Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9579

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
200906021/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Spuikolk" en het exploitatieplan "Spuikolk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/101 met annotatie van H.J. Breeman en R.J.G. Bäcker
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4950
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906021/1/R1.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Dirksland, handelend onder de naam Heftruck Centrale,

2. de vereniging Ondernemersvereniging De Spuikolk, gevestigd te Dirksland,

3. [appellant sub 3], wonend te Dirksland,

4. [appellanten sub 4], beiden wonend te Dirksland, (hierna in enkelvoud: [appellant sub 4]),

en

de raad van de gemeente Dirksland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Spuikolk" en het exploitatieplan "Spuikolk" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Heftruck Centrale bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2009, de Ondernemingsvereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2009, en [appellant sub 3] en [appellant sub 4] bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 4] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 17 september 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De Heftruck Centrale en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De raad, de Heftruck Centrale en de Ondernemersvereniging hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2010, waar de Heftruck Centrale, vertegenwoordigd door mr. A. Hoogesteger, werkzaam bij Hoogesteeger Ruimtelijk Advies, en [appellant sub 1], directeur van de Heftruck Centrale, de Ondernemingsvereniging, vertegenwoordigd door A. Hoogesteger, voornoemd, [appellant sub 3], [appellant sub 4], in de persoon van [appellant sub 4 A] en bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg, drs. J.P. Zevenbergen-Herweijer, werkzaam bij stedenbouwkundig adviesbureau RBOI, M. Trouwborst, werkzaam bij de gemeente, en ing. F.H.J. Bouwmans, werkzaam bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Cauberg Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V., zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Eylaenden B.V., vertegenwoordigd door A.J. van der Sar, projectmanager, als partij gehoord.

Met toestemming van partijen heeft de raad ter zitting nadere stukken overgelegd.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. De raad betoogt dat het beroep van de Heftruck Centrale tegen het bestemmingsplan niet-ontvankelijk is, omdat de Heftruck Centrale geen zienswijze naar voren heeft gebracht tegen het ontwerpbestemmingsplan. Volgens de raad is het niet voldoende dat de Ondernemersvereniging waarvan de Heftruck Centrale lid is een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan naar voren heeft gebracht.

2.1.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, door de belanghebbende die tegen het ontwerpbestemmingsplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.1.2. De Heftruck Centrale is lid van de Ondernemersvereniging.

De Heftruck Centrale heeft niet op eigen titel een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan naar voren gebracht bij de raad. De Ondernemersvereniging heeft bij brief van 16 februari 2009, binnengekomen bij de raad op 23 februari 2009, een zienswijze naar voren gebracht tegen het ontwerpbestemmingsplan. De zienswijze van de Ondernemersvereniging is ondertekend door de Ondernemersvereniging, zodat deze enkel door de Ondernemersvereniging naar voren is gebracht. Dat bij de zienswijze een lijst met leden van de Ondernemersvereniging is overgelegd, maakt dat niet anders.

Weliswaar heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan, maar de Heftruck Centrale is slechts ontvankelijk voor zover zij door de vaststelling van het bestemmingsplan in een nadeliger positie is komen te verkeren ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Van een zodanig nadeliger positie is in dit geval geen sprake. Ter zitting heeft de Heftruck Centrale aangegeven dat haar beroep zich richt tegen de bij de vaststelling van het exploitatieplan aangebrachte fasering, voor zover deze doorwerkt in het bestemmingsplan. De Afdeling overweegt echter dat ook zonder de in het exploitatieplan aangebrachte fasering de mogelijkheid bestond dat eerst een deel van het bestemmingsplan, niet zijnde het deel waar het perceel van de Heftruck Centrale is gelegen, zou worden uitgevoerd. Het beroep van de Heftruck Centrale is derhalve niet-ontvankelijk.

Inhoudelijke aspecten

2.2. Het bestemmingsplan voorziet in de transformatie van het bedrijventerrein Spuikolk in een nieuw woongebied.

Behoefte

2.3. De Ondernemersvereniging en [appellant sub 3] betogen dat er geen behoefte bestaat aan nieuwe woningen in Dirksland. In dit verband wijzen zij erop dat de woningverkoop door het slechte economische klimaat terugloopt en dat er nog voldoende woningaanbod is. [appellant sub 3] betoogt voorts dat door het plegen van onderhoud aan de bestrating en beplanting de uitstraling van het bedrijventerrein verbetert, zodat de transformatie naar woningbouw niet nodig is.

2.3.1. De raad wijst op een in 2005 door Oranjewoud uitgevoerde haalbaarheidsstudie waarin de verschillende mogelijkheden voor herstructurering van de Spuikolk, inclusief een revitalisering van het bedrijventerrein, zijn onderzocht. Op basis hiervan heeft de raad gekozen voor de transformatie tot woonwijk.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat uit een uitgevoerd woningbehoefteonderzoek volgt dat de woningbehoefte ten opzichte van een aantal jaren geleden weliswaar is afgenomen, maar dat in de kern Dirksland, gelet op het negatieve migratiesaldo, nog altijd behoefte is aan nieuwe woningen voor verschillende bevolkingsgroepen. Voorts wijst de raad erop dat de woningproductie in Dirksland relatief gering is en dat de woningbouw in Spuikolk in twee fasen zal worden uitgevoerd, zodat ongeveer 40 woningen niet voor 2012 op de markt zullen komen.

2.3.2. Aan de gronden in het bestemmingsplangebied zijn woon-, groen- en verkeersbestemmingen toegekend.

Ingevolge artikel 6 van de planregels, voor zover thans van belang, zijn de gronden met de bestemming "Wonen" bestemd voor wonen. Uit de toelichting op het exploitatieplan en de toelichting op het bestemmingsplan volgt dat ervan wordt uitgegaan dat 117 woningen zullen worden gerealiseerd.

2.3.3. Het gemeentebestuur van Dirksland heeft samen met de overige gemeenten in de regio een regionale woonvisie opgesteld. Deze regionale woonvisie maakt deel uit van de thans in procedure zijnde regionale structuurvisie. Hierin is afgesproken dat in Dirksland 219 woningen gerealiseerd kunnen worden. De 117 voorziene woningen in Spuikolk zijn in het ontwerp van de regionale structuurvisie opgenomen.

Het gemeentebestuur heeft voorts in 2008 een woningbehoefteonderzoek uitgevoerd onder de bevolking van Dirksland. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Woningbehoefteonderzoek" van de gemeente Dirksland van november 2008. Hierin staat dat met name in de kern Dirksland behoefte is aan nieuwe woningen. Geconcludeerd wordt dat in belangrijke mate kan worden voorzien in deze woningbehoefte door het realiseren van de thans nog in voorbereiding en uitvoering zijnde projecten, waaronder in ieder geval het project Spuikolk.

Gelet op de regionale woonvisie en het woningbehoefteonderzoek heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in Dirksland behoefte is aan nieuwe woningen en dat het aantal voorziene woningen in het bestemmingsplan deze behoefte niet overstijgt. De enkele verwijzing door de Ondernemersvereniging en [appellant sub 3] naar het huidige slechte economische klimaat is onvoldoende om te oordelen dat daarom binnen de planperiode geen behoefte meer zal bestaan aan de nieuwe woningen. Voorts heeft de raad op basis van een door Oranjewoud uitgevoerde haalbaarheidsstudie besloten om de Spuikolk te transformeren in een woonwijk. Dat door het plegen van onderhoud de uitstraling van het bedrijventerrein zou kunnen verbeteren, betekent niet dat daarom van een transformatie had behoeven te worden afgezien.

De betogen falen derhalve.

Het beroep van [appellant sub 3] voor het overige

2.4. [appellant sub 3] betoogt voorts dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen, terwijl in de huidige situatie reeds sprake is van parkeeroverlast. Het bedrijventerrein Spuikolk is thans de enige locatie waar hij zijn auto kan parkeren. Hij wijst in dit verband op de voorziene vestiging van een supermarkt. Hij vreest voor onveilige situaties, omdat op vluchtwegen zal worden geparkeerd.

2.4.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen voor de in het plan voorziene woningen. Voorts zal door middel van een verkeerscirculatieplan de parkeerproblematiek elders in het dorp worden verbeterd.

2.4.2. Uit de planregels volgt dat binnen de bestemmingen "Verkeer", Verkeer-Verblijfsgebied" en "Wonen" parkeerplaatsen zijn toegelaten.

In de plantoelichting staat dat de parkeerbehoefte voor de voorziene woningen in het plan is gebaseerd op 1,85 parkeerplaatsen per dure woning, 1,7 parkeerplaatsen per middeldure woning en 1,4 parkeerplaatsen per goedkope woning, waarbij rekening is gehouden met de omstandigheid dat niet alle parkeerplaatsen op eigen terrein worden benut.

2.4.3. In het deskundigenbericht staat dat de in de plantoelichting weergegeven parkeernormen zijn gebaseerd op de gemiddelde kencijfers van het kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte CROW. In het deskundigenbericht staat dat, uit de in de toelichting op het exploitatieplan en de toelichting op het bestemmingsplan weergegeven voorziene woningbouw, een parkeerbehoefte van 180 parkeerplaatsen kan worden afgeleid. Voorts staat in het deskundigenbericht dat in het verkavelingsplan 208 parkeerplaatsen zijn voorzien. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de regels van het bestemmingsplan aan het realiseren van deze hoeveelheid parkeerplaatsen niet in de weg staan, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het binnen het bestemmingsplangebied mogelijk is om in voldoende parkeerplaatsen te voorzien. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan slechts behoeft te voorzien in de parkeerbehoefte die het bestemmingsplan genereert. Nu bij de vaststelling van het bestemmingsplan de mogelijkheid van de vestiging van een supermarkt is geschrapt, is hiermee terecht geen rekening gehouden. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot onveilige situaties, omdat geparkeerd zal worden op vluchtroutes. Het betoog van [appellant sub 3] faalt derhalve.

2.5. [appellant sub 3] betoogt voorts dat zijn berging ten onrechte niet als zodanig is bestemd en dat de raad ten onrechte niet heeft voorzien in vervangende bergruimte.

2.5.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van de bebouwing als berging in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan en dat het gemeentebestuur niet voornemens is om vervangende bergruimte beschikbaar te stellen. Wel zal [appellant sub 3] schadeloos worden gesteld door middel van aankoop of onteigening.

2.5.2. [appellant sub 3] woont op het perceel [locatie 1], ten noordwesten van het plangebied. Hij is eigenaar van de binnen het bestemmingsplangebied gelegen opstal op het perceel [locatie 2] die hij als berging voor privéspullen gebruikt.

In het bestemmingsplan is aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Wonen" toegekend. Niet in geschil is dat het gebruik van de opstal als berging bij een woning mogelijk is binnen deze bestemming, maar dat de bebouwing van de berging niet in overeenstemming is met de bebouwingsvoorschriften van de bestemming "Wonen". Evenmin is in geschil dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Kralingen, 3e herziening" het gebruik als berging in strijd was met de toegekende bestemming "Bedrijven", maar dat de bebouwing wel als zodanig was bestemd.

De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In onderhavig geval heeft de raad gelet op de ruimtelijke verbetering van het gebied en het voorzien in de woningbehoefte zoals hiervoor weergegeven, hieraan een groter gewicht kunnen toekennen dan aan de belangen van [appellant sub 3] bij het behouden van de berging. Voorts bestaat concreet zicht op beëindiging van de bestaande situatie, nu de raad heeft toegezegd de berging van [appellant sub 3] te verwerven dan wel over te gaan tot onteigening.

Belemmering in de bedrijfsvoering

2.6. [appellant sub 4] betoogt dat ten onrechte zijn twee bedrijven niet als zodanig zijn bestemd omdat geen sprake is van concreet zicht op verplaatsing. In dit verband voert hij aan dat voor de vervangende gronden op het bedrijventerrein de Watertoren nog geen bestemmingsplan is vastgesteld, dat op dit bedrijventerrein geen buitenopslag mag plaatsvinden en dat de oppervlakte van de gronden te klein is voor een rendabele bedrijfsvoering.

Voorts betoogt [appellant sub 4] dat de voorziene woningbouw te dicht is gesitueerd op het garagebedrijf Matsinger om een goede bedrijfsvoering te garanderen.

2.6.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat op het bedrijventerrein de Watertoren gronden zijn aangekocht, waardoor concreet zicht bestaat op vervangende vestigingsmogelijkheden voor de te verplaatsen bedrijven op Spuikolk. De raad acht het belang van de transformatie van het bedrijventerrein groter dan het belang van de bestaande bedrijven om ter plaatse te blijven voortbestaan. Met betrekking tot het garagebedrijf Matsinger heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om aan de voorziene woningen strengere eisen te stellen dan aan de reeds bestaande en dichter bij het bedrijf gelegen woningen.

2.6.2. Aan de gronden ter plaatse van de bedrijven van [appellant sub 4] is, voor zover thans van belang, de bestemming "Wonen" met daaraan dienstige bestemmingen toegekend. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Kralingen, 3e herziening" hadden deze gronden de bestemming "Bedrijven". Niet in geschil is dat deze bedrijven niet als zodanig zijn bestemd en dat het gebruik en de bebouwing onder het overgangsrecht zijn gebracht.

Het garagebedrijf Matsinger is gevestigd op het perceel Zuid Spuidijk 31b, ten noorden van het bestemmingsplangebied en is in het voor dat perceel vigerende bestemmingsplan "Kralingen, 3e herziening" als zodanig bestemd.

2.6.3. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 4] omtrent de vervangende gronden overweegt de Afdeling dat de Wro de raad niet de verplichting oplegt om reeds in het kader van de bestemmingsplanprocedure over de mogelijkheden van een vervangende locatie voor de bedrijven van [appellant sub 4] volledige duidelijkheid te verschaffen. De zorgvuldigheid die dient te worden betracht bij het voorbereiden van besluiten, legt deze verplichting evenmin op. Wel dienen zijn belangen in de afweging te zijn betrokken. Nu het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein de Watertoren nog in procedure is, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 4] naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de bedrijven van [appellant sub 4] niet op de Watertoren kunnen worden ingepast. Voorts zal, zoals de raad in het verweerschrift heeft aangegeven, in het kader van een onteigeningsprocedure wat betreft de hoogte van de financiële vergoeding rekening worden gehouden met de omstandigheid of een alternatieve locatie voorhanden is. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van [appellant sub 4].

Ook het betoog met betrekking tot het garagebedrijf Matsinger faalt. In dit verband overweegt de Afdeling dat de kortste afstand tussen het garagebedrijf tot de in het plan voorziene woningen in de tweede fase ongeveer 15 meter bedraagt en dat daartussen een weg is gelegen en dat in het op dit punt onbestreden deskundigenbericht staat dat het bedrijf kleinschalig is van aard en omvang. Voorts heeft de raad van belang mogen achten dat op kortere afstand reeds woningen staan.

2.7. De Ondernemersvereniging en [appellant sub 4] voeren aan dat de woningbouw in de eerste fase zal leiden tot een belemmering in hun bedrijfsvoering en dat ter plaatse van deze woningen geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. In dit verband betogen zij onder meer dat de woningen in de eerste fase te dicht op hun bedrijven zijn voorzien, zodat de bedrijven voorzieningen zullen moeten aanbrengen om de geluidoverlast te beperken. Voorts vrezen zij dat dit geen tijdelijke situatie betreft.

2.7.1. De raad heeft zich blijkens de plantoelichting op het standpunt gesteld dat de bestaande bedrijven, die op korte afstand liggen van de beoogde woningen met uitzondering van één bedrijf, overwegend relatief lichte bedrijfsactiviteiten uitoefenen. Gelet op het gemengde karakter van het gebied Spuikolk en omgeving, de afstand van ten minste 15 meter ten opzichte van de geprojecteerde woningen en de tijdelijkheid van de situatie is na afweging van de verschillende aspecten afwijking van de gehanteerde richtafstanden aanvaardbaar geacht. Daarbij is ervan uitgegaan dat de geprojecteerde woningen geen aanleiding geven tot verdergaande beperkingen in de bedrijfsvoering dan vanwege de geringe afstand van de reeds bestaande woningen tot de bedrijven in de huidige situatie al het geval is.

2.7.2. Aan de gronden in het bestemmingsplangebied is, voor zover thans van belang, de bestemming "Wonen" met daaraan dienstige bestemmingen toegekend. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Kralingen, 3e herziening" hadden deze gronden de bestemming "Bedrijven". Niet in geschil is dat de bedrijven in het bestemmingsplangebied niet als zodanig zijn bestemd en dat het gebruik en de bebouwing onder het overgangsrecht zijn gebracht.

In het exploitatieplan staat dat de transformatie van de Spuikolk in twee fasen zal worden ontwikkeld.

Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Dirksland in de directe omgeving van bedrijven en winkels en bevindt zich vlak langs doorgaande wegen. In verband met de bestaande hoge geluidsbelasting heeft het college van burgemeester en wethouders van Dirksland bij besluit van 7 april 2009 voor 57 woningen in fase I van het plangebied een hogere grenswaarde van 53 dB vastgesteld.

2.7.3. Een aantal bedrijven dat lid is van de Ondernemersvereniging en de autosloperij van [appellant sub 4] zijn gevestigd op de gronden die in het exploitatieplan zijn aangewezen om in de tweede fase van de uitvoering van het bestemmingsplan ontwikkeld te worden. De woningen die in de eerste fase zijn voorzien, zullen op korte afstand van deze bedrijven worden gerealiseerd. In dit kader heeft Cauberg Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. in opdracht van de raad akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting ten gevolge van die bedrijven op de voorziene woningen in de eerste fase. Dit heeft geresulteerd in het rapport 'Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Spuikolk gemeente Dirksland', referentie 20101026-02, van 10 augustus 2010, aangevuld met het rapport 'Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Spuikolk gemeente Dirksland, onderzoek naar geluidreducerende maatregelen', referentie 20101026-04 van 26 november 2010. Uit het akoestisch onderzoek van 10 augustus 2010 is naar voren gekomen dat door Autosloperij [appellant sub 4] bij de nieuwe woningen geen overschrijdingen worden veroorzaakt van de te hanteren grenswaarden. De bij brief van 25 november 2010 overgelegde quickscan 'Beoordeling (quickscan) van de rapportage Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Spuikolk gemeente Dirksland', opgesteld door de Adromi Groep, bevat onvoldoende gegevens om tot een andere conclusie te komen. Het beroep van [appellant sub 4] slaagt in zoverre niet. Voorts is er geen aanleiding [appellant sub 4] te volgen in zijn betoog dat het feit dat een ontbindingsclausule in de civielrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente en De Eylaenden B.V. is opgenomen tot het oordeel moet leiden dat de tweede fase van de woningbouw niet zal worden uitgevoerd.

Uit het akoestisch onderzoek van 10 augustus 2010 is voor Hoekman Systeemplafonds naar voren gekomen dat zowel bij bestaande woningen als bij nieuwbouwwoningen overschrijdingen door dit bedrijf worden veroorzaakt van de te hanteren grenswaarden. Uit het onderzoek van 26 november 2010 is gebleken dat ook rekening houdend met de maatregelen die moeten worden getroffen voor de bestaande woningen op enkele nieuwbouwwoningen in de dagperiode nog een overschrijding wordt veroorzaakt ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau met ten hoogste 3 dB door het lossen van een vrachtwagen met een kooiaap. Volgens dit rapport dient nog nader te worden onderzocht of de lostijd of de geluidproductie van de kooiaap kan worden beperkt. Uit het akoestisch onderzoek van 10 augustus 2010 is ten slotte gebleken dat door de Heftruckcentrale zowel bij bestaande woningen als bij nieuwbouwwoningen overschrijdingen worden veroorzaakt van de te hanteren grenswaarden. Uit het onderzoek van 26 november 2010 is gebleken dat ook rekening houdend met de maatregelen die moeten worden getroffen voor de bestaande woningen op meerdere nieuwbouwwoningen in de dag-, avond- en nachtperiode nog een overschrijding wordt veroorzaakt ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van ten hoogste respectievelijk 4 dB, 8 dB en 4 dB. In dit onderzoeksrapport is, naast de te treffen maatregelen om te kunnen voldoen aan de grenswaarden bij de bestaande woningen, aangegeven dat aanvullende maatregelen zullen moeten worden getroffen om te kunnen voldoen aan de grenswaarden bij nieuwe woningen tot een bedrag van ongeveer € 46.000,--.

2.7.4. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is niet uitgesloten dat de woningen in de eerste fase reeds zullen zijn gerealiseerd, terwijl de bedrijfsvoering van Hoekman Systeemplafonds en de Heftruckcentrale ter plaatse nog niet is beëindigd.

Uit de eerst na de planvaststelling uitgebrachte akoestische rapporten, zoals hiervoor onder 2.7.3. weergegeven, kan worden afgeleid dat het aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende uitgangspunt dat deze bedrijven niet in hun bedrijfsvoering verdergaand worden belemmerd dan reeds in de huidige situatie in verband met de bestaande woningen het geval is, niet juist is. Immers, ook uitgaande van de situatie dat beide bedrijven overeenkomstig de voor hen geldende geluidsnormen in bedrijf zijn, zullen nog aanvullende maatregelen moeten worden getroffen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een aantal van de nieuw op te richten woningen te kunnen realiseren. Hieruit volgt dat op grond van de in opdracht van de raad opgemaakte nadere rapporten moet worden geconcludeerd dat zonder het treffen van aanvullende maatregelen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een aantal van de nieuwe woningen kan worden gerealiseerd vanwege de geluiduitstraling van zowel Hoekman Systeemplafonds als de Heftruckcentrale. Nu de raad dit bij de planvaststelling niet heeft onderkend en het plan voor de gronden waarop de nieuwe woningen in de eerste fase zijn voorzien geen bouwvoorschrift bevat, waarin is opgenomen dat de geluidbelasting op de gevels van deze woningen vanwege de geluidsuitstraling van de in het plangebied gevestigde bedrijven de wettelijke dan wel vastgestelde hogere grenswaarde niet mag overschrijden, is het bestemmingsplan in zoverre vastgesteld in strijd met de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheid.

Conclusie

2.8. In hetgeen de Ondernemersvereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij de plandelen met de bestemming "Wonen" zijn vastgesteld, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van de Ondernemersvereniging is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

De overige beroepsgronden van de Ondernemersvereniging behoeven geen bespreking meer.

Gelet op de samenhang tussen de plandelen met de bestemming "Wonen" en de overige plandelen, ziet de Afdeling aanleiding om het gehele bestemmingsplan te vernietigen.

2.8.1. In hetgeen [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] zijn ongegrond.

2.8.2. Tussen een bestemmingsplan en een gelijktijdig vastgesteld exploitatieplan bestaat een samenhang die onder meer is af te leiden uit de artikelen 6.12 en 8.3, derde lid, van de Wro en uit de functie van het exploitatieplan voor de verwezenlijking van het bestemmingsplan. Gelet op deze samenhang tussen beide plannen dient in dit geval ook het bestreden besluit, wat betreft de vaststelling van het exploitatieplan, te worden vernietigd.

Proceskosten

2.9. Ten aanzien van de Ondernemersvereniging dient de raad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 4], de Heftruck Centrale en [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1], handelend onder de naam Heftruck Centrale, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de vereniging Ondernemersvereniging De Spuikolk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dirksland tot vaststelling van het bestemmingsplan "Spuikolk" en het exploitatieplan "Spuikolk";

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Dirksland tot vergoeding van bij de vereniging Ondernemersvereniging De Spuikolk in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 737,85 (zegge: zevenhonderdzevenendertig euro en vijfentachtig cent), waarvan € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Dirksland aan de vereniging Ondernemersvereniging De Spuikolk het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

533.