Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9566

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201003578/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het college aan SMG een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een kalvergierbewerkingsinstallatie op het perceel Knardersteeg 5 te Putten. Dit besluit is op 4 maart 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003578/1/M1.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Mestverwerking Gelderland (hierna: SMG), gevestigd te Arnhem,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het college aan SMG een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een kalvergierbewerkingsinstallatie op het perceel Knardersteeg 5 te Putten. Dit besluit is op 4 maart 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft SMG bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. SMG heeft haar zienswijze daarop naar voren gebracht.

Bij besluit van 22 december 2010 heeft het college met toepassing van artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer voorschriften, verbonden aan de bij besluit van 23 februari 2010 aan SMG verleende vergunning, gewijzigd en voorschrift A.1 aan de vergunning verbonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2011, waar SMG, vertegenwoordigd door ir. E.C. Doekemeijer en ir. H. van Veen, en het college, vertegenwoordigd door mr. T. van Esch en ir. W. Willemsen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Overgangsrecht

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Omvang van het geding

2.2. Bij brief van 28 oktober 2010 heeft SMG haar beroep ingetrokken voor zover dit ziet op de aan het besluit van 23 februari 2010 verbonden voorschriften 1.4.1, 1.4.2, 1.5.2, 5.3.1 t/m 5.3.4, 5.9.1 en 5.10.6.

Besluit van 22 december 2010

2.3. Het besluit van 22 december 2010 is een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt het beroep van SMG geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 22 december 2010, nu dat besluit niet geheel aan haar beroep tegemoet komt.

Algemeen toetsingskader

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Voorschrift 5.9.5

2.5. SMG kan zich niet verenigen met de in voorschrift 5.9.5 van de vergunning opgenomen termijn van 15 jaar. Zij voert aan dat in de notitie 'Bescherming van de bodem op rwzi's' van september 2009 van de IPO/STOWA-werkgroep (hierna: de notitie) ten onrechte de doorgaans voor onderhoud gehanteerde termijn van 15 jaar als maximum termijn is gehanteerd voor het inspecteren van de onderlinge overgangen van bassins, tanks en leidingen. Dit heeft tot gevolg dat bassins leeg moeten worden gezet terwijl onderhoud niet noodzakelijk is, aldus SMG. Volgens haar is dit in strijd met de bedoeling van de notitie. In dit verband voert SMG aan dat nu de in de notitie gehanteerde termijn van 15 jaar ziet op de onderhoudstermijn, voor kalvergierbewerkingsinstallaties eerst moet worden vastgesteld wat de onderhoudstermijn is voordat een doelmatige inspectietermijn kan worden vastgesteld. Voorts voert SMG aan dat onduidelijk is wanneer de termijn van 15 jaar aanvangt. Volgens haar is voorschrift 5.9.5 niet naleefbaar als de onderlinge overgangen van bassins en leidingen om de 15 jaar moeten worden geïnspecteerd nu het oudste bassin dateert uit het jaar 1985.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het vanwege de specifieke kenmerken van de onderhavige installatie redelijk is om een termijn van 15 jaar voor het inspecteren van de onderlinge overgangen van bassins en leidingen te vergunnen. Daartoe voert het college aan dat deze inspectie alleen uit te voeren is als de bassins en leidingen leeg worden gezet en schoon ter inspectie worden aangeboden. Volgens het college kan dit in de praktijk betekenen dat het zuiveringsproces minimaal een aantal weken stagneert. In dit verband wijst het college op de notitie. Bovendien is een periodieke immissiemonitoring voorgeschreven, aldus het college. Het college voert voorts aan dat voorschrift 5.9.5 van de vergunning vereist dat de onderlinge overgangen van bassins en leidingen om de 15 jaar worden geïnspecteerd. Bassins die langer dan 15 jaar niet zijn geïnspecteerd, moeten zo spoedig mogelijk worden geïnspecteerd, aldus het college.

2.5.2. Ingevolge voorschrift 5.9.5 van de vergunning moeten, indien controle op de lekdichtheid uitsluitend plaatsvindt via een grondwatermonitoringssysteem, tijdens groot onderhoud, maar minimaal één keer in de 15 jaar, de dilatatievoegen en onderlinge overgangen van bassins en leidingen visueel worden geïnspecteerd. CUR/PBV-aanbeveling 44 dient daarbij als leidraad te worden gebruikt. De bevindingen moeten zijn vastgelegd in het milieulogboek.

2.5.3. Het college heeft bij het stellen van de inspectietermijn voor de onderlinge overgangen van bassins en leidingen aansluiting gezocht bij de notitie. In de notitie is vermeld dat bassins en leidingen van een rioolwaterzuiveringsinstallatie door de keuze van materialen veelal onderhoudsvrij zijn en het onderhoud daarom tot natuurlijke momenten wordt beperkt. Volgens de notitie is dit doorgaans eenmaal per 10 tot 15 jaar het geval. Voorts is in de notitie vermeld dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie bestaat uit een samenstel van veelal ondergrondse leidingen en bassins die met elkaar in verbinding staan, waardoor een keuring op grond van de CUR/PBV-aanbeveling 44 alleen uit te voeren is als de bassins en leidingen leeg worden gezet en schoon ter inspectie worden aangeboden. Uit de notitie volgt dat dit in de praktijk betekent dat het zuiveringsproces minimaal twee weken stagneert. In de notitie wordt derhalve voorgesteld een voorschrift aan de vergunning te verbinden dat indien controle op de lekdichtheid uitsluitend plaatsvindt via een grondwatermonitoringssysteem, tijdens groot onderhoud, maar minimaal één keer in de 15 jaar, de dilatatievoegen en onderlinge overgangen van bassins, tanks en leidingen visueel moeten worden geïnspecteerd.

Uit het deskundigenbericht volgt dat een kalvergierbewerkingsinstallatie als de onderhavige technisch gezien vergelijkbaar is met een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid een termijn van 15 jaar voor het inspecteren van de onderlinge overgangen van bassins en leidingen aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

Voor zover SMG aanvoert dat onduidelijk is wanneer de termijn van 15 jaar aanvangt, overweegt de Afdeling dat in voorschrift 5.9.5 van de vergunning ten onrechte niet is bepaald wanneer de termijn van 15 jaar aanvangt. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

Deze beroepsgrond slaagt in zoverre.

Voorschrift 5.10.1

2.6. SMG kan zich niet verenigen met voorschrift 5.10.1 van de vergunning voor zover hierin is bepaald dat bij vervanging/nieuwbouw van bedrijfsonderdelen het monitoringssysteem voor dat bedrijfsonderdeel moet bestaan uit horizontaal geplaatste buizen. Zij voert aan dat de buizen in een watervoerende laag moeten liggen en dat de grondwaterstand ter plaatse van de inrichting ongeveer 2 m beneden maaiveld is. Volgens SMG is dan ook in dit geval een monitoringssysteem dat bestaat uit horizontale buizen niet doelmatig. Daarnaast voert zij aan dat op grond van de Nederlandse Richtlijn Monitoring bodemkwaliteit bedrijfsmatige activiteiten, een monitoringssysteem bij voorkeur bestaat uit verticale buizen en dat horizontale buizen alleen zijn toegestaan indien verticale buizen om uitvoeringstechnische redenen niet kunnen worden toegepast. Daarvan is hier geen sprake, aldus SMG. Voorts voert zij aan dat het plaatsen van een horizontale buis bij een nieuwe tank geen meerwaarde heeft indien deze tank binnen een bestaande oppervlaktebron wordt geplaatst.

2.6.1. Het college stelt dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.10.1 is ontleend aan de notitie. Volgens het college kan SMG in haar monitoringssysteem en monitoringsprogramma gemotiveerd afwijken van voorschrift 5.10.1 van de vergunning. Daartoe wijst het college op voorschrift A.1 van de vergunning. Het college geeft te kennen dat voorschrift 5.10.1 op deze wijze kan worden toegespitst op de specifieke omstandigheden van de onderhavige inrichting.

2.6.2. Ingevolge voorschrift 5.10.1 van de vergunning dient het monitoringssysteem te bestaan uit verticaal geplaatste buizen. Bij vervanging/nieuwbouw van bedrijfsonderdelen moet het monitoringssysteem voor dat bedrijfsonderdeel bestaan uit horizontaal geplaatste buizen, die voldoen aan de eisen zoals genoemd in de IPO-STOWA notitie "Bescherming van de bodem op rwzi's".

Ingevolge voorschrift A.1 van de vergunning dient uiterlijk 6 maanden na het in werking treden van deze vergunning binnen de inrichting een toereikend monitoringssysteem te zijn gerealiseerd en te zijn begonnen met monitoren. Uiterlijk 3 maanden voor realisatie dienen het ontwerp van dit systeem en het monitoringsprogramma ter goedkeuring te zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag. In het monitoringssysteem en -programma kan, indien de locale omstandigheden daartoe aanleiding geven, gemotiveerd worden afgeweken van de voorschriften 5.10.1 tot en met 5.10.9, indien daarmee een gelijkwaardige bescherming kan worden bereikt.

2.6.3. Blijkens het bestreden besluit heeft het college aansluiting gezocht bij de notitie. In de notitie is vermeld dat een horizontaal monitoringssysteem alleen kan worden aangelegd in nieuwe situaties. Voorts is in de notitie vermeld dat vanwege de hoge kosten voor bestaande bassins en leidingen van een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt uitgegaan van een verticaal monitoringssysteem gesitueerd ter plaatse van puntbronnen. Volgens de notitie dient een voorschrift aan de vergunning te worden verbonden dat bepaalt, dat als een monitoringssysteem wordt aangelegd dit dient te bestaan uit verticaal geplaatste buizen in geval van reeds aanwezige bassins, tanks en leidingen en uit horizontaal geplaatste buizen in geval van nieuw te realiseren bedrijfsonderdelen. Zoals de Afdeling hiervoor in rechtsoverweging 2.5.3 heeft overwogen, volgt uit het deskundigenbericht dat een kalvergierbewerkingsinstallatie als de onderhavige technisch gezien vergelijkbaar is met een rioolwaterzuiveringsinstallatie. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een dergelijke maatregel van SMG kan worden gevergd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het volgens het deskundigenbericht niet bezwaarlijk is dat het monitoringssysteem enige meters onder het maaiveld ligt nu in geval van een lekkage de verontreiniging naar het grondwater zal wegzinken. Bovendien worden in de Nederlandse Richtlijn Monitoring bodemkwaliteit bedrijfsmatige activiteiten voor het om uitvoeringstechnische redenen niet kunnen toepassen van verticale buizen horizontale drains onder een opslagbassin als voorbeeld gegeven.

Overigens kan SMG, zoals het college aanvoert, op grond van het bepaalde in voorschrift A.1 van de vergunning in haar monitoringssysteem en monitoringsprogramma gemotiveerd afwijken van voorschrift 5.10.1 van de vergunning, indien de locale omstandigheden daartoe aanleiding geven en daarmee een gelijkwaardige bescherming kan worden bereikt.

Deze beroepsgrond faalt.

Voorschrift 5.10.2

2.7. SMG betoogt ten aanzien van voorschrift 5.10.2 van de vergunning dat de inrichting als één oppervlaktebron moet worden aangemerkt. Volgens haar moet derhalve monitoring langs de randen van de bron plaatsvinden. In dit verband voert SMG aan dat uit de Nederlandse Richtlijn Monitoring bodemkwaliteit bedrijfsmatige activiteiten volgt dat indien sprake is van een eenduidige grondwaterstromingsrichting, de monitoringslijn aan de stroomafwaartse zijde(n) van de bron moet worden geprojecteerd. Volgens SMG is in dit geval sprake van een eenduidige grondwaterstromingsrichting en bedraagt de stroomafwaartse zijde ongeveer 150 m, zodat gelet op de in de notitie voorgeschreven afstand van 30 m 5 buizen moeten worden geplaatst. Tevens zullen, gelet op hetgeen in de notitie is voorgeschreven, 2 buizen aan de stroomopwaartse zijde worden geplaatst, aldus SMG. Een vermeerdering van 6 naar 7 buizen is in overeenstemming met de notitie, terwijl het voorschrift volgens SMG leidt tot minimaal 24 buizen.

2.7.1. Het college stelt dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.10.2 is ontleend aan de notitie. Indien met een andere positionering van de buizen een gelijkwaardige bescherming kan worden bereikt, dan kan SMG dit voorstellen in haar monitoringssysteem en monitoringsprogramma, aldus het college. In dit verband wijst het college op voorschrift A.1 van de vergunning.

2.7.2. Ingevolge voorschrift 5.10.2 van de vergunning moet ter plaatse van bestaande bedrijfsonderdelen, zoals genoemd in voorschrift 5.9.3, om de 30 m een verticale buis worden gezet. Wanneer binnen een afstand van 60 m (gemeten van hart tot hart) meerdere bassins/tanks met een verhoogd bodemrisico zijn gesitueerd, dan moet een extra buis worden gezet. Bij grotere afstanden moet elke 30 m een buis worden geplaatst.

Ingevolge voorschrift 5.10.5 van de vergunning moet bij de plaatsing van de buizen rekening worden gehouden met de stromingsrichting van het grondwater. De verticale buizen moeten benedenstrooms bassins/leidingen worden geplaatst. Voorts moet voorzien worden in minimaal één verticale buis stroomopwaarts voor het bepalen van de referentie grondwaterkwaliteit.

2.7.3. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet in geschil dat om de 30 m een verticale buis moet worden geplaatst. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de inrichting als één oppervlaktebron moet worden aangemerkt. Gelet hierop en op hetgeen is bepaald in de voorschriften 5.10.2 en 5.10.5 van de vergunning, en in aanmerking genomen hetgeen het college ter zitting hierover heeft toegelicht, is de Afdeling van oordeel dat benedenstrooms de inrichting om de 30 m een verticale buis moet worden geplaatst en dat stroomopwaarts van de inrichting minimaal één verticale buis moet worden geplaatst. In hetgeen SMG aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat voorschrift 5.10.2 van de vergunning niet overeenstemt met de Nederlandse Richtlijn Monitoring bodemkwaliteit bedrijfsmatige activiteiten. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in redelijkheid voorschrift 5.10.2 aan de vergunning kunnen verbinden.

Overigens kan SMG in haar monitoringssysteem en monitoringsprogramma, indien de locale omstandigheden daartoe aanleiding geven, op grond van het bepaalde in voorschrift A.1 van de vergunning, gemotiveerd afwijken van de voorschriften 5.10.2 en 5.10.5 van de vergunning, indien daarmee een gelijkwaardige bescherming kan worden bereikt.

Deze beroepsgrond faalt.

Voorschrift 5.10.8

2.8. SMG kan zich niet verenigen met voorschrift 5.10.8 van de vergunning. Zij voert aan dat onzeker is of voldoende gegevens beschikbaar komen om een representatieve waarde voor de referentie grondwaterkwaliteit te kunnen afleiden. Voorts voert SMG aan dat het college de grenswaarde van 50% niet heeft onderbouwd. Volgens haar moeten eerst de natuurlijke variaties bekend zijn voordat een grenswaarde kan worden gesteld. In dit verband voert SMG aan dat de waarden van N-NH4 aanzienlijk fluctueren. De gestelde grenswaarde is dan ook niet geschikt, aldus SMG.

2.8.1. Het college stelt dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.10.8 is ontleend aan de notitie. Het college voert aan dat door middel van de resultaten van monitoring de referentie grondwaterkwaliteit kan worden bepaald. Volgens het college wordt de referentie grondwaterkwaliteit derhalve bepaald aan de hand van een reeks metingen. In de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer wordt deze systematiek eveneens toegepast, aldus het college. Voorts voert het college aan dat er geen aanleiding is om een andere grenswaarde te stellen.

2.8.2. Ingevolge voorschrift 5.10.8 van de vergunning moeten meetwaardes die meer dan 50% hoger zijn dan de referentie grondwaterkwaliteit, binnen één maand na analyse worden gerapporteerd aan het college. Wanneer de gemeten waarden meer dan 50% hoger zijn dan de referentie grondwaterkwaliteit, moet binnen twee maanden na rapportage een nieuw monster worden geanalyseerd. Als de gemeten waarden gedurende 3 opeenvolgende waarnemingen gemiddeld meer dan 50% hoger zijn en niet kan worden aangetoond dat deze verhoging niet wordt veroorzaakt door de bedrijfsmatige activiteiten binnen de rwzi, moet binnen drie maanden na rapportage van de laatste analyses in overleg met en met instemming van het college een herstelplan voor het (de) betreffende bedrijfsonderdeel (-delen) zijn opgesteld.

2.8.3. Uit het bestreden besluit volgt dat het college zich bij het stellen van voorschrift 5.10.8 van de vergunning heeft gebaseerd op de notitie. In de notitie wordt voorgesteld een voorschrift aan de vergunning te verbinden met dezelfde strekking als het onderhavige voorschrift 5.10.8 van de vergunning. Voor zover SMG aanvoert dat onzeker is of voldoende gegevens beschikbaar komen om de referentie grondwaterkwaliteit te bepalen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college voorschrift 5.10.8 niet aan de vergunning heeft kunnen verbinden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat door periodiek watermonsters te nemen en deze te analyseren op CZV en N-NH4 een beeld ontstaat van de natuurlijke achtergrondwaarden. De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat het college wat betreft de grenswaarde van 50% niet bij de notitie heeft kunnen aansluiten. Daarbij acht de Afdeling van belang dat, zoals reeds in rechtsoverweging 2.5.3 is overwogen, uit het deskundigenbericht volgt dat een kalvergierbewerkingsinstallatie als de onderhavige technisch gezien vergelijkbaar is met een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Tevens heeft SMG onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, gelet op natuurlijke fluctuaties, het college een grenswaarde van 50% in redelijkheid niet heeft kunnen stellen.

Overigens kan SMG op grond van het bepaalde in voorschrift A.1 van de vergunning in haar monitoringssysteem en monitoringsprogramma gemotiveerd afwijken van voorschrift 5.10.8 van de vergunning, indien de locale omstandigheden daartoe aanleiding geven en daarmee een gelijkwaardige bescherming kan worden bereikt.

Deze beroepsgrond faalt.

Voorschrift 8.2.3

2.9. SMG betoogt dat de in voorschrift 8.2.3 van de vergunning gestelde tijdsduur niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Volgens SMG is voldoende dat het slib regelmatig wordt gemengd om piekemissies te voorkomen. Zij voert aan dat het college zijn stelling dat piekemissies, die tot aanmerkelijke hinder kunnen leiden, ontstaan als het slib niet iedere dag minimaal 60 minuten wordt gemengd, niet heeft onderbouwd. Voorts voert SMG aan dat zij geen frequentie en duur voor het mengen van het slib heeft aangevraagd. In dit verband voert zij aan dat het in het rapport 'Geur- en ammoniakonderzoek kalvergierbewerkingsinstallatie te Putten' van 4 juli 2009 van PRA Odournet bv (hierna: het rapport) vermelde aantal uren mengen van het slib per dag, uitsluitend dient ter berekening van de geuremissie.

2.9.1. Het college betoogt dat voorschrift 8.2.3 van de vergunning nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Volgens het college ontstaat indien het slib niet regelmatig wordt gemengd, door ontmenging een afdichtingslaag op het slib. Hierdoor kan een ophoping van gassen ontstaan die op het moment dat wordt gemengd vrijkomen, aldus het college. Het college voert aan dat deze piekemissies zoveel mogelijk moeten worden beperkt ter voorkoming van geurhinder. Voorts voert het college aan dat in het kader van de handhaafbaarheid van dit voorschrift een tijdsduur is gesteld. In dit verband wijst het college op het in het rapport vermelde aantal uren mengen van het slib per dag alsmede de door SMG over het ontwerpbesluit naar voren gebrachte zienswijze met betrekking tot voorschrift 8.2.3 van de vergunning.

2.9.2. Ingevolge voorschrift 8.2.3 van de vergunning dient de slibopslag regelmatig te worden gemengd, waarbij de volledige inhoud van de bassin in beweging wordt gebracht. De menger moet iedere dag minimaal 60 minuten in werking zijn.

2.9.3. Blijkens het dictum van het bestreden besluit maakt het rapport deel uit van de verleende vergunning. In het rapport is vermeld dat gedurende 10% van de tijd, oftewel 876 uur per jaar, menging in de slibopslagtank plaatsvindt. Voorts is in het rapport vermeld dat de geuremissie gedurende het eerste half uur mengen hoger is dan daarna en dat het mengen doorgaans ongeveer 2,5 uur per dag plaatsvindt, waardoor kan worden gesteld dat 20% van de tijd de hogere emissie geldt en de overige 80% de lagere emissie geldt. Volgens het rapport is bij de beoordeling van de vanwege de inrichting te duchten geurhinder hiermee rekening gehouden. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college uit het rapport heeft mogen afleiden dat, anders dan SMG aanvoert, het gemiddeld 2,5 uur per dag mengen van de slibopslagtank is aangevraagd.

Uit het deskundigenbericht volgt dat een gemiddelde mengduur van 2,5 uur per dag neerkomt op een minimale mengtijd van 60 minuten per dag. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid in voorschrift 8.2.3 van de vergunning een minimale mengtijd van 60 minuten per dag heeft kunnen stellen.

Deze beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.10. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 23 februari 2010 dient te worden vernietigd, voor zover het betreft het in voorschrift 5.9.5 ontbreken van het moment van aanvang van de gestelde termijn van 15 jaar. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.11. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 23 februari 2010, kenmerk 2009-000147/ MPM13064, voor zover het betreft het in voorschrift 5.9.5 ontbreken van het moment van aanvang van de gestelde termijn van 15 jaar;

III. draagt het college van gedeputeerde staten van Gelderland op om binnen 8 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen ten aanzien van voorschrift 5.9.5 een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan de Stichting Mestverwerking Gelderland het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Brink w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

159-625.