Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9586

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201006879/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2008 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006879/1/H3.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 juni 2010 in zaak nr. 09/355 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2008 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Bij besluit van 22 december 2008 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2010, verzonden op 16 juni 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.A.M.H. Vink, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Bij brief van 28 januari 2011 heeft het CBR desgevraagd ter nadere motivering van het besluit op bezwaar van 22 december 2008 een reactie van psychiater M. Hanoeman op een aantal nader omschreven vragen aan de Afdeling toegezonden.

Bij brief van 18 februari 2011 heeft [appellant] een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een nieuwe behandeling van de zaak ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Ingevolge artikel 3:9 dient het bestuursorgaan, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR, onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat de betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid. Dit onderzoek wordt door een deskundige uitgevoerd.

Ingevolge artikel 134, eerste lid, eerste volzin, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek of de onderzoeken inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage (hierna: de bijlage).

In die bijlage is in paragraaf 8.8, "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)", bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring op basis van een specialistisch rapport geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

Ingevolge artikel 7:464, tweede lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) wordt, indien het handelingen betreft als omschreven in artikel 7:446, vierde lid, de persoon op wie het onderzoek betrekking heeft in de gelegenheid gesteld mee te delen of hij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen. Indien die wens is geuit en de handelingen niet worden verricht in verband met een tot stand gekomen arbeidsverhouding of burgerrechtelijke verzekering dan wel een opleiding waartoe de betrokkene reeds is toegelaten, wordt bedoelde persoon tevens in de gelegenheid gesteld mee te delen of hij van de uitslag en de gevolgtrekking als eerste kennis wenst te nemen teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan.

2.2. Na een mededeling in de zin van artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 heeft [appellant] zich onderworpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van die wet. Dit onderzoek heeft op 26 juli 2008 plaatsgevonden en bestond uit anamneses en een lichamelijk, een psychiatrisch en een laboratoriumonderzoek. De betrokken keurend artsen, J. Doets en psychiater M.R. Weeda, hebben in het verslag van bevindingen (hierna: het psychiatrisch rapport) geconcludeerd dat er voldoende aanwijzingen zijn om te kunnen concluderen dat ten tijde van de aanhouding sprake was van alcoholmisbruik volgens DSM-IV-TR en dat tevens op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin kan worden gesteld. De keurend artsen achten het niet aannemelijk dat [appellant] ten tijde van het onderzoek met alcoholmisbruik was gestopt.

Bij besluit van 29 september 2008, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 22 december 2008, heeft het CBR op grond van het psychiatrisch rapport het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard voor alle categorieën.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR op basis van het psychiatrisch rapport op goede gronden heeft geconcludeerd dat bij [appellant] sprake is van misbruik van alcohol zoals bedoeld in paragraaf 8.8 van de bijlage, zodat [appellant] ten tijde van het besluit van 22 december 2008 niet aan de voor het besturen van motorrijtuigen gestelde eisen voldeed.

De rechtbank heeft de deskundigen in staat geacht om verklaringen op een juiste manier in het psychiatrisch rapport te verwerken en heeft daarom geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de vermelding in het rapport dat [appellant] heeft verklaard eenmaal per week tien eenheden alcohol te nuttigen. Hierbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat de deskundigen er geen enkel belang bij hebben een onjuist beeld te schetsen van het alcoholgebruik van [appellant].

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR door de uitslag van het onderzoek aan het besluit ten grondslag te leggen, heeft gehandeld in strijd met de vereiste zorgvuldigheid. Hij voert daartoe aan dat hij met betrekking tot de uitslag van het psychiatrisch onderzoek niet in de gelegenheid is gesteld het aan hem toekomende inzagerecht uit te oefenen. [appellant] stelt zich in dat kader op het standpunt dat een opmerking van hem over zijn alcoholgebruik verkeerd door de keurend artsen is begrepen dan wel verkeerd is genoteerd en dat hij ten onrechte door hen niet in de gelegenheid is gesteld deze fout te corrigeren. Zonder de door hem betwiste verklaring waren de keurend artsen niet tot de in het psychiatrisch rapport gestelde diagnose gekomen. Uit het psychiatrisch rapport is ook niet gebleken van afwijkende bloedwaarden, zodat voor het CBR daarom geen aanleiding bestond op grond van de uitslag van het onderzoek te besluiten tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, aldus [appellant].

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 februari 2009 in zaak nr. 200803362/1), dient het door de artsen in opdracht van het CBR verrichte onderzoek te worden aangemerkt als "een handeling ter beoordeling van de gezondheidstoestand of medische begeleiding van een persoon, verricht in opdracht van een ander dan die persoon in verband met de vaststelling van aanspraken of verplichtingen" als bedoeld in artikel 7:446, vierde lid, van het BW. Daarom kwam aan [appellant] het in artikel 7:464, tweede lid, aanhef en onder b, van het BW genoemde inzage- en blokkeringsrecht toe.

[appellant] heeft vooraf door de keurend artsen geen inzage verkregen in het psychiatrisch rapport, en heeft derhalve geen gebruik kunnen maken van de aan hem toekomende rechten met betrekking tot de uitslag van het verrichte onderzoek. [appellant] heeft zich beroepen op zijn recht op inzage.

Het inzagerecht biedt de betrokkene de gelegenheid voorafgaande aan het moment van besluitvorming de verslagen van bevindingen in te zien en daar kanttekeningen bij te maken. Deze kanttekeningen moeten door het CBR gemotiveerd worden meegewogen wanneer het zich ervan vergewist of de bevindingen van de adviseur op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en aan de besluitvorming ten grondslag kunnen worden gelegd. Nu [appellant] niet in de gelegenheid is gesteld het psychiatrisch rapport vooraf in te zien en zijn kanttekening daarbij te plaatsen en het CBR deze dus ook niet op de zojuist bedoelde wijze heeft meegewogen, heeft het CBR, door de uitslag van het onderzoek desondanks aan het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs ten grondslag te leggen, gehandeld in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:9 van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.7. De Afdeling ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar van 22 december 2008 in stand te laten. Zij overweegt daartoe het volgende. Weliswaar is [appellant] ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld met betrekking tot de verslagen van bevindingen zijn rechten ingevolge artikel 7:464, tweede lid, aanhef en onder b, van het BW uit te oefenen, maar hij heeft in bezwaar, beroep en hoger beroep zijn bezwaren tegen het psychiatrisch rapport alsnog voldoende naar voren kunnen brengen.

Beoordeeld dient te worden of het psychiatrisch rapport, in aanmerking genomen hetgeen [appellant] daartegen heeft aangevoerd, voldoende grondslag biedt voor het in het bestreden besluit gevolgde oordeel dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen. Het CBR heeft zich in verweer met juistheid op het standpunt gesteld dat het zich in beginsel mag baseren op de conclusies en adviezen waartoe de keurend artsen op grond van hun specialistische kennis en van hun bevindingen in onderling verband bezien zijn gekomen. De ongeldigverklaring van het rijbewijs kan slechts dan niet in stand blijven als het psychiatrisch rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR het rapport niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Die omstandigheden doen zich hier niet voor.

In het psychiatrisch rapport wordt vermeld dat [appellant] ten tijde van de aanhouding ruim dertig kilometer had gereden en dat hij heeft verklaard dat hij zich goed en nuchter voelde bij een alcoholpromillage van 1,3. Gelet hierop heeft [appellant] volgens de betrokken keurend artsen een verhoogde tolerantie voor alcohol, hetgeen duidt op alcoholmisbruik. Verder wordt in het rapport vermeld dat [appellant] problemen op zijn werk heeft geriskeerd door te rijden onder invloed van alcohol en dat hij heeft verklaard dat hij één dag per week tien eenheden alcohol drinkt, hetgeen volgens de keurend artsen eveneens duidt op alcoholmisbruik. De keurend artsen stellen voorts vast dat [appellant] opnieuw onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorrijtuig is aangehouden, hoewel hij eerder een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer heeft gevolgd, waarbij hij nadrukkelijk is gewezen op de effecten, gevolgen en risico's van alcoholgebruik in het verkeer.

[appellant] heeft betwist dat hij bij het psychiatrisch onderzoek heeft verklaard dat hij één dag per week tien eenheden alcohol dronk. Hij stelt dat het opgegeven alcoholgebruik slechts voor één dag per maand gold. Volgens psychiater Hanoeman van het onderzoeksbureau alwaar [appellant] op 26 juli 2008 werd onderzocht is deze frequentie in het licht van de geconstateerde alcoholtolerantie niet aannemelijk. In zijn reactie op de aan hem gestelde vragen stelt de psychiater dat [appellant] bij het psychiatrisch onderzoek heeft verklaard dat hij zich bij een alcoholpromillage van 1,3 goed en nuchter voelde, hetgeen niet strookt met een alcoholgebruik van één keer per maand tien eenheden. De psychiater acht geen andere oorzaak aannemelijk voor de gebleken opgebouwde alcoholtolerantie. Hij stelt zich bovendien op het standpunt dat er, ook indien de stelling van [appellant] dat hij slechts één keer per maand tien eenheden alcohol dronk juist zou zijn, nog steeds voldoende aanwijzingen aanwezig zijn om te kunnen concluderen dat er ten tijde van de aanhouding sprake was van alcoholmisbruik volgens DSM-IV-TR en dat tevens op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin kan worden gesteld.

De Afdeling is van oordeel dat het CBR het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft mogen baseren op het psychiatrisch rapport. Bezien in samenhang met de reactie van psychiater Hanoeman biedt dat rapport voldoende steun voor de conclusie van alcoholmisbruik. Anders dan [appellant] stelt, leidt de omstandigheid dat in dit geval geen afwijkende bloedwaarden zijn geconstateerd niet tot een ander oordeel. Eerst in zijn reactie van 18 februari 2011 betwist [appellant] dat hij zich bij een alcoholpromillage van 1,3 goed en nuchter voelde. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de keurend artsen de daarop betrekking hebbende verklaringen niet juist in het psychiatrisch rapport hebben weergegeven. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is er, in het licht van het geheel van de in het rapport neergelegde en door psychiater Hanoeman toegelichte bevindingen, onvoldoende reden aan de opgegeven verklaringen te twijfelen. Het CBR heeft op grond van het psychiatrisch rapport tot ongeldigverklaring van het rijbewijs mogen besluiten.

2.8. De Afdeling zal doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren. Het besluit op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

2.9. Het CBR dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 juni 2010 in zaak nr. 09/355;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 22 december 2008, kenmerk 2008004404 / KvdE;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1518,00 (zegge: vijftienhonderdachttien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € € 369,00 (zegge: driehonderdnegenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

280-597.