verstaan: "Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied."

2.10.5. De Afdeling overweegt dat de VNG-brochure kan worden gebruikt bij de beoordeling van nieuwe situaties en dat van de daarin aangegeven indicatieve afstanden gemotiveerd kan worden afgeweken. De raad is ervan uitgegaan dat zowel het plangebied als de gronden in de omgeving daarvan zijn aangemerkt als gemengd gebied. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de desbetreffende gronden als zodanig kunnen aanmerken. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan voorziet in woningen en commerciële voorzieningen en dat in de directe omgeving van het plangebied verschillende detailhandel- en horecabedrijven zijn gevestigd.

2.10.6. Voor cafés en bars, die volgens de VNG-brochure vallen onder categorie 1, wordt in de brochure een afstand van 10 meter aanbevolen. Dit betekent dat in gemengd gebied voor bedrijven die onder deze categorie vallen een richtafstand van 0 meter geldt. Tussen partijen is niet in geschil dat de afstand tussen de in het plan voorziene woningen en het terras van Remigius minder dan 10 meter bedraagt. De raad heeft terecht gesteld dat daarmee wordt voldaan aan de afstand van 0 meter tot gemengd gebied die in de VNG-brochure is aangehouden. Gelet hierop behoeft het door APO Zevenaar en Remigius ter zitting aangevoerde dat niet gemotiveerd is afgeweken van de VNG-brochure geen bespreking. In hetgeen APO Zevenaar en Remigius verder hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat bij de voorziene woningen geen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zodat de raad aanleiding had moeten zien om in dit geval een grotere afstand aan te houden. Overigens heeft de raad ter zitting de bereidheid uitgesproken om in overleg te treden over alternatieve locaties voor een terras op het Remigiusplein.

2.11. Volgens APO Zevenaar en Remigius is het onderzoek naar de luchtkwaliteit onzorgvuldig tot stand gekomen. Zij wijzen er in dit verband op dat niet duidelijk is van welke invulling van het plangebied is uitgegaan. Daarnaast bestaat volgens hen onduidelijkheid over het gehanteerde onderzoeksgebied en de autonome situatie.

2.11.1. De raad stelt dat alle effecten van de ontwikkeling van het project Vitaal Centrum - op basis waarvan het centrumplan 'Een uitnodigend dorpshart' is opgesteld - op de omliggende wegen in het luchtkwaliteitonderzoek zijn meegenomen. Niet de specifieke invulling van het plangebied is van belang bij de berekening van de luchtkwaliteit, maar het aantal verkeersbewegingen dat de voorziene ontwikkeling zal genereren, aldus de raad.

2.11.2. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

a. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde.

2.11.3. Ten behoeve van de ontwikkeling van het project Vitaal Centrum is door de gemeente Duiven onderzoek verricht naar de luchtkwaliteit. De resultaten zijn neergelegd in het rapport "Luchtkwaliteitsonderzoek ten gevolge van wegverkeerslawaai" van 18 mei 2009 (hierna: het luchtkwaliteitonderzoek). Onderzocht is of de ontwikkeling van het centrumplan in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging van de omgeving en indien het centrumplan in betekenende mate bijdraagt, of in de toekomstige situatie aan de wettelijke grenswaarden kan worden voldaan. Uit het luchtkwaliteitonderzoek blijkt dat de ontwikkeling in betekenende mate bijdraagt en dat daarom een grenswaardentoets is uitgevoerd. De conclusie daarvan is dat voor zowel stikstofdioxide (NO2) als zwevende deeltjes (PM10) aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan.

2.11.4. De Afdeling overweegt dat in het luchtkwaliteitonderzoek staat dat voor het uitvoeren van de niet in betekenende mate toets de verkeersaantrekkende werking van het centrumplan van belang is en dat daarbij gekeken is naar het aantal parkeerplaatsen dat met het volledige centrumplan zal worden gerealiseerd. Omdat nog niet bekend is of de realisatie van het volledige centrumplan ten koste gaat van bestaande parkeergelegenheden en/of er een transferium gerealiseerd gaat worden buiten het centrum, is in het luchtkwaliteitonderzoek een worst case-benadering gehanteerd waarbij is uitgegaan van de omstandigheid dat geen parkeerplaatsen worden vervangen. Er is rekening gehouden met de realisatie van 785 nieuwe parkeerplaatsen. Gelet op het voorgaande kan de Afdeling APO Zevenaar en Remigius niet volgen in hun stelling dat onduidelijkheid bestaat over de omvang en de invulling van het gebied dat in het luchtkwaliteitonderzoek is gehanteerd.

Paragraaf 4 van het luchtkwaliteitonderzoek bevat informatie over de gebruikte weg- en verkeersgegevens en de toegepaste rekenmethode. De raad heeft bij de beantwoording van de zienswijze toegelicht dat voor de berekeningen is uitgegaan van gegevens die zijn ontleend aan de verkeersmilieukaart 2008 en de toekomstprognose tot 2018. Daarin zijn, zo heeft de raad ter zitting verklaard, de toekomstige verkeersgegevens van het centrumplan verdisconteerd. Wat betreft de autonome situatie wordt overwogen dat de raad ter zitting heeft gesteld dat de autonome situatie zonder de ontwikkelingen van het project Vitaal Centrum in dit geval niet relevant is, omdat ruimschoots onder de grenswaarden wordt gebleven. De raad heeft zich gelet op artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer terecht op dit standpunt gesteld.

De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het luchtkwaliteitonderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren.

2.12. APO Zevenaar en Remigius stellen dat zij ernstig in de exploitatiemogelijkheden worden beperkt, nu het terras van het café als gevolg van het plan grotendeels in de schaduw komt te liggen. De raad heeft volgens hen ten onrechte geen rekening gehouden met hun belangen.

2.12.1. De raad stelt dat uit een bezonningsstudie blijkt dat de voorziene bebouwing gevolgen heeft voor het terras, maar dat geen sprake is van een onaanvaardbare situatie.

2.12.2. In de bezonningsstudie is de schaduwwerking van de toekomstige bebouwing op de omgeving onderzocht. Daaruit blijkt dat in de nieuwe situatie ter plaatse van het café aan het Remigiusplein 6 op de data 30 april en 21 juni tot ongeveer 16.00 uur geen sprake is van schaduwwerking en vanaf 16.00 uur schaduwwerking ontstaat. Vanaf 18.00 uur ligt het terras volledig in de schaduw. Weliswaar kan dit als een bezwaar worden gezien, maar in aanmerking genomen dat hier sprake is van een stedelijke omgeving, heeft de raad daaraan geen doorslaggevende betekenis hoeven toe te kennen. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat wat betreft de bezonning ter plaatse van het terras geen onaanvaardbare situatie zal ontstaan. Zoals overwogen in 2.10.6 heeft de raad ter zitting ook de bereidheid uitgesproken om in overleg te treden over alternatieve locaties voor een terras op het Remigiusplein.

2.13. In hetgeen APO Zevenaar en Remigius hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011

59-586.