Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9578

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201102077/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 31 januari 2011 heeft het college aan [verzoeker] lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer op respectievelijk de percelen [locatie A], [locatie B] en [locatie C] te Wijdewormer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102077/1/M1.

Datum uitspraak: 25 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker], wonend te [woonplaats], om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Wormerland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 31 januari 2011 heeft het college aan [verzoeker] lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer op respectievelijk de percelen [locatie A], [locatie B] en [locatie C] te Wijdewormer.

Tegen deze besluiten heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2011, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 maart 2011, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. L.M. van den Ende, advocaat te Purmerend, en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. E. Houwertjes, werkzaam bij de milieudienst Waterland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 4 oktober 2010 had het college aan [verzoeker] lasten onder dwangsom opgelegd voor het bedrijfsmatig verrichten van handelingen met betrekking tot afvalstoffen, te weten bermmaaisel. Het besluit had betrekking op de percelen [locatie A], [locatie B] en [locatie C] te Wijdewormer. De voorzitter heeft bij uitspraak van 29 december 2010, in zaak nr. 201010854/1/M1, bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 4 oktober 2010 geschorst voor zover het betreft de last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 10.37 in samenhang met 10.38 van de Wet milieubeheer. Voor het overige heeft de voorzitter het verzoek afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft het college per perceel afzonderlijk een voor ieder perceel gelijkluidende last onder dwangsom opgelegd om het voortduren van de overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer te beëindigen. Indien [verzoeker] de overtreding niet binnen twee weken na dagtekening van het besluit heeft beëindigd, wordt per perceel een dwangsom verbeurd van € 650,00 per week dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 3.250,00.

2.2. [verzoeker] betoogt dat het maximumbedrag aan dwangsommen op grond van het besluit van 4 oktober 2010 is verbeurd. Derhalve kan volgens [verzoeker] geen nieuwe last onder dwangsom worden opgelegd voor dezelfde overtreding.

2.2.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2003, in zaak nr. 200203684/1, overweegt de voorzitter dat indien op grond van een last onder dwangsom het maximumbedrag aan dwangsommen is verbeurd en de overtreding niet is beëindigd, het college een nieuwe last onder dwangsom kan opleggen. Derhalve ziet de voorzitter geen aanleiding om reeds vanwege de enkele omstandigheid dat opnieuw een last onder dwangsom is opgelegd een voorlopige voorziening te treffen.

2.3. [verzoeker] betoogt dat het college ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd omdat artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer niet werd overtreden, nu de door het college aangetroffen onverpakte balen geen bermmaaisel bevatten. Volgens [verzoeker] bevatten de door het college bij de bedrijfsbezoeken aangetroffen onverpakte balen alleen gras en hooi afkomstig van zijn eigen land. De enkele partij bermmaaisel, die in juli 2010 op het land van [verzoeker] lag, is opgevoerd aan het vee.

2.3.1. Het college stelt dat bij bedrijfsbezoeken van 3 januari 2011 en 24 januari 2011 is geconstateerd dat de overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer niet was beëindigd. Op de percelen aan de [locatie A], [locatie B] en de [locatie C] zijn, aldus het college, nog steeds onverpakte balen aangetroffen. Het college betwist niet dat het mogelijk is dat de bij de bedrijfsbezoeken van 3 januari 2011 en 24 januari 2011 aangetroffen onverpakte balen gras en hooi bevatten afkomstig van het land van [verzoeker], maar, gegeven de uitspraak van de voorzitter van 29 december 2010 en de omstandigheid dat het niet eenvoudig is bermmaaisel visueel te onderscheiden van gras en hooi van eigen land, gaat het college ervan uit dat de overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer voortduurt, zolang niet alle onverpakte balen zijn afgegeven aan een erkend inzamelaar en [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat uitsluitend gras en hooi van eigen land aanwezig is.

2.3.2. In beginsel is het aan het bestuursorgaan om aan de hand van feitelijke bevindingen aannemelijk te maken dat er een overtreding is. De voorzitter stelt vast dat de rapporten van de bedrijfsbezoeken van 3 januari 2011 en 24 januari 2011 geen feitelijke bevindingen bevatten waaruit de aard blijkt van het maaisel in de balen die in januari 2011 op de percelen aan de [locatie A], [locatie B] en de [locatie C] zijn aangetroffen. Voor de stelling van het college dat in januari 2011 op elk perceel afzonderlijk bermmaaisel aanwezig was, valt evenmin steun te vinden in de uitspraak van de voorzitter van 29 december 2010, in zaak nr. 201010854/1/M1, waarop het college zich beroept. Het oordeel in die uitspraak dat de in juli 2010, op de weilanden van [verzoeker], aangetroffen balen in elk geval voor een aanzienlijk deel bestonden uit bermmaaisel afkomstig van buiten de inrichting, is op zich zelf niet toereikend om de stelling van het college te staven; die vaststelling van de voorzitter sluit immers niet uit dat het bij de in januari 2011 aangetroffen balen op een of meer van de betrokken percelen nog slechts ging om hooi en gras van eigen land. Onder deze omstandigheden bestaat evenmin reden voor een omkering van de bewijslast door, zoals het college in feite heeft gedaan, aan [verzoeker] de eis te stellen aannemelijk te maken dat de in januari 2011 aangetroffen balen uitsluitend hooi en gras van eigen land bevatten. Gelet op het voorgaande is de voorzitter vooralsnog van oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat op elk van de betrokken percelen in januari 2011 bermmaaisel aanwezig was. Het college heeft dan ook niet deugdelijk gemotiveerd dat de overtreding van artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer in januari 2011 op elk van de betrokken percelen voortduurde.

2.4. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Wormerland van 31 januari 2011, kenmerk kbr/eho/csp/2011-7175, kbr/eho/csp/2011-7176 en kbr/eho/csp/2011-7177, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wormerland tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Wormerland aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2011

271-688.