Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9555

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201008196/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een loods en het verbouwen van een ligboxenstal op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008196/1/H1.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 augustus 2010 in zaak nr. 09/1352 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een loods en het verbouwen van een ligboxenstal op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 17 juli 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 6 april 2009 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 18 augustus 2010, verzonden op 19 augustus 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2011, waar het college, vertegenwoordigd door S.A. van der Spek, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, voor zover hier van belang, moet de bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied (Eibergen)" rust op het perceel de bestemming "agrarisch gebied".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder 1 en onder a, voor zover hier van belang, is bebouwing op het agrarisch bouwperceel uitsluitend toegestaan voor bedrijfsgebouwen met een maximale hoogte van 12 m.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder 3, voor zover hier van belang, mogen de grenzen van het bouwperceel worden overschreden door bebouwing als bedoeld onder 1, mits het denkbeeldig bouwperceel hierdoor geen groter aaneengesloten oppervlak krijgt dan 1,5 ha, de bedrijfsbebouwing aansluit op het bestaande gebouwencomplex en er geen versnippering van het buitengebied ontstaat door te streven naar clustering van bedrijfsbebouwing.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe voert hij aan dat het bouwplan de grens van het bouwperceel overschrijdt en dat het niet ten dienste staat van het agrarisch bedrijf.

2.2.1. Het bouwplan betreft het oprichten van een loods met een hoogte van ruim 7 m en het verbouwen van een ligboxenstal. In de aanvraag om bouwvergunning is vermeld dat de bouwwerken en de bijbehorende terreinen ook na uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf worden gebruikt. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen grond gezien voor de conclusie dat geen sprake is van bouwwerken ten behoeve van het agrarisch bedrijf. Vaststaat verder dat met de bouw van de loods de grens van het bouwperceel wordt overschreden en dat deze overschrijding ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften is toegestaan. Aangezien geen weigeringsgrond aanwezig is als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college gehouden was de bouwvergunning te verlenen.

Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

357-672.