Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ0267

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
201100604/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2010, kenmerk 2010/X-8, heeft de raad het bestemmingsplan "Duiven-Noord" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100604/2/R2.

Datum uitspraak: 1 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoekster B] (hierna in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Duiven,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2010, kenmerk 2010/X-8, heeft de raad het bestemmingsplan "Duiven-Noord" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2011, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 maart 2011, waar [verzoeker] en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.A.B. Giezen en ing. D. Boschman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek van [verzoeker] is gericht tegen het plan, voor zover dit voorziet in de mogelijkheid dat een aanbouw wordt gerealiseerd bovenop de bestaande garage behorende bij de woning aan de [locatie].

2.3. Bij brief van 15 maart 2011 heeft de raad een schriftelijke verklaring toegezonden van de eigenaar van de woning aan de [locatie], waaruit blijkt dat de ingediende aanvraag voor een bouwvergunning van 5 januari 2009 voor de bewuste aanbouw bovenop de garage wordt ingetrokken, omdat de beoogde aanbouw niet langer noodzakelijk is. Daarbij wordt door de eigenaar tevens verklaard dat wordt afgezien van dat bouwplan. Hieruit leidt de voorzitter af dat voor de bewuste aanbouw geen nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen zal worden ingediend. Gelet hierop ontbreekt het voor het treffen van een voorlopige voorziening vereiste spoedeisende belang.

2.4. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Vreugdenhil

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2011

571.