Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9565

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201003172/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2009, kenmerk PDN/2009-110, heeft de minister het besluit van 24 maart 2000 (N/2000/323; Stcrt. 2000, nr. 65) tot aanwijzing van het gebied Oudeland van Strijen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van de Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L103; hierna: Vogelrichtlijn), gewijzigd.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 10a
Natuurbeschermingswet 1998 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4754
JOM 2011/571
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003172/1/R2.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2009, kenmerk PDN/2009-110, heeft de minister het besluit van 24 maart 2000 (N/2000/323; Stcrt. 2000, nr. 65) tot aanwijzing van het gebied Oudeland van Strijen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van de Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L103; hierna: Vogelrichtlijn), gewijzigd.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1]. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2010, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2010, en [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2010, beroep ingesteld. [appellante sub 1] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 17 mei 2010. [appellante sub 2] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 17 mei 2010. [appellante sub 3] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 11 mei 2010.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2011, waar [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, werkzaam bij Krijger Advies te Baarle-Nassau, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. G.W.P.A. van Schijndel en E.R. Osieck, beiden werkzaam bij het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), voor zover hier van belang, wijst de minister gebieden aan ter uitvoering van de Vogelrichtlijn

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevat een besluit als bedoeld in het eerste lid de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval:

a. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, voor zover vereist ingevolge de Vogelrichtlijn of

b. (…)

Ingevolge het vierde lid van dit artikel gaat een besluit als bedoeld in het eerste lid vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, voor zover hier van belang, kent, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit, genomen krachtens hoofdstuk III van de Nbw 1998, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, het orgaan dat dat besluit heeft genomen of geacht wordt te hebben genomen, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Het gebied Oudeland van Strijen ligt in de provincie Zuid-Holland en behoort tot het grondgebied van de gemeente Strijen. Het gebied bestaat voornamelijk uit open grasland- en akkerbouwpercelen en beslaat een oppervlakte van ongeveer 1570 hectare. Bij het bestreden besluit heeft de minister de begrenzing van het gebied op de kaart op enkele technische punten gewijzigd ten opzichte van het aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000 en het gebied tevens aangewezen voor de dwerggans (A042). Daarnaast zijn bij het bestreden besluit de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied vastgesteld. Voor de dwerggans is de doelstelling behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld dertig vogels (seizoensmaximum).

2.3. [appellante sub 3] heeft het gestelde in haar beroepschrift, dat het Natura 2000-gebied ten onrechte is aangewezen voor de dwerggans en dat de instandhoudingsdoelstelling hiervoor onvoldoende is gemotiveerd, ter zitting ingetrokken.

2.3.1. [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] betogen dat bij de vaststelling van de begrenzing van het gebied hun belangen onvoldoende zijn meegewogen. Daarnaast stellen [appellante sub 1] en de [appellante sub 2] dat de aanwijzing van het gebied voor de dwerggans onvoldoende op onderzoek is gebaseerd. Volgens hen staat niet vast dat deze vogelsoort in het gebied voorkomt. Tevens voeren [appellante sub 1] en [appellante sub 2] aan dat de instandhoudingsdoelstelling voor de dwerggans onvoldoende is gemotiveerd. [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] stellen dat het op verschillende momenten aanwijzen van de Natura 2000-gebieden "Oudeland van Strijen" en "Hollands Diep" negatieve effecten heeft voor hen in het kader van de vergunningverlening op grond van de Nbw 1998. Tenslotte stellen zij dat onvoldoende duidelijk is in hoeverre zij zullen worden gecompenseerd voor eventuele schade.

2.3.2. De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit het informatierapport "Trends van vogelaantallen in het Nederlandse Natura 2000 netwerk" van SOVON & CBS uit 2005, blijkt dat een aanzienlijk deel van de winterpopulatie van de dwerggans regelmatig pleistert in het Oudeland van Strijen. Gelet hierop en gezien de uitspraken van de Afdeling van 17 maart 2004, nr. 200305428/1, en van 29 december 2004, nr. 200408181/1, waarin is komen vast te staan dat op grond van artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn, een verplichting bestaat tot speciale bescherming van de dwerggans, stelt de minister zich op het standpunt dat het gebied tevens moet worden aangewezen voor de dwerggans.

2.3.3. De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit uitsluitend strekt tot wijziging en uitbreiding van het besluit van 24 maart 2000 tot aanwijzing van het gebied als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat thans uitsluitend de wijziging en uitbreiding van het oorspronkelijke besluit van 24 maart 2000 in geschil zijn. Het oorspronkelijke besluit is immers rechtens onaantastbaar. Voor het beroep van [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] betekent dit dat alleen hun beroepsgronden tegen de aanwijzing van het gebied voor de dwerggans, de gewijzigde delen van de begrenzing en de instandhoudingsdoelstellingen bespreking behoeven.

2.3.4. Voor zover [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] betogen dat hun economische belangen onvoldoende zijn meegewogen bij de vaststelling van de gewijzigde begrenzing van het gebied, overweegt de Afdeling dat de minister bij de keuze en de afbakening van een speciale beschermingszone geen rekening mag houden met economische belangen. De Afdeling verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (thans: Unie) in de zaak C-44/95 van 11 juli 1996 (www.curia.europe.eu).

De Afdeling ziet in hetgeen de maatschap [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de aanwijzing van het Natura 2000-gebied voor de dwerggans niet op voldoende onderzoek berust. De minister heeft, zo blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, zich gebaseerd op het informatierapport van SOVON & CBS. Dat dit informatierapport onjuist of onvolledig is, hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft het gebied dan ook terecht aangewezen voor de dwerggans. In dit verband merkt de Afdeling op dat de door [appellante sub 1] en [appellante sub 2] genoemde grauwe gans niet tot de kwalificerende soorten behoort waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen.

Het algemene betoog van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] ten aanzien van de instandhoudingsdoelstelling voor de dwerggans is niet met concrete objectieve gegevens onderbouwd. Hierbij betrekt de Afdeling dat de omstandigheid dat de instandhoudingsdoelstelling kan wijzigen ten gevolge van de natuurlijke dynamiek van het gebied en klimaatveranderingen, niet met zich brengt dat deze instandhoudingsdoelstelling reeds hierom onvoldoende is gemotiveerd. Voor zover [appellante sub 1] en [appellante sub 2] ook in dit verband aanvoeren dat hun economische belangen onvoldoende zijn meegewogen, overweegt de Afdeling dat uit de toelichting bij het bestreden besluit blijkt dat de minister in het kader van het uitgangspunt 'haalbaar en betaalbaar', rekening heeft gehouden met economische en sociale belangen van de directe omgeving. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit onvoldoende dan wel anderszins onjuist is.

Wat betreft het niet gelijktijdig aanwijzen van de Natura 2000-gebieden "Oudeland van Strijen" en "Hollandsch Diep" is van belang dat noch uit de Nbw 1998 noch uit de Vogelrichtlijn de verplichting voortvloeit Natura 2000-gebieden gelijktijdig vast te stellen.

Voor zover [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] betogen dat onvoldoende duidelijkheid bestaat omtrent de nadeelcompensatie, overweegt de Afdeling dat artikel 31, eerste lid, van de Nbw 1998, een regeling bevat voor vergoeding van schade die belanghebbenden lijden of zullen lijden als gevolg van een besluit genomen krachtens hoofdstuk III van die wet. Artikel 10a maakt deel uit van dit hoofdstuk, zodat eventuele schade als gevolg van het bestreden besluit valt onder het bereik van de in artikel 31 opgenomen schadevergoedingsregeling. Toepassing van deze regeling valt buiten het kader van de onderhavige procedure, zodat mogelijke schade als gevolg van het bestreden besluit thans niet ter beoordeling staat.

2.4. In hetgeen [apppellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

12-647.