Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9572

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201007451/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 januari 2006 heeft de raad een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007451/1/H2.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Tubbergen, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) van 30 juni 2010 in zaak nr. 09/409 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Tubbergen (hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2006 heeft de raad een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 9 maart 2009 heeft hij het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 september 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nog nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door G.J. Boers, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.P. Stekelenburg, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die gold ten tijde van belang en voor zover thans van belang, kent de raad, voor zover een belanghebbende ten gevolge van het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.1.1. Bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van planschade dient te worden onderzocht of de verzoeker door een wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat die schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om van voormeld uitgangspunt af te wijken.

2.2. [appellant] is eigenaar van het perceel met woning aan de [locatie] in Tubbergen. Hij heeft verzocht om vergoeding van de schade ten gevolge van de bij besluit van 24 mei 2004 krachtens artikel 19 van de WRO verleende vrijstelling van het bestemmingsplan "Dorp-Tubbergen, partiële herziening Kemperink/Borggreve" (hierna: het bestemmingsplan), met gebruikmaking waarvan bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een appartementencomplex op de hoek Molenstraat/Grotestraat in Tubbergen. Dit complex bestaat uit twee appartementen op de begane grond, twee appartementen op de eerste verdieping en een penthouse op de tweede. De gevel aan de zijde van de woning van [appellant] heeft een breedte van ongeveer 9 meter en ligt op ongeveer 25 meter van de voorgevel van die woning. De eerste twee bouwlagen zijn in totaal 6 meter hoog en het complex is ter plaatse van het penthouse ongeveer 9,30 meter hoog. [appellant] stelt dat zijn uitzicht en privacy door het op te richten complex vergaand worden aangetast en een forse toename van de verkeersdrukte in de straat zal ontstaan.

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan rust op de gronden direct tegenover en ten oosten van de woning van [appellant] de bestemming "Verkeersgebied" (Grotestraat), hebben de daarachter gelegen gronden de bestemming "Meergezinshuizen" (voormalig hotel Kemperink) en rust op de gronden ten noorden daarvan de bestemming "Groenvoorzieningen". De gronden ten oosten van de bestemming "Meergezinshuizen" hebben de bestemmingen "Woonhuizen" en "Tuinen".

Op de gronden waarop het appartementencomplex is voorzien rusten de bestemmingen "Meergezinshuizen", "Woonhuizen", "Tuinen" en "Groenvoorzieningen".

2.4. De raad heeft het besluit van 9 januari 2006 op een deskundigenadvies van oktober 2005 genomen.

De rechtbank heeft eerder bij uitspraak van 6 april 2007 in zaak nr. 06/890 een besluit van 6 juni 2006 op het daartegen door [appellant] gemaakt bezwaar vernietigd. Daartoe heeft zij overwogen dat in het daaraan ten grondslag liggende advies bij de planologische vergelijking ten onrechte het planologische regime is betrokken, zoals dat vóór het bestemmingsplan gold.

De Afdeling heeft die uitspraak bij uitspraak van 23 januari 2008 in zaak nr. 200703290/1 bevestigd.

De raad heeft vervolgens een andere deskundige om advies gevraagd. Die deskundige heeft in een advies van 2 juni 2008 op basis van vergelijking van de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan, onderscheidenlijk het vrijstellingsbesluit, inhouden geconcludeerd dat voor [appellant] per saldo ten gevolge van de verleende vrijstelling geen planologische verslechtering optreedt.

[appellant] heeft een bericht van een deskundige van 25 juni 2008 aan de raad overgelegd, waarin is geconcludeerd dat de planologische wijziging tot verlies van privacy en uitzicht leidt, alsmede tot verkeersoverlast en [appellant] ten gevolge daarvan in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren, hetgeen leidt tot € 18.500,00 aan planschade.

De door de raad ingeschakelde deskundige heeft hierop gereageerd in een aanvullend advies van 8 augustus 2008 en geen aanleiding gezien de eerder getrokken conclusie te herzien.

De raad heeft het besluit van 9 maart 2009 mede op grond van het ingewonnen advies genomen.

2.5. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat hij in zijn procesbelang is geschaad, doordat hij het aanvullend advies van 8 augustus 2008 niet heeft ontvangen, faalt. Dit advies is, tezamen met de overige stukken, voorafgaand aan de hoorzitting, tenminste een week ter inzage gelegd. Volgens het daarvan gemaakte en in zoverre niet gemotiveerd bestreden verslag is bij die gelegenheid van de zijde van [appellant] medegedeeld dat het is ontvangen met de toezending van de stukken voor de hoorzitting. Voorts heeft [appellant] volgens dat verslag bij die gelegenheid een reactie gegeven op het advies. Dat het bewijs van de toezending ontbreekt, zoals [appellant] stelt, leidt onder deze omstandigheden niet tot het oordeel dat de rechtbank het bij haar bestreden besluit ten onrechte niet heeft vernietigd.

2.6. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat er in het advies van 2 juni 2008 ten onrechte van is uitgegaan dat op de bestemming "Meergezinshuizen" de bouw van de bijgebouwen is toegestaan, omdat die bijgebouwen reeds zijn gerealiseerd, faalt ook. In dat advies is geconcludeerd dat de door het vrijstellingsbesluit mogelijk gemaakte oprichting van het appartementencomplex tot een vergelijkbare aantasting van de privacy leidt, als de bijgebouwen die het bestemmingsplan op de bestemming toestaat doen en dat de privacy ook vanaf de voor de woning van [appellant] gelegen openbare weg kon en kan worden aangetast. Bij die vergelijking is niet de feitelijke situatie van belang, maar de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan en het vrijstellingsbesluit. Dat vergunning is verleend voor het oprichten van bijgebouwen op die bestemming, is derhalve voor de uit te voeren planologische vergelijking niet van belang. De daarop betrekking hebbende stukken zijn dat evenmin. Gelet op de mogelijkheden die het bestemmingsplan toestaat, is in het advies van 2 juni 2008 niet van onjuiste mogelijke bouwlocaties van die bijgebouwen uitgegaan.

2.7. [appellant] wordt evenmin gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank ten onrechte het aanvullend advies van 8 augustus 2008, waarin is geconcludeerd dat in het deskundigenbericht van 25 juni 2008 een onjuiste planvergelijking is gemaakt, onderschrijft. De deskundige heeft bij die vergelijking bij het aspect privacy betrokken dat het appartementcomplex ongeveer 18 meter dichter bij de woning van [appellant] is komen te liggen, dan de op een afstand van 40 meter gelegen gronden met de bestemming "Woonhuizen". De adviseur van de raad is in de planvergelijking, zoals hiervoor onder 2.6 is overwogen, ten aanzien van de privacy uitgegaan van de dichtst bij de woning van [appellant] aanwezige bebouwingsmogelijkheden binnen de bestemming "Meergezinshuizen".

2.8. [appellant] betoogt evenzeer tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de adviseur de situatie ter plaatse heeft opgenomen. Nu die adviseur heeft gesteld dat hij de situatie ter plaatse heeft opgenomen en er geen reden is om dat niet aan te nemen, heeft de rechtbank dat terecht gedaan. Voorts heeft de rechtbank in de verklaring van een raadslid over de in- en doorkijk in de woning van [appellant] vanuit het appartementencomplex terecht geen aanleiding gezien voor de conclusie dat het advies van 2 juni 2008 ten aanzien van het aspect privacy niet mocht worden gevolgd. Daarbij is van belang dat de adviseur in de reactie op het betoog van [appellant] van 19 juni 2009 heeft toegelicht dat, als door de woning heengekeken zou kunnen worden, dit ook mogelijk was onder het oude planologische regime, omdat vanuit de onder dat regime toegestane bijgebouwen van twee bouwlagen vanaf een kortere afstand de privacy op vergelijkbare wijze zou kunnen worden aangetast. Die toelichting heeft [appellant] niet gemotiveerd weersproken.

2.9. De voorgedragen beroepsgronden falen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

85-609.