Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9594

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201008319/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2009 heeft het college naar aanleiding van een melding van de gemeente Venlo vastgesteld dat zich op de locatie 'Groote Heide' aan de Louisenburgweg te Venlo een geval van ernstige bodemverontreiniging voordoet, waarvan spoedige sanering noodzakelijk is. Voorts heeft het college ingestemd met het ingediende saneringsplan.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2011/3671
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4766
JOM 2011/361
JM 2011/56 met annotatie van Flietstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008319/1/M2.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de minister van Defensie,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2009 heeft het college naar aanleiding van een melding van de gemeente Venlo vastgesteld dat zich op de locatie 'Groote Heide' aan de Louisenburgweg te Venlo een geval van ernstige bodemverontreiniging voordoet, waarvan spoedige sanering noodzakelijk is. Voorts heeft het college ingestemd met het ingediende saneringsplan.

Bij besluit van 13 juli 2010, verzonden op 16 juli 2010, heeft het college het door de staatssecretaris van Defensie hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de minister bij brief, de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2011, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. H. Zilverberg, W.E.M.R. Griffijn en ing. H.A.A. Silooy, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.H.J.M. Michels en M.F.T.G. Kantelberg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De locatie 'Groote Heide' is een voormalig militair oefenterrein van het ministerie van Defensie. In 1913 is op deze locatie een oefenvliegveld aangelegd. In de Tweede Wereldoorlog heeft de Duitse bezetter dit vliegveld uitgebreid tot een volwaardige militaire luchtmachtbasis. Ten behoeve hiervan zijn drie startbanen aangelegd. In de jaren '50 heeft het ministerie van Defensie het oefenterrein opnieuw in gebruik genomen. Het heeft het oefenterrein onder meer gebruikt voor schietoefeningen.

2.2. In het besluit van 8 december 2009 is vermeld dat op de locatie 'Groote Heide' ter plaatse van de voormalige defensiegebouwen E en F, ter plaatse van de naoorlogse schietbanen voor handvuurwapens, ter plaatse van het plaggendepot en ter plaatse van startbaan 2 en de taxibaan van het voormalige vliegveld verontreinigingen zijn aangetroffen met PAK en zware metalen. Het college heeft deze gevallen van verontreiniging aangemerkt als één geval van verontreiniging in de zin van artikel 1 van de Wet bodembescherming.

2.3. De minister voert aan dat het college ten onrechte de verontreinigingen ter plaatse van de locatie 'Groote Heide' heeft aangemerkt als één geval van verontreiniging in de zin van artikel 1 van de Wet bodembescherming. Hij stelt hiertoe onder meer dat tussen de geconstateerde verontreinigingen geen technische samenhang bestaat.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat een technische samenhang bestaat tussen de verschillende verontreinigingen, omdat deze zijn veroorzaakt door een samenhangend productieproces. Alle activiteiten ten gevolge waarvan de verontreinigingen zijn ontstaan waren namelijk gericht op het faciliteren van militaire doeleinden. Het college verwijst in dit verband naar de uitspraak van 5 november 2008 in zaak nr. 200707741/1 waarin de Afdeling heeft overwogen dat de term productieproces niet te beperkt dient te worden uitgelegd.

2.3.2. In artikel 1 van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, is bepaald dat onder een geval van verontreiniging wordt verstaan een geval van verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen.

2.3.3. Verschillende gevallen van verontreiniging kunnen slechts één geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming zijn, indien aan elk van de drie in dat artikel genoemde samenhangen is voldaan.

Technische samenhang is volgens vaste rechtspraak aanwezig als de aangetroffen verontreinigingen zijn veroorzaakt als gevolg van een zelfde productieproces, installatie of mechanisme.

2.3.4. Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2008 moet dat de term 'productieproces' niet zo beperkt worden uitgelegd dat dit slechts één specifieke bodemverontreinigende activiteit op zichzelf kan omvatten. Daarnaast blijkt uit deze uitspraak dat bij beantwoording van de vraag of activiteiten één productieproces vormen, de categorie-indeling van het destijds geldende Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer een indicatie kan zijn voor het bestaan van technische samenhang, nu daarin activiteiten zijn aangewezen die samen één inrichting vormen in de zin van de Wet milieubeheer.

2.3.5. Uit het saneringsplan en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verontreinigingen ter plaatse van de voormalige defensiegebouwen E en F en ter plaatse van de naoorlogse schietbanen voor handvuurwapens zijn veroorzaakt door het gebruik van het terrein voor schietoefeningen. De verontreinigingen ter plaatse van het plaggendepot en ter plaatse van startbaan 2 en de taxibaan van het voormalige vliegveld zijn veroorzaakt door de aanleg van de verharde startbanen door de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog. De verontreinigingen die zijn veroorzaakt door het gebruik van het terrein voor schietoefeningen en de verontreinigingen die zijn veroorzaakt door de aanleg van de startbanen zijn niet met elkaar vermengd.

2.3.6. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de verontreinigingen op het terrein 'Groote Heide' veroorzaakt door te onderscheiden activiteiten, die niet zijn toe te schrijven aan eenzelfde productieproces, installatie of mechanisme. Hierbij betrekt de Afdeling dat deze verontreinigingen zijn veroorzaakt door activiteiten die in tijd niet met elkaar samenhangen en dat de verontreinigingen niet met elkaar zijn vermengd. Bovendien zijn in bijlage II bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit onder categorie 2 vliegbases of vliegkampen aangewezen als activiteiten die één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer vormen en zijn onder categorie 6 van bijlage II bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit schietterreinen aangewezen als activiteiten die één inrichting vormen.

2.3.7. Het college heeft de gevallen van verontreiniging ter plaatse van de 'Groote Heide', reeds nu tussen deze gevallen geen technische samenhang bestaat, ten onrechte aangemerkt als één geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming. Het bestreden besluit waarbij het besluit van 8 december 2009 in stand is gelaten is daarom in strijd met de Wet bodembescherming.

De beroepsgrond slaagt.

2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Venlo van 13 juli 2010, kenmerk BVJZJ/ 10-1688,10-4214;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Venlo op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen binnen acht weken na de bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Venlo aan de minister van defensie het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

375-578.