Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ0261

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
201004629/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Gellicum 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004629/1/R2.

Datum uitspraak: 6 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats], en anderen (hierna: [appellanten sub 3]),

en

de raad van de gemeente Geldermalsen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Gellicum 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2010, en [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2011, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. J.J. Nicolaas, [appellanten sub 3], vertegenwoordigd door mr. E.M. Vos, advocaat te Nijmegen, en de raad, vertegenwoordigd door P.E.A. Broekmans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is als partij gehoord de Stichting Heerlijckheyt Gellicum, vertegenwoordigd door A.A. Hesemans.

2. Overwegingen

2.1. Beroepen [appellant sub 1] en [appellanten sub 3]

2.1.1. [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] hebben bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft de toekenning van de bestemming "Maatschappelijk 2" ter plaatse van een gedeelte van het perceel aan de Vlietskant, kadastraal bekend als sectie […] nummer […]. Op deze locatie wordt beoogd een gemeenschapsvoorziening te bouwen.

2.1.2. [appellanten sub 3] voeren aan dat de bekendmaking van het plan niet voldoet aan de vereisten als neergelegd in artikel 3:45, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en tevens dat de digitale beschikbaarheid van het vastgestelde plan niet optimaal was.

2.1.2.1. De Afdeling overweegt dat het betoog van [appellanten sub 3] gericht is tegen mogelijke onregelmatigheden, wat daar ook van zij, van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kunnen aantasten.

2.1.3. [appellanten sub 3] voeren aan dat de raad op onzorgvuldige wijze gekozen heeft voor de locatie voor de gemeenschapsvoorziening nu niet gebleken is dat deze keuze is gebaseerd op een deugdelijk locatieonderzoek.

2.1.3.1. Ter zitting heeft de raad gesteld dat het gemeentebestuur sinds 2005 onderzoek heeft gedaan naar mogelijke locaties in Gellicum om een gemeenschapsvoorziening te kunnen realiseren. In de loop van het onderzoek is gebleken dat andere locaties om verschillende redenen niet geschikt waren, waarna de locatie aan de Vlietskant, zoals nu voorzien in het plan, als geschikte locatie voor de voorziening is gekozen. [appellanten sub 3] hebben de juistheid van deze feiten en omstandigheden niet bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan de keuze voor onderhavige locatie onvoldoende onderzoek ten grondslag is gelegd.

2.1.4. [appellanten sub 3] stellen dat onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheid dat het perceel deel uitmaakt van een gebied dat is aangemerkt als waardevol open dorpsgebied. Bebouwing op het perceel leidt volgens [appellanten sub 3] en [appellant sub 1] tot aantasting van de kenmerkende open ruimtelijke structuur en is in strijd met de uitgangspunten die aan het plan ten grondslag liggen.

2.1.4.1. De raad heeft onderkend dat de Vlietskant een cultuurhistorische waarde heeft en dat bebouwing op deze locatie in zoverre tot aantasting van het open karakter leidt. In hetgeen [appellanten sub 3] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling echter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het maatschappelijk belang dat is gediend met het realiseren van een gemeenschapsvoorziening zwaarder weegt dan het ruimtelijk belang tot het open houden van de Vlietskant. Daarbij heeft de raad in aanmerking kunnen nemen dat het op te richten gebouw beperkt van omvang is, een geringe hoogte heeft en verder goed inpasbaar is in de omgeving en dat vanwege de situering van de voorziening aan de uiterste noordzijde van de Vlietskant het merendeel van de onbebouwde ruimte in stand wordt gehouden, waardoor het waardevolle open dorpsgebied grotendeels in stand blijft.

2.1.5. [appellanten sub 3] voeren aan dat de gebruiksfunctie zoals omschreven in de planregels te ruim is. De bestemming laat ook andere functies dan een gemeenschapsvoorziening toe en dat heeft de raad niet in zijn afweging betrokken. Daarnaast voeren zij aan dat de realisatie van de gemeenschapsvoorziening op deze locatie zal leiden tot geluidsoverlast en andere overlast door de bezoekers van het gebouw.

[appellant sub 1] voert aan dat door de bebouwing haar vrije uitzicht zal verdwijnen.

2.1.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het beoogde gebruik gezien het kleinschalige karakter passend is op de locatie aan de Vlietskant.

2.1.5.2. Ingevolge artikel 7, lid 7.1.1, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk -2" aangeduide gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor niet-woonfuncties, gericht op gebruik van de gronden en/of opstallen ten behoeve van religieuze, educatieve, sportieve, sociale dan wel culturele doeleinden, alsmede voor openbaar bestuur en openbare dienstverlening, één en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.3, onder a, van de planregels mag de bebouwde oppervlakte ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' niet meer bedragen dan 120 m2.

De raad heeft blijkens het verweerschrift voor bovenstaande bestemming en doeleindenomschrijving gekozen omdat deze overeenstemmen met de voor alle bestemmingen voor de kernen van Geldermalsen gehanteerde bestemmingsplansystematiek. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet worden gesteld dat aldus aan het toekennen van deze bestemming met deze doeleindenomschrijving geen redelijk belang ten grondslag ligt. De rechtszekerheid wordt daarmee gediend. Bovendien valt niet in te zien, mede gelet op de omvang van het perceel, dat de andere functies ruimtelijk meer belastend zijn dan een gemeenschapsvoorziening en daarom anders beoordeeld zouden moeten worden.

Gelet op de afstand van de woningen van [appellanten sub 3] tot het perceel, de omvang van de voorziene bebouwing en het toegestane gebruik, is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is dat de in het plan voorziene ontwikkeling zal leiden tot een ernstige aantasting van hun woon- en leefklimaat. Voor zover [appellanten sub 3] overlast vrezen door bezoekers van de gemeenschapsvoorziening, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is geworden dat dit niet op grond van regelingen ter voorkoming van hinder kan worden tegengegaan. Overigens wijst de Afdeling erop dat het plan ter plaatse geen horecabedrijf toelaat. Voorts overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Gelet hierop bestaat er, anders dan [appellant sub 1] betoogt, geen recht op een blijvend vrij uitzicht. De Afdeling is voorts van oordeel dat de verslechtering van het uitzicht van [appellant sub 1] niet zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het maatschappelijke belang dat gediend is met de bouw van een gemeenschapsvoorziening. Zij neemt hierbij in aanmerking dat de afstand tussen het bouwblok en het perceel van [appellant sub 1] ten minste 15 meter bedraagt en de bouwhoogte en de goothoogte ingevolge artikel 7, lid 7.2.3, onder a, van de planregels gelezen in samenhang met de verbeelding maximaal 4,5 meter respectievelijk 2,8 meter mogen bedragen.

2.1.6. [appellant sub 1] voert aan dat de noodzaak voor de bouw van de gemeenschapsvoorziening ontbreekt, aangezien in het dorp al een dergelijke voorziening aanwezig is.

2.1.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het door [appellant sub 1] bedoelde gebouw aan de Kerkweg 5 niet geschikt is om gebruikt te worden als gemeenschapsvoorziening.

2.1.6.2. Het standpunt van de raad dat het gebouw aan de Kerkweg 5 niet geschikt is voor de beoogde activiteiten, acht de Afdeling niet onredelijk. Zij neemt hierbij in overweging dat het bedoelde gebouw een oppervlakte heeft van niet meer dan 25 m2 en door de trap aan de voorzijde van het gebouw slecht toegankelijk is voor mindervalide personen.

2.1.7. [appellanten sub 3] voeren aan dat het plan niet financieel uitvoerbaar is omdat onvoldoende rekening is gehouden met planschadeclaims. Tevens betogen [appellanten sub 3] en [appellant sub 1] schade te zullen lijden door realisatie van het plan.

2.1.7.1. De raad heeft naar voren gebracht dat in de gemeentelijke begroting rekening is gehouden met eventuele planschade. Ter zitting heeft de raad dit standpunt, onweersproken, herhaald. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de percelen van [appellanten sub 3] en van [appellant sub 1] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.1.8. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.2. Beroep [appellant sub 2]

2.2.1. [appellant sub 2] heeft bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Dorpsgebied", kadastraal bekend als sectie […] nummer […], omdat het plan niet voorziet in een woonbestemming voor dit perceel.

[appellant sub 2] voert aan dat het toekennen van een woonbestemming op het perceel in overeenstemming is met de ruimtelijke uitgangspunten van het plan waaronder het uitgangspunt dat inbreiding boven uitbreiding gaat.

Voorts voert [appellant sub 2] aan dat de in het plan opgenomen kaarten met betrekking tot de inbreidinglocaties en de aanwezige waardevolle zichtlijnen, onvolledig zijn. [appellant sub 2] betoogt dat er meer nieuwbouwlocaties zijn dan aangegeven op deze kaarten.

Verder betoogt [appellant sub 2] dat door de aanwezigheid van een paardenbak, een schuurtje en een boomgaard op het bedoelde perceel geen sprake is van een zichtlijn, waardoor het perceel geschikt is voor inbreiding door middel van nieuwbouw.

2.2.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het perceel niet voor inbreiding mag worden gebruikt aangezien daarmee inbreuk wordt gemaakt op de bestaande dorpsstructuur. Bovendien stelt de raad zich op het standpunt dat woningbouw op het perceel niet bijdraagt aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit of een stedenbouwkundige afronding, aangezien er op het perceel sprake is van een waardevolle zichtlijn. De raad stelt zich op het standpunt dat de relatie met het buitengebied op het perceel behouden moet blijven.

2.2.3. In de toelichting bij het plan is de ruimtelijke afweging van de raad opgenomen met betrekking tot de mogelijkheden om open plekken op te vullen met woningbouw. De uitkomst van deze afweging is weergegeven op de in de toelichting opgenomen kaarten 'ruimtelijke structuur en waardering' en 'ruimtelijke uitgangspunten en zonering'. De Afdeling is niet gebleken dat de kaarten niet juist of onvolledig zouden zijn. Hiertoe overweegt zij dat, anders dan [appellant sub 2] betoogt, op de verbeelding geen bouwvlakken zijn ingetekend op de blijkens de kaart 'ruimtelijke structuur en waardering' aanwezige waardevolle zichtlijnen. Tevens is niet gebleken dat niet alle door de raad aangewezen inbreidingslocaties zijn aangegeven op de kaart 'ruimtelijke uitgangspunten en zonering'. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan deze ruimtelijke afweging niet consequent heeft toegepast.

Met betrekking tot het perceel van [appellant sub 2] stelt de Afdeling vast dat op de kaart 'ruimtelijke structuur en waardering' op het perceel de aanduiding 'waardevolle zichtlijn naar het buitengebied' is opgenomen en op de kaart 'ruimtelijke uitgangspunten en zonering' op het perceel geen inbreidingslocatie is aangegeven. Het niet opnemen op de verbeelding van een woonbestemming op het perceel is derhalve in overeenstemming met de aan het plan ten grondslag liggende ruimtelijke afweging.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er op het perceel sprake is van een waardevolle zichtlijn naar het open gebied. Zij neemt hierbij in aanmerking dat de door [appellant sub 2] bedoelde paardenbak zich bevindt op het perceel naast het bedoelde perceel en derhalve niet van invloed is op het zicht vanaf dit perceel. Tevens kan de Afdeling de raad volgen in zijn standpunt dat de door [appellant sub 2] bedoelde schuur en boomgaard dusdanig ver van de weg verwijderd zijn dat deze onderdeel uitmaken van het buitengebied waarop de zichtlijn is gericht en derhalve geen afbreuk doen aan de zichtlijn.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan het behoud van de waardevolle zichtlijn dan aan het belang van [appellant sub 2] bij de bouw van een woning.

2.2.4. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel dat betrekking heeft op het perceel kadastraal bekend als sectie […] nummer […], strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.3. Proceskosten

2.3.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Kuggeleijn-Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011

59-674.