Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ0266

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
201100375/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Groenekan 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Wabo en omgevingsvergunning 2012/419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100375/2/R2.

Datum uitspraak: 1 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente de Bilt,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Groenekan 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2011, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 maart 2011, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door [verzoeker], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek is gericht op schorsing van het plandeel dat voorziet in de mogelijkheid tot het bouwen van drie nieuwe woningen op het perceel dat is gelegen aan de Veldlaan nr. 39 in de kern Groenekan.

2.3. Het verzoekschrift van [verzoeker] en anderen is ingediend namens 21 bewoners van de Veldlaan. Een aantal van de verzoekers heeft geen zicht op het in geschil zijnde perceel en woont op een dusdanige afstand dat op voorhand niet inzichtelijk is welke ruimtelijke gevolgen zij zullen ondervinden. Gelet op de relatief beperkte ruimtelijke ontwikkeling die het plan mogelijk maakt voor het bestreden plandeel, betwijfeld de voorzitter derhalve of alle indieners van het verzoekschrift ontvankelijk zullen worden geacht in de bodemprocedure.

2.4. Ten aanzien van het betoog van [verzoeker] en anderen dat het plan de bouw van woningen met een groter volume mogelijk maakt op het perceel dan het voorheen geldende plan en dat daarom de regeling van dit vorige plan had moeten worden behouden, overweegt de voorzitter als volgt.

Niet in geschil is dat in het bestemmingsplan "Groenekan 1977" geen maximale bouwhoogte was opgenomen en dat deze bouwhoogte afhing van de breedte van het bouwvlak in combinatie met de maximale goothoogte en de toegestane hellingshoek van het dak. Hierdoor kon een maximale bouwhoogte van ongeveer 9,5 meter worden bereikt. Desgevraagd is ter zitting door [verzoeker] meegedeeld dat dit voorgaande plan de mogelijkheid bood om 3 of 4 woningen te bouwen op het perceel. Het voorliggende plan voorziet ingevolge artikel 17.2, sub f, van de planregels in de bouw van maximaal 3 nieuwe woningen, een maximale bouwhoogte van 10 meter, een maximale goothoogte van 6 meter en bouwvlakken van maximaal 6 meter breed en 12 meter diep.

Gelet op het feit dat het aantal mogelijk te bouwen woningen op het perceel niet toeneemt en dat de toegestane bouwvolumes niet zodanig lijken toe te nemen ten opzichte van het voorheen geldende plan, ziet de voorzitter vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor de planregeling zoals die thans is vormgegeven in de planregels.

2.5. Voorts betogen [verzoeker] en anderen dat door de bouw van nieuwe woningen een verlies aan avondzon zal optreden, het landelijke karakter van de Veldlaan wordt aangetast en dat de verkeersdrukte op dit doodlopende deel van de Veldlaan onaanvaardbaar zal toenemen.

Wat betreft het verlies aan avondzon merkt de voorzitter op dat hiervan geen sprake kan zijn voor zover de woningen van verzoekers zijn gelegen ten zuidoosten of ten zuiden van het bestreden plandeel. Voorts overweegt de voorzitter dat de raad in redelijkheid in het kader van de beoordeling van eventuele nadelige effecten van schaduwwerking van bouwplannen aan de bezonning van percelen in de avonduren geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven toekennen.

Dat de eventuele bouw van drie nieuwe woningen op het perceel voor een onaanvaardbare toename van de verkeersdrukte zal zorgen is door [verzoeker] en anderen vooralsnog niet aannemelijk gemaakt, mede gelet op het feit dat zij de stelling van de raad dat drie nieuwe woningen zorgen voor ongeveer 7,5 extra verkeersbewegingen per dag niet hebben betwist.

Dat het landelijke karakter van de Veldlaan zal worden aangetast door de mogelijke bouw van drie woningen is mede gelet op het toegestane bouwvolume en het feit dat de nieuwe woningen passen in het bestaande bebouwingslint langs de Veldlaan op voorhand evenmin aannemelijk gemaakt door [verzoeker] en anderen.

2.6. [verzoeker] en anderen voeren aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de toename van de geluidsbelasting als gevolg van de voorgenomen verbreding van de A27 alvorens de bouw van nieuwe woningen op het bestreden plandeel toe te staan.

Verzoekers stellen terecht dat in het plan geen rekening is gehouden met de beoogde verbreding van de A27, die langs de westkant van Groenekan loopt. Ingevolge artikel 72, eerste lid, onder b, van de Wet geluidhinder geldt voor snelwegen een geluidzone van 400 meter aan weerszijden van de weg. Het bestreden plandeel ligt echter op een afstand van meer dan 800 meter van de huidige A27, zodat ook na de verbreding van de A27 het perceel aan de Veldlaan nr. 39 niet binnen de geluidzone zal komen te liggen.

De voorzitter ziet op voorhand dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat ten behoeve van het plan ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de geluidsbelasting ter plaatse van het bestreden plandeel.

2.7. [verzoeker] en anderen voeren aan dat het plan ten onrechte voorziet in het aanleggen van twee parkeerplaatsen op het perceel van elke nieuwe woning, waardoor de tuinen zullen veranderen in parkeerplaatsen en het groene karakter van de omgeving wordt aangetast.

Ingevolge artikel 17.2, sub f, onder 7, van de planregels dienen ten minste 2 parkeerplaatsen op eigen terrein te worden aangelegd. Vooralsnog hebben [verzoeker] en anderen niet inzichtelijk gemaakt waarom de raad deze bepaling niet in redelijkheid in de planregels heeft kunnen opnemen. Hierbij is van belang dat niet in geschil is dat de Veldlaan ter hoogte van het bestreden plandeel vrij smal is en dat bermen daar nauwelijks aanwezig zijn. Gelet hierop volgt de voorzitter vooralsnog de raad in zijn standpunt dat parkeren op deze openbare weg geen reƫle optie is in verband met de verkeersveiligheid en dat daarom het aanleggen van twee parkeerplaatsen op eigen terrein als vereiste in de planregels is opgenomen.

2.8. Anders dan [verzoeker] en anderen betogen lijkt geen sprake te zijn dat het bestreden plandeel in strijd is met gemeentelijk beleid inzake het negatief beoordelen van nieuwe bebouwing in de achtertuinen van bestaande bebouwing in de eerste lijn. Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat eventuele nieuwe woningen op het in geschil zijnde perceel niet achter de bestaande woning zullen worden gebouwd, maar dat deze ernaast zullen worden gebouwd en dat deze woningen hierdoor aan de openbare weg - de Veldlaan - zullen grenzen. Op voorhand komt het de voorzitter dan ook voor dat de nieuwe woningen onderdeel gaan vormen van de bebouwing in de eerste lijn en niet achter de eerste lijn zullen worden gebouwd, zodat het door verzoekers aangehaalde gemeentelijke beleid niet van toepassing lijkt te zijn in dit geval.

2.9. Ten slotte betogen [verzoeker] en anderen dat de in artikel 29 van de planregels opgenomen termijn van twee weken voor het indienen van zienswijzen tegen een voorgenomen ontheffing te kort is en dat deze termijn zou moeten worden gesteld op zes weken.

2.9.1. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onder c, en artikel 3.6, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals deze luidden ten tijde van het bestreden besluit, kan een bestemmingsplan voorzien in een ontheffingsbevoegdheid en worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen omtrent een voorgenomen ontheffing naar voren te brengen. Met het bepaalde in artikel 29 van de planregels heeft de raad voorzien in een procedurevoorschrift over de wijze waarop toepassing zal worden gegeven aan artikel 3.6, vijfde lid, van de Wro.

Op 1 oktober 2010 zijn artikel 3.6, eerste lid, onder c, en artikel 3.6, vijfde lid, van de Wro gewijzigd in verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro, zoals deze thans luidt, kan bij bestemmingsplan worden bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. De procedure van totstandkoming van een omgevingsvergunning waarbij toepassing wordt gegeven aan een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is geregeld in artikel 3.9 van de Wabo en die procedure voorziet niet in het kunnen indienen van zienswijzen.

2.9.2. De vraag of aan artikel 29 van de planregels nog betekenis toekomt, gelet op de procedure van artikel 3.9 van de Wabo, leent zich naar het oordeel van de voorzitter niet voor beantwoording in een voorlopige voorzieningenprocedure.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van artikel 29 van de planregels bestaat echter geen aanleiding. Daartoe overweegt de voorzitter dat in artikel 3.9 van de Wabo is bepaald dat op een aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken wordt beslist. In het geval dat aan artikel 29 van de planregels een aanvullende werking toekomt ten opzichte van de in artikel 3.9 van de Wabo geregelde procedure kan - gelet op die korte beslistermijn - een termijn van 2 weken voor het indienen van zienswijzen op een voornemen een omgevingsvergunning te verlenen, niet onredelijk kort worden genoemd.

2.10. Het vorenstaande leidt de voorzitter tot het oordeel dat niet staande kan worden gehouden dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat in afwachting van de bodemprocedure een voorlopige voorziening wordt getroffen.

2.11. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Vreugdenhil

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2011

571.