Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9571

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201004997/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast om te stoppen met grondactiviteiten (opslaan van gronden) op het perceel naast [locatie] te Houten en de gronden vóór 6 september 2007 verwijderd te hebben en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4760
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004997/1/H1.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 april 2010 in zaak

nr. 09/610 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Houten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast om te stoppen met grondactiviteiten (opslaan van gronden) op het perceel naast [locatie] te Houten en de gronden vóór 6 september 2007 verwijderd te hebben en verwijderd te houden.

Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 januari 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 mei 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 juni 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en C.J.M. Vernooij, bijgestaan door mr. C.A. Jonkers, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.R.E. Maris, drs. M. Pot en A.M. Moons, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] heeft ten tijde van belang op het perceel grond (klei), afkomstig van een bouwperceel uit de omgeving, opgeslagen op een oppervlakte van ongeveer 150 bij 10 meter met een hoogte van enkele meters hoog.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Laagraven" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan Laagraven, zijn de op de plankaart voor "Agrarisch gebied" aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven, alsmede voor recreatief medegebruik in de vorm van fiets-, wandel-, ruiterpaden en picknickplaatsen en voor water, met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde en andere werken.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, is het verboden de in dit plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken, in gebruik te nemen of te laten gebruiken voor een doel of op een wijze, die strijdig is met het in dit plan bepaalde, nadat de bij het plan aangegeven bestemming is verwezenlijkt.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover van belang, wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in lid 1 in ieder geval verstaan de opslag van puin, zand, grind, één en ander met uitzondering van opslag, die als normaal bestanddeel van gebruik ingevolge de bestemming van de betrokken gronden is aan te merken.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in lid 1 in ieder geval verstaan het in gebruik nemen van onbebouwd blijvende gronden voor doeleinden van handel en bedrijf.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 13 januari 2009 in stand heeft gelaten. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat de grondslag van het besluit tot handhavend optreden onduidelijk is en tevens dat het college de grondslag van het besluit eerst ter zitting bij de rechtbank heeft gewijzigd, waartegen zij zich heeft verzet omdat zij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zich daartegen te verweren. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de opslag van grond in strijd is met artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, aldus [appellante].

2.4. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe heeft zij het betoog van het college dat de bewuste opslag in strijd is met artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, gevolgd. De Afdeling heeft zich de vraag gesteld of de rechtbank, alvorens de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand te laten, voldoende gelegenheid heeft gegeven om te reageren op het nieuwe beslispunt. Zoals ter zitting besproken, kan dit echter verder in het midden blijven, nu de grondslag voor het handhavend optreden blijft gelegen in de gestelde overtreding van artikel 14, tweede lid, van de planvoorschriften, inmiddels voldoende gelegenheid is geboden te reageren, en [appellante] heeft verklaard gebaat te zijn bij een inhoudelijk oordeel van de Afdeling over de rechtsvraag die partijen thans nog verdeeld houdt.

2.5. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften volgt dat de opslag van klei in beginsel moet worden aangemerkt als strijdig gebruik met de bestemming. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de omstandigheid dat de opslag van klei niet expliciet wordt genoemd, daar niet aan af doet, nu de opsomming niet limitatief is. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat de opslag van klei kan worden aangemerkt als opslag als normaal bestanddeel van het gebruik ingevolge de agrarische bestemming, omdat, naar niet in geschil is, het bij een agrarische bedrijfsvoering gebruikelijk is landbouwgrond door middel van blauwe klei te verbeteren om op die manier een betere oogst te realiseren, zodat dergelijke opslag valt onder de in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, genoemde uitzondering.

2.6. Voor het bevestigend antwoord op de vraag of de bewuste opslag van klei in dit geval evenwel moet worden aangemerkt als het in gebruik nemen van onbebouwd blijvende gronden voor doeleinden van handel en bedrijf als bedoeld in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit onweersproken verklaringen van de gemachtigden van het college ter zitting is gebleken dat [appellante] in augustus 2007 heeft verklaard dat zij de klei zou gebruiken als handelswaar en de klei bestemd was om te verkopen ten behoeve van dijkverzwaring. De stelling van [appellante] dat met het college weliswaar is gesproken over de opslag van klei ten behoeve van dijkverzwaring, doch dat de klei thans zal worden gebruikt ten behoeve van perceelsverbetering, heeft de rechtbank niet geloofwaardig geacht, nu [appellante] dit standpunt eerst heeft ingenomen nadat zij kennis had genomen van de bestemmingsplanvoorschriften en [appellante] in haar hoedanigheid van aannemer ook eenvoudig in dergelijke klei kan handelen. Daargelaten of bedoelde verklaringen van het college al dan niet zijn weersproken, wordt in hetgeen [appellante] hierover heeft aangevoerd, geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Dat de klei op zichzelf kan worden aangewend ter perceelsverbetering, betekent niet dat het college ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht dat ook in dit geval van zodanig gebruik sprake is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de bewuste opslag enkele meters hoog is en een oppervlakte van ongeveer 150 bij 10 meter beslaat. Dat, zoals [appellante] heeft gesteld, de klei later kan worden gebruikt om perceelsverbetering toe te passen op andere percelen, die in haar bezit zijn, wat daar van zij, betekent nog niet dat deze opslag als normaal bestanddeel van gebruik ingevolge de bestemming van de thans betrokken gronden is aan te merken. Voorts heeft het college ter zitting nog gesteld dat de grondsamenstelling van het perceel reeds bestaat uit zware klei, en dat het niet voor de hand ligt om verbetering toe te passen met behulp van gronden met dezelfde samenstelling.

2.7. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de opslag in strijd is met artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, zodat het college ter zake bevoegd was handhavend op te treden. Het betoog faalt.

2.8. In hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd, worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan het college had behoren af te zien van handhavend optreden.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

357-642.