Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9554

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201007973/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2009 heeft het college geweigerd [appellante] een vergunning te verlenen voor het innemen van een standplaats (hierna: standplaatsvergunning) ten behoeve van de verkoop van vis op de Markt te Winterswijk (hierna: de Markt) tijdens het volksfeest op 28 en 29 augustus 2009 (hierna: het volksfeest).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007973/1/H3.

Datum uitspraak: 30 maart 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 11 augustus 2010 in zaak nr. 09/1923 in het geding tussen:

[appellante]

en

1. het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk,

2. de burgemeester van Winterswijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2009 heeft het college geweigerd [appellante] een vergunning te verlenen voor het innemen van een standplaats (hierna: standplaatsvergunning) ten behoeve van de verkoop van vis op de Markt te Winterswijk (hierna: de Markt) tijdens het volksfeest op 28 en 29 augustus 2009 (hierna: het volksfeest).

Bij besluit van 11 augustus 2009 heeft de burgemeester aan de Vereeniging Volksfeest Winterswijk (hierna: de Vereeniging) een algemene evenementenvergunning verleend voor het organiseren van diverse activiteiten tijdens het volksfeest op onder meer de Markt (hierna: de evenementenvergunning).

Bij besluit van 7 december 2009 hebben het college en de burgemeester de door [appellante] tegen beide besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 7 september en 8 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en de burgemeester en het college, vertegenwoordigd door J.G. Krosenbrink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.2.1, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2007 (hierna: APV) wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak.

Ingevolge artikel 2.2.2, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

Ingevolge artikel 5.2.3, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan de weg met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, geldt het in het eerste lid gestelde verbod niet op de plaats die is aangewezen voor een evenement als bedoeld in artikel 2.2.1.

2.2. Bij brief van 21 januari 2009 heeft [appellante] een vergunning aangevraagd voor het innemen van een standplaats op de Markt tijdens het volksfeest. Het college heeft bij besluit van 5 augustus 2009 geweigerd [appellante] deze vergunning te verlenen, omdat aan de Vereeniging een evenementenvergunning zal worden verleend. Volgens het college houdt dit in dat de Vereeniging voor de locaties waarvoor de vergunning is verleend zelf de standplaatsen en de attracties regelt.

Op 11 augustus 2009 heeft de burgemeester de Vereeniging de evenementenvergunning verleend. Deze evenementenvergunning omvat onder meer een vergunning voor het organiseren van festiviteiten op de Markt.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college, door pas na zeven maanden, met overschrijding van de wettelijke beslistermijn, kort voor het volksfeest op haar aanvraag te beslissen, haar te lang in onzekerheid heeft gelaten. Hierdoor zijn haar belangen geschaad, aldus [appellante].

2.3.1. De Vereeniging heeft [appellante] in november 2008 medegedeeld dat in verband met de verplaatsing van de festiviteiten naar de Markt, aldaar voor haar wellicht geen ruimte zou zijn voor het innemen van een standplaats. Voorts is op 3 maart 2009 door het college en de Vereeniging een informatieavond over de verplaatsing van het volksfeest en de kermis georganiseerd, waar [appellante] naartoe had kunnen gaan. Daarnaast heeft het college [appellante] op 24 maart 2009 medegedeeld dat haar aanvraag om een standplaatsvergunning voor de Markt wellicht niet zou kunnen worden gehonoreerd. In april 2009 is haar een alternatieve standplaats aangeboden. Voorts heeft het college [appellante] bij brieven van 30 maart 2009 en 4 juni 2009 informatie verschaft over de procedure die het zal volgen bij het nemen van een besluit op haar aanvraag.

Evenmin als de rechtbank ziet de Afdeling derhalve grond voor het oordeel dat [appellante] door toedoen van het college lang in een rechtsonzekere situatie heeft verkeerd.

2.4. Voorts stelt [appellante] zich op het standpunt dat de rechtbank heeft miskend dat er geen reden was om de door haar aangevraagde standplaatsvergunning te weigeren. Zij voert aan dat de burgemeester nog een besluit moest nemen op de aanvraag van de Vereeniging toen het college haar aanvraag om een standplaatsvergunning in behandeling had. Voorts stelt zij dat haar jarenlang een vergunning voor een standplaats op de Markt tijdens het volksfeest is verleend. Het had volgens [appellante] op de weg van de burgemeester gelegen om aan de evenementenvergunning de voorwaarde te verbinden dat belangen en rechten van derden zouden worden gerespecteerd. De door het college aangeboden alternatieve locatie is commercieel niet interessant. Gelet op het voorgaande is de besluitvorming onrechtmatig en had het college haar nadeelcompensatie moeten toekennen, aldus [appellante].

2.4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid de evenementenvergunning aan de Vereeniging heeft kunnen verlenen. Daarbij heeft zij met juistheid overwogen dat de burgemeester het algemeen belang van de Winterswijkse gemeenschap bij het houden van het volksfeest, waartoe een evenementenvergunning voor een andere locatie dan voorheen moest worden verleend, zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van [appellante] bij een standplaats op de Markt tijdens het feest. Hierbij heeft de burgemeester in aanmerking mogen nemen dat reeds in 2008 duidelijk was dat de door de Vereeniging georganiseerde festiviteiten voor het volksfeest in 2009 zouden plaatsvinden op de Markt en dat [appellante] is gewezen op de mogelijkheid een standplaats aan te vragen bij de Vereeniging.

De rechtbank heeft terecht aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 1 maart 1999 in zaak nr. H01.98.1109; GST 1999, 9803). In deze uitspraak is overwogen dat er na het verlenen van een algemene evenementenvergunning geen ruimte meer is voor verlening van vergunningen krachtens enige gemeentelijke verordening binnen de naar tijd en ruimte begrensde omvang van het evenement zoals omschreven in de daarvoor verleende vergunning. Dat ten tijde van het besluit van 5 augustus 2009 het besluit om de evenementenvergunning te verlenen nog niet was genomen, maakt dit niet anders, nu op dat moment wel zeker was dat de burgemeester deze vergunning zou verlenen. Het college heeft met het nemen van het besluit van 5 augustus 2009 niet gewacht tot de burgemeester zijn besluit had genomen, teneinde [appellante] zo snel mogelijk definitieve duidelijkheid te verschaffen. Voorts maakt de omstandigheid dat [appellante] in voorgaande jaren wel een standplaatsvergunning voor de Markt is verleend, niet dat de burgemeester gehouden was om aan de evenementenvergunning een voorschrift te verbinden ertoe strekkende dat op het evenemententerrein een standplaats voor [appellante] dient te worden gereserveerd. Indien een evenementenvergunning is verleend is het aan de houder daarvan de standplaatsen tijdens het evenement te verdelen en te bepalen welke vergoeding omwille van de financiƫle haalbaarheid van het evenement daartoe gevraagd moet worden. De rechtbank heeft ten slotte met juistheid overwogen dat het college niet gehouden was de door [appellante] gestelde gederfde inkomsten te compenseren. Hierbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat [appellante] een alternatieve locatie voor een standplaats is aangeboden, maar dat zij deze niet heeft geaccepteerd. Dat deze alternatieve locatie commercieel niet aantrekkelijk is, heeft zij niet aannemelijk gemaakt.

Gelet op het voorgaande heeft het college de door [appellante] aangevraagde standplaatsvergunning terecht op grond van het vierde lid van artikel 5.2.3 van de APV geweigerd.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011.

176-591.