Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ0255

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
201008738/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2009 heeft het college aan [belanghebbende A] tijdelijke vrijstelling verleend om een feitelijk reeds afgesplitst gedeelte van een woning op het perceel [locatie] te Hapert formeel af te splitsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008738/1/H1.

Datum uitspraak: 6 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 juli 2010 in zaken nrs. 09/1406 en 09/1435 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bladel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2009 heeft het college aan [belanghebbende A] tijdelijke vrijstelling verleend om een feitelijk reeds afgesplitst gedeelte van een woning op het perceel [locatie] te Hapert formeel af te splitsen.

Bij uitspraak van 29 juli 2010, verzonden op 2 augustus 2010, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende A] en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2011, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door P.A.M. Stappaerts, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is gehoord [belanghebbende A], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, alsmede [buurman] van [appellant].

2. Overwegingen

2.1. Anders dan [belanghebbende A] betoogt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat met het nemen van een projectbesluit op 27 juli 2010, waarbij medewerking is verleend tot het splitsen van de woning op het perceel en sanering van een agrarisch bouwblok met bedrijfswoning, [appellant] geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Dit projectbesluit is immers nog niet onherroepelijk geworden, nu daartegen beroep is ingesteld.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt. Hij voert daartoe aan dat hij wel degelijk een persoonlijk en rechtstreeks belang heeft bij het besluit.

2.2.1. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, in samenhang bezien met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.2.2. Dit betoog van [appellant] slaagt. Hij is eigenaar van het perceel dat grenst aan het perceel van [belanghebbende A]. Daarbij komt dat hij zicht heeft op dat perceel en op de op grond van de vrijstelling te splitsen woning. Hij kan dan ook als belanghebbende worden aangemerkt.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.4. [belanghebbende A] heeft verzocht om vrijstelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 1998" op grond van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening om de woning van [belanghebbende B] formeel af te splitsen.

2.5. [appellant] heeft tevergeefs betoogd dat het besluit zich ten onrechte richt tot [belanghebbende B]. Het besluit is immers gericht tot [belanghebbende A].

2.6. [appellant] heeft betoogd dat het college eerder te kennen heeft gegeven dat niet tot splitsing zal worden overgegaan.

2.6.1. Dit betoog faalt. De door [appellant] overgelegde stukken bieden geen grond voor het oordeel dat door of namens het college toezeggingen zijn gedaan, waaraan hij het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat nooit een tijdelijke vrijstelling van het bestemmingsplan ten behoeve van de formele afsplitsing van de woning zou worden verleend.

2.7. [appellant] heeft, onder het overleggen van artikel 3.2.2 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2007", tevergeefs betoogd dat het college heeft miskend dat een verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant nodig was, terwijl die door het college niet is aangevraagd. Voormeld artikel ziet echter op de bouw van een tweede bedrijfswoning, waarvan in dit geval geen sprake is, zodat reeds daarom een dergelijke verklaring van geen bezwaar niet was vereist.

2.8. [appellant] heeft betoogd dat het college zijn besluit heeft gebaseerd op een toekomstige onzekere gebeurtenis, te weten de verplaatsing van de pluimveestallen van [vergunninghouder]. Nu de plannen van [vergunninghouder] om zijn bedrijf te verplaatsen nog niet zijn gerealiseerd, had het college volgens [appellant] moeten uitgaan van de huidige situatie.

2.8.1. Uit de stukken is gebleken dat ten tijde van belang op het op het perceel gelegen agrarisch bouwblok de pluimveestallen van [vergunninghouder] zijn gevestigd. Dit heeft het college bij zijn besluit betrokken. Anders dan [appellant] betoogt, blijkt uit het besluit dan ook niet dat het college is uitgegaan van een toekomstige onzekere situatie.

2.9. [appellant] heeft betoogd dat, gelet op de geldende milieunormen voor geur en fijnstof, het college niet in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen verlenen. Hij voert daartoe aan dat geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

2.9.1. Uit het besluit van 18 februari 2009, zoals nader toegelicht in zijn verweerschrift van 6 juli 2009, blijkt dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van strijd met de door [appellant] bedoelde milieunormen. Het heeft daarbij onder meer gewezen op een door de SRE Milieudienst opgestelde rapportage van 14 juli 2008, waaruit blijkt, samengevat weergegeven, dat van een overschrijding van de geurnormen geen sprake is en dat geen sprake is van een belemmering voor eventuele ontwikkeling van het bedrijf van [vergunninghouder]. Dit is door [appellant] niet bestreden. Ook heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat er als gevolg van de splitsing sprake zou zijn van strijd met de normen ten aanzien van fijnstof. Die bewijslast rust op [appellant], nu een dergelijke ingreep geen aanleiding geeft voor de veronderstelling dat zo'n situatie zich zal voordoen. In de enkele stelling van [appellant] dat geen goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd, heeft het college in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de vrijstelling te weigeren.

2.10. Het betoog van [appellant] dat het college al jaren op de hoogte was van de illegale situatie, maar ervoor heeft gekozen daartegen niet handhavend op te treden, zodat, nu het college vrijstelling heeft verleend, de aanvrager wordt beloond voor het jarenlang overtreden van de regels en daarmee geen rekening wordt gehouden met de belangen van omwonenden, kan niet leiden tot vernietiging van het besluit. In de onderhavige procedure is niet aan de orde de vraag of het college handhavend had moeten optreden, maar of het college in redelijkheid tijdelijke vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college bij die beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de omwonenden.

2.11. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat het college ten onrechte is afgeweken van een eerder opgestelde concept-intentieovereenkomst, waarin volgens hem veel striktere voorwaarden met betrekking tot het toestaan van bedrijfsgebouwen en het houden van dieren waren opgenomen, overweegt de Afdeling dat [appellant] ter zitting van de Afdeling heeft verklaard dat zijn belang met name is gelegen in sanering van het perceel. Met de uiteindelijk op 14 november 2008 ondertekende overeenkomst is naar het oordeel van de Afdeling voldoende aan dat belang tegemoet gekomen.

2.12. De enkele omstandigheid dat, zoals [appellant] tot slot betoogt, [belanghebbende A] een commercieel motief had op het moment dat hij het college verzocht mee te werken aan een formele afsplitsing van de woning, maakt niet dat het college aan dat verzoek niet heeft kunnen meewerken.

2.13. Het beroep tegen het besluit van 18 februari 2009 is ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 juli 2010 in zaak nr. 09/1435;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bladel aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011

473.