Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9585

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201006537/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 3 juni 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 5.16
Wet milieubeheer 5.19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2011/3670
JOM 2011/406
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006537/1/M2.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 3 juni 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2010, en [appellant sub 2] en anderen bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 5 augustus 2010. [appellant sub 2] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 23 juli 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], het college en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2011, waar [appellant sub 1], in persoon en vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.M. van den Boom en W. de Gouw, zijn verschenen. Voorts heeft [appellant sub 1] ir. J.R. Brouwer, werkzaam bij De Roever Omgevingsadvies, als deskundige meegenomen. Daarnaast is de [vergunninghouder], in persoon en vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden en mr. H.J.M. Wingens, beiden advocaat te Nijmegen, als belanghebbende gehoord. Tevens heeft de vergunninghouder H.P. Greten, werkzaam bij Greten Greten Raadgevende ingenieurs, als deskundige meegenomen.

2. Overwegingen

Intrekken beroep en beroepsgrond

2.1. Bij brief van 10 december 2010 heeft [appellant sub 1] zijn beroepsgronden over geluid wat betreft het terugtoeren van de ventilatoren en de coördinatieregeling van de Waterwet en de Wet milieubeheer ingetrokken. Voorts heeft [appellant sub 1] ter zitting zijn beroepsgrond over de strijdigheid van het Besluit milieueffectrapportage 1994 met richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003, ingetrokken. Bij brief van 14 januari 2011 hebben [appellant sub 2] en anderen hun beroep voor zover dit is ingesteld door [appellant sub 2A] ingetrokken.

Overgangsrecht Wabo

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Ontvankelijkheid

2.3. Het college stelt dat het door [appellant sub 1] ingestelde beroep niet-ontvankelijk is, omdat het beroepschrift van [appellant sub 2] en anderen ook namens hem is ingediend. Volgens het college is het tweemaal tegen hetzelfde besluit instellen van beroep door dezelfde persoon in strijd met het stelsel van de Wet milieubeheer. Daarnaast stelt het college dat [appellant sub 2] en anderen niet allemaal belanghebbenden zijn gelet op de afstand van hun woningen tot de inrichting. Voorts is het beroep van [appellant sub 2] en anderen volgens het college niet-ontvankelijk voor zover dit is ingesteld door [appellant sub 2B], [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D], omdat het ingestelde beroep door hen niet van gronden is voorzien.

2.3.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, bevat het beroepschrift de gronden van het beroep.

2.3.2. Artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer verbiedt het tweemaal instellen van beroep niet. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep van [appellant sub 1], dat enkel door hem is ingesteld, niet-ontvankelijk is.

2.3.3. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer vergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden, belanghebbenden.

[appellant sub 2] en anderen wonen in de nabijheid van de inrichting. Het is aannemelijk dat zij ter plaatse van hun woningen milieugevolgen van de inrichting kunnen ondervinden, zodat er geen aanleiding is voor het oordeel dat zij niet zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.4. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2010, is medegedeeld dat het beroep van [appellant sub 2] en anderen mede is ingediend namens [appellant sub 2B], [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D]. Dit beroep is bij brief van 23 juli 2010 van gronden voorzien. Dat in deze brief niet de namen zijn vermeld van [appellant sub 2B], [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D] betekent niet dat het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover dat door hen is ingediend, niet-ontvankelijk is.

Milieueffectrapport

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat het college ten onrechte heeft besloten dat er geen verplichting bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapport. Zij voeren hiertoe aan dat door de uitbreiding van de inrichting door de realisering van twee nieuwe stallen en de wijziging van de overige stallen de drempelwaarde voor mesthoenders zoals genoemd in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) wordt overschreden. Volgens [appellant sub 1] worden de reeds vergunde stallen zodanig gewijzigd dat zij dienen te worden aangemerkt als nieuwe installaties in de zin van de bijlage bij het Besluit.

2.4.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

In categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit is als activiteit waarvoor bij de voorbereiding van een besluit het maken van een milieueffectrapport verplicht is, onder meer aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 85.000 plaatsen voor mesthoenders.

In categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit is als activiteit waarvoor beoordeeld moet worden of bij de voorbereiding van een besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt, onder meer aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met 60.000 plaatsen of meer voor mesthoenders.

Ingevolge onderdeel A, onder 2, van de bijlage bij het Besluit, wordt in deze bijlage onder 'oprichting van een inrichting' mede verstaan: een uitbreiding van een inrichting door de oprichting van een nieuwe installatie.

2.4.2. Voor de inrichting is bij besluit van 17 september 1998 een milieuvergunning verleend voor het houden van 87.000 vleeskuikens. Bij het bestreden besluit is een vergunning verleend voor het houden van 156.250 vleeskuikens. Van dit aantal worden 77.500 vleeskuikens gehouden in twee nieuwe stallen en voor het overige worden de vleeskuikens in reeds bestaande stallen gehouden die worden gewijzigd. Deze wijzigingen bestaan er uit dat de stallen worden voorzien van een mixluchtventilatiesysteem en dat hierin minder dieren worden gehouden. Het college stelt dat er gelet op het aantal dieren waarmee de inrichting wordt uitgebreid geen verplichting bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapport. Daarbij neemt het college in aanmerking dat de reeds bestaande stallen niet zodanig worden gewijzigd dat het gaat om 'oprichten' of 'uitbreiden' in de zin van het Besluit.

2.4.3. De bestaande stallen worden niet zodanig gewijzigd dat zij dienen te worden aangemerkt als nieuw opgerichte installaties. Bij het Besluit van 16 augustus 2006 tot wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (uitvoering richtlijnen nrs. 2001/42/EG en 2003/35/EG) is het Besluit gewijzigd door in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage op te nemen dat ook voor het wijzigen en uitbreiden van in deze categorie genoemde projecten de verplichting bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapport naast de al bestaande verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport voor het oprichten van dergelijke projecten. Uit de nota van toelichting bij het Besluit van 16 augustus 2006 volgt dat er, wanneer de inrichting wordt gewijzigd of uitgebreid, alleen een verplichting bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapport wanneer de wijziging of uitbreiding van de inrichting betrekking heeft op een activiteit ten gevolge waarvan de drempelwaarde van categorie 14 van onderdeel C van de bijlage wordt overschreden (Stb. 2006, 388, blz. 37). Dit betekent voor het houden van vleeskuikens dat pas een verplichting bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapport wanneer het aantal vleeskuikens toeneemt met meer dan 85.000, aangezien dat de drempelwaarde is van categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2008 in zaak nr. 200708006/1. Door de vergunde wijziging van de stallen en oprichting van de twee nieuwe stallen neemt het aantal vleeskuikens niet met meer dan 85.000 toe, zodat geen verplichting bestond tot het opstellen van een milieueffectrapport.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat het college bij de beoordeling of een milieueffectrapport moet worden gemaakt, wat de aspecten geur en ammoniak betreft onvoldoende rekening heeft gehouden met de kenmerken van de inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden. Zij wijzen in dit verband op de hoge geurbelasting vanwege de inrichting, het grote aantal veehouderijen in de omgeving van de inrichting en het in de omgeving van de inrichting gelegen natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.

2.5.1. Ingevolge artikel 7.8b, vierde lid, van de Wet milieubeheer moet het bevoegd gezag bij de beoordeling of een milieueffectrapport moet worden gemaakt rekening houden met de in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven omstandigheden. De in deze bijlage genoemde omstandigheden hebben betrekking op de kenmerken van de projecten, de plaats van de projecten en de kenmerken van het potentiële effect.

2.5.2. Het college heeft bij besluit van 4 mei 2010 besloten dat het maken van een milieueffectrapport niet nodig is, aangezien geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu optreden. Wat het aspect geur betreft heeft het college daarbij in aanmerking genomen dat de geurbelasting vanwege de inrichting ruim onder de geldende geurnormen blijft. Daarnaast blijkt volgens het college uit de 'Gebiedsvisie t.b.v. de Verordening geurhinder en veehouderij d.d. 26 februari 2008', die is opgesteld in verband met het vaststellen van de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Haaren, dat ook wat betreft de cumulatie van geurhinder met andere inrichtingen niet hoeft te worden gevreesd voor belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Wat betreft het aspect ammoniak heeft het college in aanmerking genomen dat de ammoniakemissie afneemt. De emissiepunten van de inrichting komen weliswaar dichterbij het zeer kwetsbare gebied Leemkuilen dat behoort tot het Natura-2000 gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen te liggen, maar in verband met de afname van de ammoniakemissie zal de ammoniakdepositie op dit gebied niet toenemen. Daarnaast worden ten aanzien van de toegepaste stalsystemen strengere eisen gesteld dan het toepassen van de beste beschikbare technieken, zodat de plaatselijke milieuomstandigheden geen reden vormen voor het opleggen van strengere eisen.

2.5.3. Uit het besluit van 4 mei 2010 blijkt dat het college rekening heeft gehouden met de kenmerken van het project en de plaats van het project. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de in bijlage III van de richtlijn aangegeven omstandigheden en dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu optreden die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk maken.

De beroepsgrond faalt.

Bestemmingsplan

2.6. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan geweigerd had dienen te worden.

2.6.1. Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, bepaalt dat de vergunning kan worden geweigerd ingeval door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

2.6.2. Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad van de gemeente Haaren het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld. Bij uitspraak van 25 januari 2010 in zaak nr. 200907076/2/R3 heeft de voorzitter van de Afdeling dit besluit gedeeltelijk geschorst.

2.6.3. Het college stelt dat er geen aanleiding is om de vergunning op grond artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer te weigeren. Daarbij neemt het college in aanmerking dat er ten aanzien van de bestaande stallen bestaande rechten zijn, nu deze stallen reeds waren vergund. De nieuwe stallen zijn volgens het college in overeenstemming met zowel het bestemmingsplan zoals dat gold voor de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" als met het bestemmingsplan "Buitengebied". Wanneer toch strijd met het geldende bestemmingsplan blijkt, dan is het college voornemens een projectbesluit te nemen om de strijdigheid op te heffen.

2.6.4. Er is geen grond voor het oordeel dat het college met deze motivering niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de vergunning niet krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer geweigerd behoefde te worden.

De beroepsgrond faalt.

Ammoniak

2.7. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de vergunning op grond van artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij had moeten worden geweigerd, vanwege de geografische ligging van de inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden. In dit verband wijzen [appellant sub 2] en anderen op het in de nabijheid van de inrichting gelegen Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen en het grote aantal veehouderijen.

2.7.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij, voor zover hier van belang, wordt een vergunning voor een gpbv-installatie - zoals hier aan de orde - in afwijking van het eerste lid eveneens geweigerd, indien niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden aan de milieuvergunning moeten worden verbonden, maar die niet met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken kunnen worden gerealiseerd.

2.7.2. Het college heeft bij de toepassing van artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij aansluiting gezocht bij de Beleidslijn IPPC-omgevingstoets ammoniak en veehouderij van 25 juni 2007 van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de beleidslijn). Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer samen met de Regeling aanwijzing BBT-documenten, is het college verplicht bij vergunningverlening rekening te houden met de beleidslijn.

2.7.3. De beleidslijn houdt kort gezegd het volgende in.

Wanneer er in de omgeving van een veehouderij een kwetsbaar natuurgebied is, of wanneer de achtergronddepositie ter plaatse (te) hoog is, kan aanleiding bestaan om te verlangen dat deze veehouderij een lagere ammoniakemissie veroorzaakt dan zou optreden wanneer de beste beschikbare technieken worden toegepast.

In dat geval geldt het volgende:

Bij uitbreiding van een zogeheten IPPC-veehouderij kan worden volstaan met toepassing van de beste beschikbare technieken zolang de totale jaarlijkse ammoniakemissie niet meer bedraagt dan 5.000 kg. Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding, uitgaande van toepassing van de beste beschikbare technieken, meer dan 5.000 kg, dan dient boven het meerdere een extra reductie ten opzichte van toepassing van de beste beschikbare technieken te worden gerealiseerd. In tabel 1 van de beleidslijn is voor een aantal diercategorieën de vereiste reductie weergegeven. Voor vleeskuikens is een emissiefactor van 0,037 kg NH3/dierplaats/jaar (reductie 54%) opgenomen voor het geval de ammoniakemissie hoger is dan 5.000 kg per jaar en niet meer bedraagt dan 10.000 kg. Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding met toepassing van de beste beschikbare technieken (tot 5.000 kg) en verdergaande technieken (vanaf 5.000 kg) meer dan 10.000 kg, dan dient boven het meerdere een reductie van in beginsel 85% ten opzichte van de emissie van een traditionele stal te worden gerealiseerd.

2.7.4. De ammoniakemissie per dierplaats van het vergunde stalsysteem bedraagt 0,037 kg per jaar. De totale ammoniakemissie vanwege de inrichting bedraagt 5.781,3 kg per jaar.

2.7.5. Het college heeft de beleidslijn als volgt toegepast. Gezien het emissieniveau van de inrichting van 5.781,3 kg per jaar en de aanwezigheid van in de omgeving van de inrichting gelegen kwetsbare natuurgebieden is er volgens het college aanleiding om meer reductie van ammoniakemissie te eisen dan enkel het toepassen van de beste beschikbare technieken. Overeenkomstig de beleidslijn dient daarom een reductie van 54% te worden bewerkstelligd. Dit resulteert in een emissiefactor 0,037 kg NH3/dierplaats/jaar. Het stellen van nog strengere eisen dan deze reductie is volgens het college niet nodig, omdat de achtergronddepositie niet extreem hoog is, de ammoniakemissie afneemt ten opzichte van de reeds vergunde situatie en de reductie van de ammoniakemissie van toepassing is op de ammoniakemissie van alle vleeskuikens en niet slechts voor dat deel dat ervoor zorgt dat de ammoniakemissie van de veehouderij in totaal meer dan 5.000 kg per jaar bedraagt.

2.7.6. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college hiermee onvoldoende gemotiveerd of op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan de beleidslijn. Het college heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat de omgevingstoets zoals neergelegd in artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij, geen aanleiding geeft om de vergunning te weigeren.

De beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

2.8. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geluid

2.9. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de gestelde geluidgrenswaarden in vergunningvoorschrift 6.1.6 voor de incidentele bedrijfssituatie ontoereikend zijn om geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting te voorkomen dan wel voldoende te beperken. [appellant sub 2] en anderen voeren hiertoe aan dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat het afvoeren van vleeskuikens een activiteit is die niet tot de representatieve bedrijfssituatie, maar de incidentele bedrijfssituatie behoort. Volgens hen is deze activiteit ten onrechte uitgezonderd van de geluidgrenswaarden die gelden voor de representatieve bedrijfssituatie. [appellant sub 1] voert hiertoe primair aan dat in voorschrift 6.1.6 in strijd met de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) voor enkele woningen voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode een hogere waarde is vastgesteld dan de aanbevolen grenswaarde van 60 dB(A). In dit verband verwijst [appellant sub 1] naar de uitspraak van 14 juli 2010 in zaak nr. 200903072/1/M2, waaruit volgens hem blijkt dat het vaststellen van een hogere grenswaarde voor het maximale geluidniveau dan 60 dB(A) zoals is aanbevolen in de Handreiking niet is toegestaan. Subsidiair voert [appellant sub 1] aan dat het college ten onrechte niet heeft gemotiveerd dat een overschrijding van de aanbevolen grenswaarde van 60 dB(A) voor de nachtperiode voor deze woningen toelaatbaar is.

2.9.1. In vergunningvoorschrift 6.1.6 is, voor zover hier van belang, bepaald dat 11 keer per jaar voor het afvoeren van vleeskuikens in de nachtperiode mag worden afgeweken van de in de voorschriften 6.1.1 en 6.1.2 gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau in de representatieve bedrijfssituatie. Het maximale geluidniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten mag in de incidentele bedrijfssituatie in de nachtperiode ter plaatse van de voorgevel van de Winkelsestraat 9 en ter plaatse van de Winkelsestraat 4 niet meer bedragen dan 64 dB(A) en ter plaatse van de Winkelsestraat 9b niet meer dan 63 dB(A).

2.9.2. Het college heeft bij het vaststellen van de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden aansluiting gezocht bij de Handreiking. In paragraaf 3.2 van de Handreiking worden de waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode aangemerkt als de maximaal aanvaardbaar te achten grenswaarden voor het maximale geluidniveau. Volgens paragraaf 5.3 van de Handreiking kan ontheffing worden verleend om maximaal 12 maal per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. Het gaat dan om bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties), welke niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie.

2.9.3. Er is vergunning aangevraagd voor het 11 keer per jaar afvoeren van vleeskuikens in de nachtperiode. Gelet op het aantal keer per jaar dat vleeskuikens worden afgevoerd is dit een incidentele activiteit. Er is in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten ten aanzien van deze activiteit een ontheffing van de geluidgrenswaarden te verlenen die gelden in de representatieve bedrijfssituatie.

2.9.4. Anders dan [appellant sub 1] stelt blijkt uit de uitspraak van 14 juli 2010 in zaak nr. 200903072/1/M2 niet dat het vaststellen van een hogere geluidgrenswaarde voor het maximale geluidniveau in de incidentele bedrijfssituatie dan de aanbevolen grenswaarde van 60 dB(A) voor de nachtperiode niet is toegestaan. De Afdeling heeft in deze uitspraak geoordeeld dat de systematiek van de Handreiking ontheffingen voor het maximale geluidniveau voor regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie niet toelaat. Het college heeft in het bestreden besluit ontheffing verleend voor het maximale geluidniveau voor de incidentele bedrijfssituatie. De systematiek van de Handreiking laat een ontheffing voor het maximale geluidniveau voor de incidentele bedrijfssituatie wel toe.

2.9.5. Uit het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende akoestische rapport van 13 oktober 2009 blijkt dat de overschrijding van de voor de representatieve bedrijfssituatie aanbevolen grenswaarde van 60 dB(A) in de incidentele bedrijfssituatie in de nachtperiode wordt veroorzaakt door de geluidbelasting vanwege vrachtwagens waarmee de kuikens worden afgevoerd. Greten Raadgevende Ingenieurs heeft in een notitie van 28 april 2010, die deel uitmaakt van de aanvraag, uiteengezet dat het treffen van bronmaatregelen en maatregelen in de overdrachtssfeer om de geluidhinder vanwege de vrachtwagens te beperken niet mogelijk is.

2.9.6. Uit hetgeen in de notitie van 28 april 2010 is uiteengezet ten aanzien van de afvoer van kuikens in de nachtperiode, is aannemelijk geworden dat het treffen van geluidreducerende maatregelen ten aanzien van deze activiteit niet mogelijk is. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om voor de desbetreffende woningen in de incidentele bedrijfssituatie voor de nachtperiode geluidgrenswaarden vast te stellen die hoger zijn dan 60 dB(A).

De beroepsgrond faalt.

2.10. [appellant sub 1] voert aan dat de gestelde geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Hij voert hiertoe wat betreft de geluidhinder vanwege de ventilatoren onder verwijzing naar door De Roever Omgevingsadvies opgestelde notities van 5 december 2010 en 22 december 2010 het volgende aan. Volgens [appellant sub 1] is in het akoestische rapport van 13 oktober 2009 ten onrechte niet onderzocht of het geluid vanwege de mechanische ventilatie een tonaal karakter heeft. Het bestreden besluit is in zoverre volgens hem onzorgvuldig voorbereid. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat aan het akoestische rapport van 21 oktober 2010, dat is opgesteld na het nemen van het bestreden besluit en waarin is onderzocht of vanwege de ventilatoren een tonaal geluid hoorbaar is, geen representatieve geluidmetingen ten grondslag liggen. Volgens hem zijn de desbetreffende geluidmetingen onder meer niet representatief, omdat zij zijn uitgevoerd in de dagperiode waardoor tonaal geluid minder goed hoorbaar is vanwege de hoogte van het achtergrondgeluid. Voorts stelt [appellant sub 1] zich op het standpunt dat er in het akoestische rapport van 13 oktober 2009 ten onrechte van is uitgegaan dat de emissiepunten van de gevelventilatoren van de stallen 3, 4, 6 en 7 zijn gelegen op 1,5 meter hoogte in plaats van op 6 tot 7 meter hoogte en dat in dit rapport de geluidreducerende werking van de ventilatieschacht is overschat doordat deze in het rekenmodel ten onrechte als een geluidscherm is geprojecteerd. Volgens [appellant sub 1] werkt de ventilatieschacht niet als een geluidscherm, maar wordt het geluid vanwege de ventilatoren via de ventilatieschacht rechtstreeks omhoog geleid. Daarnaast is volgens [appellant sub 1] uitgegaan van te lage bronsterkten wat betreft de dakventilatoren in de stallen 1 en 2. Volgens [appellant sub 1] blijkt uit het akoestische rapport van 13 oktober 2009 en hetgeen in het geurrapport is opgemerkt over de toegepaste ventilatoren, dat in de stallen 1 en 2 de bestaande ventilatoren van het merk Multifan worden toegepast en dat deze, anders waarvan uit is gegaan bij de berekening van de geluidbelasting van de inrichting, niet worden vervangen door ventilatoren van het merk Fancom met lagere bronsterkten. Voor het overige voert [appellant sub 1] aan dat met name wanneer dieren worden geladen en gelost, tonaal geluid hoorbaar zal zijn vanwege de achteruitrijdsignalering van vrachtwagens. Daarmee is volgens hem in het akoestische rapport van 13 oktober 2009 geen rekening gehouden. Daarnaast zijn volgens [appellant sub 1] het gehanteerde bronniveau en de tijdsduurcorrectie voor het laden en lossen van kippen en het lossen van veevoer in het akoestische rapport van 13 oktober 2009 niet representatief voor de desbetreffende activiteiten.

2.10.1. Uit het akoestische rapport van 13 oktober 2009, dat is opgesteld door Greten Raadgevende Ingenieurs, blijkt dat ervan is uitgegaan dat geen tonaal geluid hoorbaar is ter plaatse van voor geluid gevoelige objecten vanwege de ventilatoren. Uit het verweerschrift blijkt dat Greten Raadgevende Ingenieurs er op grond van ervaring van is uitgegaan dat vanwege de vergunde ventilatoren ter plaatse van woningen in de omgeving van de inrichting geen tonaal geluid hoorbaar is.

Het college heeft een akoestisch rapport overgelegd van 21 oktober 2010, waarin de conclusie is getrokken dat ter plaatse van geluidgevoelige objecten in de omgeving van de inrichting geen tonaal geluid hoorbaar is. Ter zitting is de representativiteit van de geluidmetingen die aan dit rapport ten grondslag liggen, aan de orde gekomen. De deskundige H.P. Greten heeft wat betreft het uitvoeren van de geluidmetingen in de dagperiode opgemerkt dat de ventilatoren gedurende deze geluidmetingen volledig in bedrijf waren. In de bij het bestreden besluit vergunde situatie draaien de ventilatoren in de nachtperiode niet op vol vermogen. In stal 1 draaien de ventilatoren op 58% van het vermogen en in stal 2 draaien de ventilatoren op 53% van het vermogen. Volgens de deskundige was ten gevolge van het uitvoeren van deze geluidmetingen de geluidproductie circa 12 dB(A) hoger dan in de nachtperiode. Gelet op deze hogere geluidproductie zijn de geluidmetingen voor zover zij zijn uitgevoerd in de dagperiode daarom volgens de deskundige, ondanks dat het achtergrondgeluid in de dagperiode hoger is, wel representatief.

[appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door de deskundige ingenomen standpunt wat betreft de representativiteit van de geluidmetingen voor zover zij zijn uitgevoerd in de dagperiode onjuist is. [appellant sub 1] heeft ook voor het overige niet aannemelijk gemaakt dat de uitgevoerde geluidmetingen niet representatief zijn. Uit het akoestische rapport van 21 oktober 2010 blijkt dat ter plaatse van voor geluid gevoelige objecten geen tonaal geluid vanwege de ventilatoren hoorbaar is. Gelet hierop is er terecht in het akoestische rapport van 13 oktober 2009 bij de berekening van de geluidbelasting vanwege de inrichting van uitgegaan dat geen tonaal geluid vanwege de ventilatoren hoorbaar is. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college naar aanleiding van het rapport van 13 oktober 2009 een onderzoek naar mogelijk tonaal geluid vanwege de ventilatoren had moeten uitvoeren.

2.10.2. Greten Raadgevende Ingenieurs heeft naar aanleiding van de beroepsgrond over het hanteren van een onjuiste hoogte voor de emissiepunten van de gevelventilatoren en het overschatten van de geluidreducerende werking van de ventilatieschacht een notitie opgesteld van 17 december 2010. Bij deze notitie is een tekening gevoegd waaruit blijkt dat de emissiepunten van de ventilatoren op 1,5 meter hoogte zijn gelegen. Uit deze precisering van de bij de aanvraag gevoegde tekening blijkt dat in het akoestische rapport van 13 oktober 2009 wat de gevelventilatoren betreft terecht is uitgegaan van een hoogte van de emissiepunten van 1,5 meter. Daarnaast is in de notitie van 17 december 2010 door Greten Raadgevende Ingenieurs uiteengezet dat de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 geen voorgeschreven methode bevat om de vergunde ventilatieschacht te modelleren. Wat betreft de ventilatieschacht is daarom een modelleringswijze gehanteerd die de werkelijkheid zoveel mogelijk benadert. De schermhoogte waarvan is uitgegaan in het akoestische rapport van 13 oktober 2009, is gelijk aan de hoogte van de wand van het prefab betonpaneel van de uitstroombak van de ventilatieschacht. De modellering zoals gehanteerd in het akoestische rapport van 13 oktober 2009 is gebaseerd op het akoestische effect van afscherming door middel van de prefab betonwand. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat via deze wijze van modelleren van de ventilatieschacht de werkelijkheid niet zo dicht mogelijk wordt benaderd en daarmee niet aannemelijk gemaakt dat door de ventilatieschacht op deze wijze als een geluidscherm te modelleren een onjuiste geluidbelasting is berekend.

2.10.3. Uit het akoestische rapport van 13 oktober 2009 blijkt dat bij de berekening van de geluidbelasting vanwege de inrichting ervan is uitgegaan dat in de stallen 1 en 2 dakventilatoren van het merk Fancom worden toegepast. De bij het bestreden besluit vastgestelde geluidgrenswaarden zijn gebaseerd op de berekende geluidbelasting in het akoestische rapport van 13 oktober 2009. Er kan daarom van worden uitgegaan dat de Fancom ventilatoren zijn vergund. In zoverre is er geen aanleiding voor het oordeel dat de geluidbelasting vanwege de vergunde dakventilatoren in de stallen 1 en 2 is onderschat.

2.10.4. Ter zitting hebben het college en vergunninghouder aannemelijk gemaakt dat vrachtwagens op het terrein van de inrichting rond kunnen rijden, zodat voor zover zij al zijn voorzien van een achteruitrijdsignalering, zij hiervan geen gebruik hoeven te maken. In het akoestische rapport van 13 oktober 2009 is daarom terecht geen rekening gehouden met mogelijk tonaal hoorbaar geluid van de achteruitrijdsignalering van vrachtwagens.

2.10.5. In de enkele niet nader gemotiveerde stelling van [appellant sub 1] dat het bronniveau en de tijdsduurcorrectie in het akoestische rapport van 13 oktober 2009 voor het laden en lossen van kippen en het lossen van veevoer niet representatief zijn, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestische rapport in zoverre op onjuiste gegevens berust.

De beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

2.11. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat moet worden betwijfeld of aan de wettelijk gestelde grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) kan worden voldaan. [appellant sub 1] voert hiertoe aan dat de luchtkwaliteit niet op representatieve punten is beoordeeld. Volgens hem is er in het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende luchtkwaliteitrapport van 12 maart 2009 ten onrechte van uitgegaan dat alleen ter plaatse van woningen en bijbehorende tuinen in de omgeving van de inrichting de luchtkwaliteit beoordeeld dient te worden. Dit zijn volgens hem niet de enige plaatsen waartoe het publiek toegang heeft. Voorts voert hij aan dat de uitgevoerde berekening niet representatief is vanwege de onjuiste invoer van de bedrijfsgegevens, een onderschatting van de achtergrondconcentratie van zwevende deeltjes (PM10) en een overschatting van de zeezoutaftrek. [appellant sub 2] en anderen voeren hiertoe aan dat de emissie van zwevende deeltjes (PM10) reeds voor de uitbreiding van de inrichting dermate hoog was, dat ten gevolge van de vergunde uitbreiding dient te worden gevreesd voor een overschrijding van de geldende grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10).

2.11.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer kunnen bestuursorganen, als de uitoefening van hun bevoegdheid te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer, gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, hun bevoegdheid uitoefenen, als aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening - kort gezegd - niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde.

Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Ingevolge artikel 5.19, tweede lid, voor zover hier van belang, vindt op de volgende locaties geen beoordeling van de luchtkwaliteit plaats:

a. locaties die zich bevinden in gebieden waartoe leden van het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is;

c. de rijbaan van wegen en de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (hierna: de Regeling), voor zover hier van belang, worden meetpunten voor de meting van concentraties in de buitenlucht van zwevende deeltjes (PM10) ten behoeve van het bepalen van de mate waarin het kwaliteitsniveau van de genoemde stof voldoet aan de desbetreffende luchtkwaliteitseisen, bedoeld in bijlage 2, voorschrift 4.1 op een zodanig punt geplaatst dat door middel van metingen op dat punt gegevens worden verkregen over concentraties van de betreffende luchtverontreinigende stof in gebieden binnen zones en agglomeraties waar de hoogste concentraties voorkomen waaraan de bevolking rechtstreeks of onrechtstreeks kan worden blootgesteld gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de betreffende luchtkwaliteitseis significant is.

Ingevolge artikel 65, voor zover hier van belang, is artikel 22 van overeenkomstige toepassing op het door middel van berekening vaststellen van het kwaliteitsniveau en van effecten als bedoeld in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.

Ingevolge artikel 74 worden concentraties van verontreinigde stoffen in de buitenlucht bij inrichtingen bepaald vanaf de grens van het terrein van de betreffende inrichting.

2.11.2. Het luchtkwaliteitrapport gaat er aan de hand van het bepaalde in artikel 5.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer over de locaties waar beoordeling plaatsvindt en aan de hand van het bepaalde in artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling over de blootstellingsduur van uit dat de luchtkwaliteit alleen ter plaatse van woningen en tuinen in de omgeving van de inrichting behoeft te worden beoordeeld. Volgens het luchtkwaliteitrapport zijn voor het overige in de omgeving van de inrichting alleen plaatsen gelegen die voor het publiek niet toegankelijk zijn dan wel plaatsen waar de blootstelling slechts van korte duur zal zijn.

2.11.3. Niet gebleken is dat in de omgeving van de inrichting andere locaties zijn gelegen waartoe het publiek toegang heeft dan wel ter plaatse waarvan de blootstelling aan concentraties van zwevende deeltjes (PM10) significant is ten opzichte van de middelingstijd hiervoor, dan de locaties ter plaatse waarvan de luchtkwaliteit is beoordeeld. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de luchtkwaliteit niet op representatieve punten is beoordeeld. Voorts geven de niet nader gemotiveerde stellingen van [appellant sub 1] ten aanzien van de uitgevoerde berekening en [appellant sub 2] en anderen ten aanzien van het mogelijk overschrijden van de geldende normen voor zwevende deeltjes (PM10) geen aanleiding voor het oordeel dat aan de voor de emissie van deze stof geldende normen niet kan worden voldaan.

De beroepsgrond faalt.

Verwijzing naar zienswijze

2.12. Voor het overige verwijst [appellant sub 1] in zijn beroepschrift naar de over het ontwerpbesluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college daarop een reactie gegeven. [appellant sub 1] heeft in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.13. De beroepen zijn ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Brink w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

190-578.