Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9588

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201007490/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2010 heeft het dagelijks bestuur aan stichting Woonstad Rotterdam vergunning verleend voor het slopen van 84 woningen en bedrijven aan de Steven Hoogendijkstraat 54 tot en met 58 en de Oranjeboomstraat 81 tot en met 105 en 111 tot en met 135 te Rotterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007490/1/H1.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2010 in zaken nrs. 10/2141 en 10/2139 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Feijenoord van de gemeente Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2010 heeft het dagelijks bestuur aan stichting Woonstad Rotterdam vergunning verleend voor het slopen van 84 woningen en bedrijven aan de Steven Hoogendijkstraat 54 tot en met 58 en de Oranjeboomstraat 81 tot en met 105 en 111 tot en met 135 te Rotterdam.

Bij besluit van 27 april 2010 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 28 juni 2010, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 1 juli 2010, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Woonstad Rotterdam een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Woonstad Rotterdam en het dagelijks bestuur hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl, advocaat te Rotterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. L.K.T. Schrantee en J.W. Stoker, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Woonstad Rotterdam, vertegenwoordigd door M. Simouh en M. de Waal, bijgestaan door mr. T.N.H. Nguyen, advocaat te Rotterdam, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit op bezwaar van 27 april 2010, voor zover dit ziet op het pand [locatie], waar [appellant] woont en als kunstenaar tevens een atelier en expositieruimte heeft gevestigd.

2.2. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.6 van de bouwverordening van de gemeente Rotterdam zich in dit geval voordoet, zodat de bij het besluit op bezwaar van 27 april 2010 gehandhaafde sloopvergunning voor het pand Oranjeboomstraat 111 niet verleend had mogen worden. Hiertoe voert hij aan dat het pand op nummer 111 als voormalige bovenmeesterswoning destijds als één geheel is gebouwd met het naastgelegen schoolgebouw op nummer 109 en daarmee onlosmakelijk is verbonden. Het dagelijks bestuur heeft voor het pand op nummer 109 geen sloopvergunning afgegeven, aldus [appellant]. Hij stelt, onder verwijzing naar het rapport van Buczyna, bouwkundig adviesbureau, van 30 juli 2010, dat sloop van het pand op nummer 111 onherstelbare schade met zich brengt voor het pand op nummer 109. Het door Woonstad Rotterdam overgelegde rapport van BOAG B.V., advies en management, van 10 augustus 2010, het door het dagelijks bestuur overgelegde rapport van het ingenieursbureau van Gemeentewerken Rotterdam van 15 september 2010, en de door het dagelijks bestuur overgelegde nadere notitie van 2 november 2010 van het ingenieursbureau, leiden volgens [appellant] tot tegenstrijdige conclusies.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.1.1 van de bouwverordening van de gemeente Rotterdam, voor zover hier van belang, is het verboden bouwwerken te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).

Ingevolge artikel 8.1.6, aanhef en onder b, moet een sloopvergunning worden geweigerd, indien de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd.

2.2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente bij de aanbesteding van het bestek heeft beoogd één pand te realiseren en dat de panden Oranjeboomstraat 109 en 111 vanaf het moment van oplevering jarenlang één huisnummer hebben gehad. Dit brengt evenwel niet mee dat het pand Oranjeboomstraat 111 als onderdeel van het pand op nummer 109 kan worden beschouwd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat deze panden reeds jaren niet meer worden gebruikt als woning voor de hoofdonderwijzer respectievelijk schoolgebouw. Voorts is in de nadere notitie van het ingenieursbureau van 2 november 2010 geconcludeerd dat het pand op nummer 111, gezien het bouwkundig concept, eenvoudig van het pand op nummer 109 is af te slopen, waarbij de esthetische schade aan het laatstgenoemde pand relatief beperkt kan blijven. Verder worden enkele aandachtspunten genoemd, waarmee bij het uitvoeren van de sloop- en herstelwerkzaamheden rekening zal moeten worden gehouden. Het dagelijks bestuur heeft met de notitie van 2 november 2010 derhalve aannemelijk gemaakt dat met de voorgenomen sloop van het pand op nummer 111 de bescherming van het pand op nummer 109, zoals is bepaald in artikel 8.1.6, aanhef en onder b, door het stellen van voorschriften op een voldoende peil kan worden gewaarborgd. Bovendien bestaat, anders dan [appellant] ter zitting heeft betoogd, geen aanleiding voor het oordeel dat de notitie van het ingenieursbureau van 2 november 2010 buiten beschouwing dient te worden gelaten, nu deze notitie voortbouwt op het rapport van het ingenieursbureau van 15 september 2010 en van discrepanties tussen beide documenten, alsmede met het rapport van BOAG B.V. van 10 augustus 2010, geen sprake is. Daarbij wordt opgemerkt dat in het rapport van 15 september 2010 een sloopgrens bij de bouwmuur tussen de panden Oranjeboomstraat 109 en 111 niet wordt uitgesloten.

Het door [appellant] overgelegde rapport van Buczyna van 30 juli 2010 leidt niet tot een ander oordeel. Zo Buczyna met dit rapport al tot doel heeft gehad vast te stellen of de bescherming van het pand op nummer 109 voldoende is gewaarborgd, kan hieruit niet worden afgeleid dat ook met het treffen van maatregelen onvoldoende waarborgen worden gerealiseerd. In het rapport van 30 juli 2010 wordt immers niet ingegaan op de mogelijkheid om beschermingsmaatregelen te nemen.

Verder blijkt uit het door Woonstad Rotterdam overgelegde werkplan "sloop, fase 2" van 9 november 2010 dat de in de notitie van 2 november 2010 genoemde beschermingsmaatregelen in acht zullen worden genomen bij het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden.

Gelet hierop en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.6, aanhef en onder b, van de bouwverordening zich in dit geval voordoet. De enkele omstandigheid dat het pand op nummer 111 de status van gemeentelijk monument zou verkrijgen, wat hier ook van zij, doet hieraan, anders dan [appellant] betoogt, niet af. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens het dagelijks bestuur door een daartoe bevoegd persoon concrete toezeggingen zijn gedaan dat voor dit pand geen sloopvergunning zou worden verleend.

Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

374-593.