Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9581

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201001586/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2010, kenmerk DOC201000008261, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Arcen en Velden, thans: Venlo, bij besluit van 28 mei 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/102 met annotatie van C.A.H. van de Sanden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001586/1/R3.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Velden, gemeente Venlo,

2. [appellant sub 2], wonend te Velden, gemeente Venlo,

3. [appellant sub 3], wonend te Velden, gemeente Venlo,

4. [appellant sub 4], wonend te Meijel, gemeente Peel en Maas,

5. [appellant sub 5], wonend te Arcen, gemeente Venlo,

6. [appellant sub 6], wonend te Velden, gemeente Venlo,

7. [appellant sub 7], wonend te Velden, gemeente Venlo,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2010, kenmerk DOC201000008261, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Arcen en Velden, thans: Venlo, bij besluit van 28 mei 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2010, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2010, [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2010, [appellant sub 6] per faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2010, [appellant sub 2] per faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2010, [appellant sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2010, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 5] heeft zijn beroep aangevuld, onder meer bij brief van 25 februari 2010. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 16 april 2010. [appellant sub 6] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 16 april 2010. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 31 maart 2010. [appellant sub 4] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 22 april 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 5], [appellant sub 1], [appellant sub 6] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2011, waar [appellant sub 3] en [appellant sub 5], in persoon, [appellant sub 1] en [appellant sub 6], beiden vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. M.M.H. van Kuijk, en [appellant sub 7], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. L.H.M. Vorstermans en drs. W. Rongen, beiden werkzaam bij de provincie zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken en H.C.A. Willems, beiden werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.2. Het plan voorziet in een actueel planologisch-juridisch kader voor het gehele buitengebied van Arcen en Velden en is overwegend conserverend van aard.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.2.1. [appellant sub 1] richt zich tegen het bestreden besluit voor zover daarbij geen goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden (AN)" voor zijn perceel aan de locatie Stegerdijk.

[appellant sub 1] betoogt dat het college weliswaar goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden (AN)" voor een gedeelte van het perceel aan de locatie Stegerdijk, maar deze onthouding van goedkeuring zou het gehele perceel moeten betreffen, aldus [appellant sub 1]. Hij voert hiertoe aan dat bij de onthouding van goedkeuring door het college geen rekening is gehouden met de andere reeds gerealiseerde bedrijfsvoorzieningen op zijn perceel. Het betreft hier voersilo's, een hygiënesluis, een spoelplaats, een mestzak en een mestkelder. Deze dienen volgens [appellant sub 1] te vallen binnen de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de nadere aanduiding "intensieve veehouderij (iv)" dat tevens geldt als bouwblok. Nu deze bedrijfsvoorzieningen in het vorige plan wel binnen het bouwblok lagen zullen zij nu onder het overgangsrecht komen te vallen, vreest [appellant sub 1].

2.2.2. Aan de beperkte onthouding van goedkeuring aan voornoemde bestemming heeft het college ten grondslag gelegd dat bij de vaststelling van voornoemde bestemming geen rekening is gehouden met een varkensstal met afzuigkanaal, waarvoor een bouwvergunning is verleend. Hierdoor valt een gedeelte van de te realiseren varkensstal met afzuigkanaal ten onrechte gedeeltelijk buiten de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)" met de nadere aanduiding "intensieve veehouderij (iv)" dat tevens geldt als bouwblok. Het perceelsgedeelte waaraan volgens [appellant sub 1] goedkeuring zou moeten worden onthouden, is veel groter en komt niet overeen met de feitelijke legale situatie ter plaatse, aldus het college.

2.2.3. Ter zitting is komen vast te staan dat alle voorzieningen ten behoeve van het bedrijf van [appellant sub 1] met uitzondering van de mestzak, binnen het perceelsgedeelte liggen waaraan door het college goedkeuring is onthouden. Het betoog van [appellant sub 1] mist voor zover het de andere voorzieningen betreft derhalve feitelijke grondslag.

Ten aanzien van de mestzak geldt dat ter zitting vast is komen te staan dat daarvoor geen bouwvergunning is verleend en niet althans onvoldoende gemotiveerd is weersproken dat daarvoor een bouwvergunning was vereist. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat, zoals ter zitting is gesteld en door de raad is weersproken, door een daartoe bevoegde persoon is medegedeeld dat een zodanige vergunning niet nodig was. Gegeven voorts de niet onredelijk te achten wens van het college om bouwvlakken zoveel mogelijk te beperken en de omvang van het perceelsgedeelte waaraan al goedkeuring was onthouden, heeft het college in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om eveneens aan het perceelsgedeelte met daarop de mestzak goedkeuring te onthouden.

2.2.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door hem bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.3. [appellant sub 2] richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)", voor zover die bestemming is toegekend aan zijn percelen, kadastraal bekend gemeente Arcen en Velden, sectie C, nrs. 5245, 5246 en 5904.

[appellant sub 2] betoogt dat, nu een volwaardig agrarisch bedrijf op zijn percelen niet mogelijk is, hieraan een woonbestemming had moeten worden toegekend. Hij voert hiertoe aan dat zijn percelen weliswaar buiten de rode contouren als bedoeld in de "POL-herziening op onderdelen Contourenbeleid Limburg" van 24 juni 2005 (hierna: de POL-herziening op onderdelen) liggen die het stedelijk gebied weergeven, maar dat dit niet aan een woonbestemming in de weg staat. De percelen grenzen aan de kern van Velden en vormen daarmee een geschikte inbreidingslocatie voor de aangrenzende woonwijk. Gezien de ter plaatse aanwezige lintbebouwing en woningbehoefte leidt een woonbestemming tot een kwaliteitsverbetering. In het verleden zijn al gesprekken gevoerd over een woonbestemming ter plaatse, maar kon deze bestemming geen doorgang vinden gezien de milieucirkels. De betreffende bedrijfsmatige activiteiten in de nabijheid van de percelen zijn gestopt, waarmee deze milieucirkels zijn vervallen.

Verder betoogt [appellant sub 2] dat een goede motivering ontbreekt voor de omstandigheid dat zijn percelen in tegenstelling tot de naastgelegen percelen, die in gemeentelijke eigendom zijn, niet binnen de rode contour zijn opgenomen. Hierdoor is sprake is van willekeur.

Voorts betoogt [appellant sub 2] dat de aan zijn percelen toegekende bestemming in strijd is met de gemeentelijke structuurvisie "Gemeente-atlas 2015", zoals vastgesteld op 2 januari 2006 (hierna: de structuurvisie). De percelen van [appellant sub 2] worden hierin immers aangeduid als "reeds intensief in menselijk gebruik".

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat uit het POL-beleid op grond van de POL-herziening op onderdelen, volgt dat het niet mogelijk is om woningen te realiseren buiten de rode contour, omdat aan de voorwaarden daarvoor niet kan worden voldaan. De percelen van [appellant sub 2] liggen buiten deze rode contour.

2.3.2. Niet in geschil is dat het college voor de beoordeling van de woningbouwwensen van [appellant sub 2] is uitgegaan van de toetsingscriteria uit de POL-herziening op onderdelen. Hieruit volgt dat voor Noord- en Midden-Limburg verbale rode contouren (hierna: rode contouren) gelden, waarop het contourenbeleid uit de POL-herziening op onderdelen van toepassing is.

Uit de POL-herziening op onderdelen, pagina 26 en verder, blijkt, voor zover hier van belang, het volgende:

"Onder rode ontwikkelingen verstaan we functies die niet inherent zijn aan het buitengebied, zoals woningbouw (…).

Teneinde een rode ontwikkeling buiten de contour mogelijk te maken dient in elk geval aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:

a. De ontwikkeling is op basis van een reguliere planologische afweging toelaatbaar op de betreffende plek.

b. De ontwikkeling vindt plaats aansluitend aan de bestaande of verbale contour of binnen een lint of cluster, met uitzondering van landgoederen.

c. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van het aanwezige basiskapitaal.

d. Ter plekke worden zodanige maatregelen genomen dat er sprake is van een goede landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische inpassing.

e. De ontwikkeling levert een bijdrage aan de verdere ontwikkeling van de kwaliteiten van het gebied in groter verband. Bedoelde kwaliteitsverbetering dient - zo mogelijk ingekaderd via een intergemeentelijke/regionale aanpak - gericht te zijn op de realisatie van de Provinciale Ecologische Structuur/Provinciale Ontwikkelingszone Groene Waarden.

f. Voor zover het Zuid-Limburg betreft gaat het niet om grootschalige ontwikkelingen maar richt zich op het oplossen van knelpunten, het bieden van kansen en meer ruimte voor maatschappelijk belangrijke ontwikkelingen.

g. In Noord- en Midden-Limburg geldt - in afwijking van het gestelde onder e - het uitgangspunt dat woningbouwontwikkelingen buiten de verbale contouren voorlopig een bijdrage leveren aan het project Ruimte voor Ruimte. Immers via Ruimte voor Ruimte zijn al kwaliteitsbevorderende maatregelen uitgevoerd (sloop van stallen in het kader van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken 1 en 2). Indien het project Ruimte voor Ruimte is afgerond vervalt dit en kunnen andere kwaliteitsbevorderende maatregelen worden verlangd.

h. Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de uitgangspunten genoemd onder e en g. Deze afwijking is mogelijk voorzover het gaat om woningbouwontwikkelingen in de sociale sector of er anderszins door de gemeente kan worden aangetoond dat de bebouwing noodzakelijk is om de ruimtelijke kwaliteit van de kern c.q. de gemeente te waarborgen. Gedeputeerde Staten zullen voorafgaand de kwaliteitscommissie om advies vragen."

In de POL-herziening op onderdelen is gesteld dat de belangrijkste voorwaarde voor nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden buiten de rode contouren het realiseren van kwaliteit is, zowel op de te ontwikkelen plek zelf als in breder verband. De vereiste kwaliteitsverbetering op de plek zelf dient te worden beoordeeld in het kader van de bouwaanvraag. Naast architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit wordt hier met name de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische inpassing in de omgeving bedoeld. Nieuwe ontwikkelingen buiten de rode contour dienen via de eerste generatie Verhandelbare Ontwikkelings Rechten methoden (VORm) als tegenprestatie bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit van de Provinciale Ecologische Structuur/Provinciale Ontwikkelingszone Groene waarden (PES/POG), zo volgt uit de POL-herziening op onderdelen. Gekeken wordt naar de mogelijkheden voor een "rode" ontwikkeling buiten de rode contour. Initiatieven voor een rode ontwikkeling buiten de contour kunnen via een bestemmingsplan worden gerealiseerd, waarbij het noodzakelijk is om zeker te stellen dat de overeengekomen kwaliteitsbevorderende maatregelen binnen de overeengekomen termijnen en binnen de overeengekomen omvang en kwaliteit zullen worden gerealiseerd.

2.3.3. De percelen van [appellant sub 2] liggen weliswaar aan de rand van de kern van Velden, maar buiten de rode contour. Van een inbreidingslocatie is derhalve geen sprake. Daargelaten of de beoogde woningbouw leidt tot een kwaliteitsverbetering en dat de voormalige ter plaatse geldende milieucirkels zijn vervallen, dient, om buiten voornoemde rode contour een woning mogelijk te maken, in ieder geval aan alle in de vorige overweging aangehaalde voorwaarden te zijn voldaan. Voorts vloeit hier gelet op de strekking van de tekst, geen verplichting uit voort om een woning buiten de rode contour toe te staan. Specifiek voor onder meer woningbouw aansluitend aan de rode contour in Noord- en Midden-Limburg geldt, kort gezegd, het uitgangspunt dat woningbouwontwikkelingen buiten de verbale rode contouren een bijdrage leveren aan het project Ruimte voor Ruimte. Deze tegenprestatie "vervangt" het vereiste om kwaliteitsbevorderende maatregelen in de PES/POG te realiseren. De omvang van de kwaliteitsbevorderende maatregelen is afhankelijk van het grondoppervlak en de inhoud van de woning die buiten de rode contour wordt gerealiseerd, alsmede van het totale perceelsoppervlak inclusief tuin en bijgebouwen. Gesteld noch gebleken is dat aan voornoemde kwaliteitsbevorderende maatregelen is voldaan.

Gelet hierop heeft het college de door [appellant sub 2] gewenste woningbouw terecht als strijdig met het provinciaal beleid gekenmerkt.

2.3.4. Wat betreft het betoog van [appellant sub 2] dat sprake zou zijn van willekeur wordt als volgt overwogen. Uit de POL-herziening op onderdelen volgt, voor zover hier van belang, dat de rode contour in Noord- en Midden-Limburg zich bevindt op de grens van het stads- en dorpsgebied en het landelijke gebied. Gronden die in het vorige bestemmingsplan een stads- of dorpsbestemming of een uit te werken stads- of dorpsbestemming hebben gekregen worden geacht binnen de contour te liggen. Om de vorming van eilandjes in de kernen te voorkomen worden kleinere agrarische bestemmingen die in de kern liggen en duidelijk deel uitmaken van het dorp of de kern ook geacht binnen de rode contour te liggen. Hierbij kan worden gedacht aan dorpsweides, stadsparken, groenzones, kleinere natuurgebieden en kleinere bosgebieden. Gronden waaraan in het vorige bestemmingsplan een buitengebied-bestemming is toegekend, worden geacht buiten de rode contour te liggen. Als buitengebied-bestemmingen worden onder meer agrarische bestemmingen beschouwd.

In het vorige plan was een agrarische bestemming voor de percelen van [appellant sub 2] opgenomen, waardoor deze percelen worden geacht buiten de rode contour te liggen. Van de gemeentelijke percelen is ter zitting komen vast te staan dat ze zich binnen de rode contour bevinden, waarbij niet is gebleken dat deze gemeentelijke percelen een bestemming hadden die niet past binnen een stads- of dorpsbestemming.

Gelet op het voorgaande heeft het college in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat de raad willekeurig te werk is gegaan bij de vaststelling van het plan in zoverre.

2.3.5. Wat betreft het betoog van [appellant sub 2] dat de aan zijn percelen toegekende bestemming in strijd is met de structuurvisie wordt als volgt overwogen. In de structuurvisie staat, voor zover hier van belang, dat de wenselijkheid van ruimtelijke ontwikkelingen afhankelijk is van het bestaande infrastructurele netwerk en het menselijk ruimtegebruik ter plaatse van de beoogde locatie.

Niet in geschil is dat het perceel van [appellant sub 2] in een gebied ligt dat in de structuurvisie is aangeduid als "reeds intensief in menselijk gebruik". De enkele omstandigheid dat binnen deze aanduiding ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, betekent niet dat de raad reeds hierom een woonbestemming aan het perceel van [appellant sub 2] had moeten toekennen.

Gelet op het voorgaande heeft het college in redelijkheid geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het plan in strijd zou zijn met de gemeentelijke structuurvisie.

2.3.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door hem bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.4. [appellant sub 3] richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied (A)", voor zover die bestemming is toegekend aan zijn perceel aan de Putterweg, kadastraal bekend gemeente Arcen en Velden, sectie C, no. 9222.

[appellant sub 3] betoogt dat ten onrechte niet de bestemming "Woondoeleinden (W)" aan zijn perceel is toegekend. Hij voert hiertoe aan dat hiertegen geen overwegende bezwaren bestaan. Bovendien hebben omringende percelen wel de bestemming "Woondoeleinden (W)".

2.4.1. In het bestreden besluit wordt gesteld dat het voorkomen van verdere verstening van het buitengebied als uitgangspunt wordt gehanteerd. Met name functies die niet gelieerd zijn aan het buitengebied, zoals woningbouw, worden daarom geweerd. Nieuwe woningen in het buitengebied worden slechts onder zeer strikte voorwaarden toegestaan op basis van de Verhandelbare Ontwikkelings Rechten methoden (VORm) en de bijbehorende procedure, zoals omschreven in overweging 2.3.2..

2.4.2. Het perceel had in het vorige plan een agrarische bestemming zonder mogelijkheid tot de bouw van een woning. Bovendien ligt het perceel in het buitengebied en dient voor de bouw van een woning, gezien de locatie van het perceel, de VORm-procedure te worden toegepast. Aan de voorwaarden voor toepassing daarvan is in dit geval door [appellant sub 3] niet voldaan.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is voldaan aan de toepassing van de provinciale VORm-procedure voor woningbouw in het buitengebied.

2.4.3. Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] dat aan de omringende percelen wel de bestemming "Woondoeleinden (W)" is toegekend, vat de Afdeling deze grond op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Ter zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat de situatie van de omringende percelen verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat het hier percelen betreft met bestaande agrarische woningen die zijn omgebouwd dan wel woningen die ter plaatse reeds waren toegestaan op basis van eerdere planologische procedures.

Reeds hierom faalt het beroep van [appellant sub 3] op het gelijkheidsbeginsel.

2.4.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door hem bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.5. [appellant sub 4] richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)", voor zover die bestemming is toegekend aan een gedeelte van zijn perceel aan de [locatie 1], kadastraal bekend gemeente Arcen en Velden, sectie D, no. 1296.

[appellant sub 4] betoogt primair dat het toekennen van voornoemde bestemming geen rekening houdt met de door hem gewenste ontwikkelingsmogelijkheden voor zijn bedrijf, waaronder de mogelijkheid tot detailhandel. Hij voert hiertoe aan dat er geen rekening mee is gehouden dat hij door voornoemde bestemming in zijn bouw- en gebruiksmogelijkheden wordt beperkt, nu de bedrijfsbestemming voor het gehele perceel uit het vorige plan gedeeltelijk is gewijzigd in een agrarische bestemming. Tot slot is voornoemde bestemming op zijn perceel niet reëel, omdat er geen agrarische activiteiten op plaatsvinden.

Subsidiair betoogt [appellant sub 4] dat een woonbestemming ten behoeve van twee burgerwoningen aan het perceel had moeten worden toegekend in plaats van de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)". Deze mogelijkheid is op onjuiste gronden niet in het plan opgenomen, omdat de raad ten onrechte de VORm-procedure niet heeft toegepast.

Tot slot betoogt [appellant sub 4] dat in de directe omgeving van zijn perceel wel woonbestemmingen in het plan zijn opgenomen. Bovendien leidt de keuze voor een woonbestemming op zijn perceel tot een planologische verbetering.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen concrete ontwikkelingen zijn op het perceel van [appellant sub 4] die aanleiding geven om de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)" te wijzigen. Wat betreft de wens van [appellant sub 4] tot een woning op zijn perceel is niet voldaan aan de eisen voor toepassing van de provinciale VORm-procedure voor woningbouw in het buitengebied.

2.5.2. Aan het perceel van [appellant sub 4] is deels de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de aanduidingen "opslag/stallingen (os)" en "één bedrijfswoning toegestaan (1BW)", en aan het overige deel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)" toegekend. Het plan is overwegend conserverend van aard en blijkens de zienswijzennota heeft de raad de feitelijke situatie ter plaatse als uitgangspunt gehanteerd bij de vaststelling van het plan. Voorts volgt uit de plankaart en de bijbehorende planvoorschriften van het vorige bestemmingsplan "Algemeen bestemmingsplan 1986" dat detailhandel op het perceel van [appellant sub 4] is uitgesloten. Ter zitting is door het college onweersproken gesteld dat het perceel ook nooit is benut voor detailhandel, en dat er geen concrete plannen hiervoor waren. In het verleden heeft ooit enige handel in kermiswagens plaatsgevonden. Hoewel in het vorige plan aan een grotere oppervlakte van het perceel een bedrijfsbestemming was toegekend, heeft [appellant sub 4] dit perceelsgedeelte nooit benut ten behoeve van zijn bedrijf. Nu het beleid voor het buitengebied er blijkens het bestreden besluit op is gericht om zoveel mogelijk te voorkomen dat er in het buitengebied functieontwikkelingen plaatsvinden die niet aan het buitengebied verbonden zijn, acht de Afdeling niet onredelijk dat in het voorliggende plan aan het perceel in zoverre de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)" is toegekend. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat aan een geldend bestemmingsplan, waarvan de planologische mogelijkheden nimmer zijn gerealiseerd, geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Nu aan deze bestemming niet is verbonden dat hierbinnen verplicht agrarische activiteiten moeten worden uitgeoefend en [appellant sub 4] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij concrete uitbreidingsplannen voor zijn bedrijf heeft, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat deze bestemming niet reëel zou zijn.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen concrete ontwikkelingen zijn op het perceel van [appellant sub 4] die aanleiding geven om de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)" te wijzigen.

2.5.3. Wat betreft het subsidiaire betoog van [appellant sub 4] dat een woonbestemming ten behoeve van twee burgerwoningen aan het perceel had moeten worden toegekend wordt als volgt overwogen.

Ter zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat als uitgangspunt wordt gehanteerd dat verdere verstening van het buitengebied en daarmee de bouw van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied wordt voorkomen. Nieuwe woningen in het buitengebied worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan op basis van het Verhandelbare Ontwikkelings Rechten methoden (VORm)-beleid en de bijbehorende procedure, zoals omschreven in overweging 2.3.2..

Het perceelsgedeelte waaraan de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (AL)" is toegekend had in het vorige plan "Algemeen bestemmingsplan 1986" geen woonbestemming. Bovendien ligt het perceel in het buitengebied en dient voor de bouw van een woning, gezien de locatie van het perceel, de VORm-procedure te worden toegepast, waarbij het initiatief bij betrokkene ligt. Aan de voorwaarden voor toepassing daarvan is in dit geval door [appellant sub 4] niet voldaan.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is voldaan aan de toepassing van de provinciale VORm-procedure voor woningbouw in het buitengebied.

2.5.4. Wat betreft het betoog van [appellant sub 4] dat in de directe omgeving van zijn perceel wel woonbestemmingen in het plan zijn opgenomen vat de Afdeling deze grond op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Ter zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat de situatie van de omringende percelen verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat het hier percelen betreft met woningen die ter plaatse reeds waren toegestaan op basis van eerdere planologische procedures.

Reeds hierom faalt het beroep van [appellant sub 4] op het gelijkheidsbeginsel.

2.5.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door hem bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

2.6. [appellant sub 5] richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de aanduiding "caravanhandel (cv)", voor het perceel aan de [locatie 2].

[appellant sub 5] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om op zijn perceel autohandel te bedrijven en motorbrandstoffen te verkopen. De Kroon heeft op 13 juli 1991 uitdrukkelijk bepaald dat er geen overwegende bezwaren bestaan tegen een verkooppunt voor motorbrandstoffen en aanverwante artikelen ter aanvulling van het ter plaatse aanwezige caravan- en stallingsbedrijf. Vervolgens is geen herziening als bedoeld in artikel 30 van de WRO tot stand gekomen die rechtskracht heeft verkregen doordat het college integraal goedkeuring onthield aan de bedoelde planherziening. De enkele omstandigheid dat er de aflopen jaren weinig activiteiten zijn ontplooid met betrekking tot de beoogde autohandel en het verkooppunt voor motorbrandstoffen, betekent niet dat dit plan hierin niet zou kunnen voorzien. Ter zitting heeft [appellant sub 5] hierbij nog gesteld dat elke vorm van autostalling ter plaatse onmogelijk wordt gemaakt. Voorts betoogt [appellant sub 5] dat zijn perceel ten onrechte in de Provinciale Ontwikkelingszone Groen (POG) ligt.

Tot slot betoogt [appellant sub 5] dat wel naar de wensen van de exploitanten van "Camping de Maasvallei" (hierna: de camping) en vakantiepark "Klein Vink" (hierna: het vakantiepark) is geluisterd.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad in redelijkheid geen aanleiding heeft gezien om op het perceel de door [appellant sub 5] gewenste bedrijfsvoorzieningen mogelijk te maken. Er is nooit sprake geweest van enige vorm van legale autohandel onderscheidenlijk verkoop van motorbrandstoffen op het perceel en in het voorliggende plan is geen aanleiding gezien om hierin verandering te brengen. Verder heeft het college erop gewezen dat al decennia feitelijk geen sprake is van verkoop van motorbrandstoffen en ongeveer 10 jaar weinig of geen autohandel.

2.6.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden (B)" bestemd voor de uitoefening van bedrijven overeenkomstig de aanduiding op de plankaart en de bij dit artikel behorende tabel 'Bedrijven'.

Blijkens de plankaart in samenhang met de tabel 'Bedrijven' is aan het perceel [locatie 2] de aanduiding "caravanhandel (cv)" toegekend. Dit houdt in dat de bedrijfsuitoefening mag bestaan uit de volgende activiteiten: stalling-, handels- en verkoopbemiddelingsbedrijf van caravans, campers, vouwwagens, boten, tenten en reparatie- en onderhoudsbedrijf van voornoemde producten.

Het betreft een plan dat overwegend conserverend van aard is. Uitgangspunt hierbij is blijkens het bestreden besluit geweest dat de raad wat betreft de functietoekenning in het plan is uitgegaan van de actuele situatie waarbij rekening is gehouden met de actuele inzichten en beleidskaders op gemeentelijk en provinciaal niveau.

Het perceel is gelegen in een bosrijk gebied en had in het vorige plan een agrarische bestemming. Deze bestemming voorzag niet in de mogelijkheid van een autohandel onderscheidenlijk verkoop van motorbrandstoffen op het perceel van [appellant sub 5].

2.6.3. [appellant sub 5] moet worden toegegeven dat de Kroon destijds geen bezwaren zag in de aanwezigheid van een motorbrandstoffenverkooppunt op zijn perceel en dat de raad nadien in een ter inzage gelegd bestemmingsplan wilde voorzien in een motorbrandstoffenverkooppunt op zijn perceel. Hier staat echter tegenover dat voornoemd bestemmingsplan uiteindelijk nooit in werking is getreden, waarna het motorbrandstoffenverkooppunt ook feitelijk na een aanzegging tot bestuursdwang is gesloten. Voorts is van belang dat in de afgelopen periode van bijna 20 jaar sinds het Kroonbesluit, waarin, zoals ter zitting naar voren is gekomen, geen verkoop van motorbrandstoffen heeft plaatsgevonden, de planologische en milieuhygiënische inzichten sterk zijn gewijzigd. Hoewel, anders dan [appellant sub 5] kennelijk heeft beoogd te stellen, de ligging in dan wel nabij de in het provinciale beleid vastgelegde POG te dezen niet ter toets kan komen ziet de Afdeling niet in dat het college geen zwaarwegend gewicht heeft mogen toekennen aan de ligging van het perceel van [appellant sub 5] in het buitengebied nabij bos en agrarisch gebied met landschappelijke waarden.

Gelet op het voorgaande acht de Afdeling aanvaardbaar dat voor de bestemming voor het perceel van [appellant sub 5] is aangesloten bij het huidige gebruik op het perceel. Nu het perceel, zoals ter zitting is komen vast te staan, al geruime tijd niet of nauwelijks ten dienste heeft gestaan van een autohandel, bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat deze als zodanig in het plan had moeten worden opgenomen. Ter zitting is uitdrukkelijk door de raad gesteld dat het stallen van auto's, ingeval er gedurende de periode dat een kampeermiddel wordt afgehaald en gebruikt, is inbegrepen in het toegelaten bedrijfsmatige gebruik. De Afdeling ziet geen aanleiding dit voor onjuist te houden.

2.6.4. Wat betreft het betoog van [appellant sub 5] dat wel naar de wensen van de exploitanten van de camping en het vakantiepark is geluisterd vat de Afdeling dit op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Wat betreft het vakantiepark en de camping geldt dat sprake is van recreatieve en daarmee geheel andersoortige activiteiten dan op het perceel van [appellant sub 5]. Reeds hierom is geen sprake van gelijke gevallen die gelijke behandeling behoeven, waardoor het beroep van [appellant sub 5] op het gelijkheidsbeginsel faalt.

2.6.5. Met betrekking tot de gronden die [appellant sub 5] in zijn beroepschrift niet expliciet heeft vermeld, maar alleen door middel van een verwijzing naar de bedenkingen in het beroepschrift heeft herhaald en ingelast, wordt overwogen dat hij geen redenen heeft aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.6.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond.

2.6.7. Voor zover [appellant sub 5] betoogt dat hem op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht schade moet worden toegekend, wordt overwogen dat ingevolge dit artikel de Afdeling bij gegrondverklaring van een beroep, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon kan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. Nu het beroep van [appellant sub 5] niet leidt tot gegrondverklaring, dient reeds hierom het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

Het beroep van [appellant sub 6]

2.7. [appellant sub 6] richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden (AN)", voor zover die bestemming is toegekend aan het ten noordoosten van een vergunde tuinbouwkas gelegen gedeelte van zijn perceel nabij de [locatie 3].

[appellant sub 6] betoogt dat ten onrechte niet de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)", dat tevens geldt als bouwblok, aan het betreffende gedeelte van zijn perceel is toegekend nu hij daar een, voor zijn glastuinbouwbedrijf noodzakelijk, hemelwaterbassin niet kan realiseren. Binnen de omvang van het huidige bouwvlak is dat niet mogelijk, waardoor de bedrijfsvoering van zijn vergunde glastuinbouwbedrijf wordt gefrustreerd. Exploitatie hiervan is hierdoor niet mogelijk en bovendien, gelet op de geldende milieuwetgeving, ook niet toegestaan. De enkele in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid acht hij onvoldoende.

Verder acht [appellant sub 6] de weigering om het hemelwaterbassin planologisch in te passen in strijd met hetgeen het Waterschap Peel en Maasvallei in het vooroverleg heeft opgemerkt ten aanzien van duurzaam waterbeheer. [appellant sub 6] voert hiertoe aan dat niet op toereikende wijze ruimte wordt geboden aan een hemelwaterbassin, waardoor de raad handelt in strijd met zijn eigen waterbeheerbeleid.

Tot slot voert [appellant sub 6] aan dat vanuit het gemeentebestuur een toezegging is gedaan dat medewerking zou worden verleend aan het hemelwaterbassin op de door [appellant sub 6] beoogde locatie. Hiervoor verwijst hij naar de reactie van het college van burgemeester en wethouders van 24 oktober 2005 op een brief van zijn kant van 4 oktober 2005.

2.7.1. Niet in geschil is dat voor het glastuinbouwbedrijf van [appellant sub 6] aan de [locatie 3] een bouwvergunning is verleend en dat het glastuinbouwbedrijf als zodanig is opgenomen in het plan. Het bouwplan is nog niet gerealiseerd. Voor het hemelwaterbassin is in 2003 een vrijstellingsverzoek op basis van artikel 19, eerste lid, van de WRO ingediend, maar deze procedure is nooit voltooid. De locatie waarop [appellant sub 6] het hemelwaterbassin beoogt heeft de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden (AN)". Op grond van artikel 6, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften is een hemelwaterbassin op deze gronden uitgesloten.

Ingevolge artikel 24, tweede lid in samenhang met de daarbij behorende tabel 2, van de planvoorschriften is het mogelijk om de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden (AN)" te wijzigen in "Agrarische bedrijfsdoeleinden (AB)", binnen welke bestemming het realiseren van een hemelwaterbassin mogelijk is.

Voorts is niet in geschil dat door het college de provinciale "Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling Limburg, deel II (augustus 2008)" (hierna: de handreiking) aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Het glastuinbouwbedrijf van [appellant sub 6] ligt buiten een glastuinbouwconcentratiegebied als bedoeld in de handreiking. Het voorgaande betekent op basis van de handreiking dat voor de uitbreiding van bestaande bedrijven, waaronder mede begrepen bedrijven waarvoor reeds een vergunning is verleend, een referentiemaat van 3 hectare geldt. Het bouwblok voor de kas overschrijdt deze referentiemaat, maar de kas zelf blijft hier net binnen. Onder omstandigheden kan sprake zijn van overschrijding van de referentiemaat op basis van het Bouwkavel Op Maat Plus (BOM+) principe. Uitgangspunt hierbij is dat alle agrarische bedrijfsontwikkelingen, die planologische consequenties hebben, worden getoetst op hun effecten op de omgevingskwaliteiten in een afzonderlijke BOM+-procedure. Deze procedure is door [appellant sub 6] niet gevolgd.

De Afdeling acht, gelet op de ligging van het perceel buiten een glastuinbouwconcentratiegebied, de wens van het college om in beginsel vast te houden aan de referentiemaat niet onredelijk. Voorts heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, waarbinnen onder voorwaarden een hemelwaterbassin kan worden gerealiseerd, voldoende tegemoet komt aan de belangen van [appellant sub 6]. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het de keuze van [appellant sub 6] is geweest om, ondanks dat hij een hemelwaterbassin noodzakelijk acht voor de exploitatie, binnen de referentiemaat geen rekening te houden met het hemelwaterbassin door praktisch de gehele referentiemaat te benutten ten behoeve van het glastuinbouwbedrijf.

2.7.2. Wat betreft het betoog dat het plan in strijd is met hetgeen het Waterschap in het vooroverleg heeft gesteld wordt als volgt overwogen. Uit de opmerkingen van het Waterschap met betrekking tot het vooroverleg volgt dat, voor zover hier van belang, in de plantoelichting een eigen visie van de gemeente op duurzaam waterbeheer dient te worden opgenomen. Hierbij is infiltreren, bergen en daarna lozen de beleidsvolgorde.

Los van het feit dat het hier een opmerking van het Waterschap en geen gemeentelijk beleid betreft, volgt hieruit slechts dat de raad een visie moet hebben op duurzaam waterbeheer. Niet in geschil is dat deze visie in de waterparagraaf van de plantoelichting is verwerkt.

Gelet op het voorgaande heeft het college in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat de raad, zoals gesteld door [appellant sub 6], in strijd met zijn eigen waterbeheerbeleid zou hebben gehandeld.

2.7.3. Wat betreft de door [appellant sub 6] gestelde toezegging wordt als volgt overwogen. Daargelaten dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan bij de raad en niet bij het college van burgemeester en wethouders berust, heeft [appellant sub 6] niet aannemelijk gemaakt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Uit de brief van 24 oktober 2005 volgt dat in het in ontwikkeling zijnde bestemmingsplan buitengebied bestaande rechten worden gerespecteerd en niet dat het plan in een hemelwaterbassin zou voorzien op de door [appellant sub 6] beoogde locatie.

Gelet op het voorgaande heeft het college reeds hierom geen aanleiding hoeven te zien voor het oordeel dat het plan op dit punt in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

2.7.4. Met betrekking tot de gronden die [appellant sub 6] in zijn beroepschrift niet expliciet heeft vermeld, maar alleen door middel van een verwijzing naar de inspraakreactie, zienswijze en bedenkingen in het beroepschrift heeft herhaald en ingelast, wordt overwogen dat hij geen redenen heeft aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.7.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

2.8. [appellant sub 7] richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bosgebied (BO)", voor zijn perceel, kadastraal bekend gemeente Arcen en Velden, sectie C, no. 5017.

[appellant sub 7] betoogt dat voornoemde bestemming geen recht doet aan de feitelijk bestaande situatie. Hij voert hiertoe aan dat voornoemde bestemming de gebouwen op het perceel, evenals het historische en actuele gebruik van het perceel ten behoeve van recreatieve doeleinden, niet toelaat.

2.8.1. Ter zitting is komen vast te staan dat voor de gebouwen, die tussen de 50 en 60 jaar oud zijn, nooit een bouwvergunning is verleend. Nu die gebouwen derhalve illegaal op het perceel aanwezig zijn, kan [appellant sub 7] daaraan geen rechten ontlenen om deze in het voorliggende plan planologisch mogelijk te maken.

Wat betreft het gebruik van het perceel wordt overwogen dat ter zitting is komen vast te staan dat het historische en actuele gebruik van het perceel bestaat uit dagrecreatie door de familie [appellant sub 7], waarbij een gedeelte van het perceel wordt gebruikt als tuin. Dit gebruik past niet binnen de doeleindenomschrijving van de bestemming "Bosgebied (BO)". Voorts heeft de raad ter zitting desgevraagd toegelicht dat het gebruik door de familie [appellant sub 7], die het gebruik wil voortzetten, geen aanleiding is geweest om tot handhaving over te gaan, omdat dit gebruik door de raad niet als een probleem wordt gezien. Het college heeft hiermee ingestemd.

Gegeven het bestaande feitelijke gebruik ter plaatse en het achterwege blijven van enig voornemen om dat gebruik te beëindigen ligt het niet in de rede om te verwachten dat de aan het perceel toegekende bestemming zal worden verwezenlijkt. Nu voorts is gebleken dat het gebruik van het perceel als zodanig niet op overwegende bezwaren stuit had het op de weg van de raad gelegen om te bezien in hoeverre dit gebruik in het plan kon worden ingepast. Het college heeft dit niet onderkend.

2.8.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bosgebied (BO)", voor zover die bestemming is toegekend aan het perceel, kadastraal bekend gemeente Arcen en Velden, sectie C, no. 5017, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 7] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.8.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding in te gaan op hetgeen door [appellant sub 7] voor het overige is aangevoerd.

Proceskosten

2.9. Ten aanzien van [appellant sub 7] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 7] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 26 januari 2010, kenmerk DOC201000008261, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bosgebied (BO)", voor zover die bestemming is toegekend aan het perceel, kadastraal bekend gemeente Arcen en Velden, sectie C, no. 5017;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] ongegrond;

IV. wijst het verzoek van [appellant sub 5] om schadevergoeding af;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan [appellant sub 7] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

45-605.