Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9548

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201007422/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2009 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] verleende kinderopvangtoeslag 2007 definitief vastgesteld op € 4.164,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007422/1/H2.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oostknollendam, gemeente Wormerland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 juni 2010 in zaak nr. 10/638 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2009 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] verleende kinderopvangtoeslag 2007 definitief vastgesteld op € 4.164,00.

Bij besluit van 9 september 2009 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] toegekende kinderopvangtoeslag herzien en gewijzigd vastgesteld op nihil en een bedrag van € 4.164,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 19 januari 2010 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juni 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2011, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. B.M.A. van Eck, werkzaam bij de Belastingdienst, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, heeft een ouder met een partner slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag indien de partner in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie of Zwitserland woont, en

a. in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland arbeid verricht;

b. een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, d, e, h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;

c. werkloos wordt als bedoeld in het tweede lid en een uitkering ontvangt als bedoeld in het tweede lid, onder a of b, of een daarmee vergelijkbare uitkering, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland, of

d. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder f, g, j, k of l.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) is de partner van de belanghebbende degene die hierna als eerste wordt genoemd:

a. de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner;

b. degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA) en:

[…]

3˚ uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren;

[…].

Ingevolge artikel 17, eerste lid, is de belanghebbende, indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en er een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming, gehouden die wijziging te melden aan de Belastingdienst.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, kan de Belastingdienst een toegekende tegemoetkoming herzien:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan de Belastingdienst bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming vermoedelijk tot een te hoog bedrag is toegekend, of

b. indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend en de belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te weten.

Ingevolge het derde lid kan een herziening op grond van dit artikel leiden tot een terug te vorderen bedrag.

2.2. Bij besluit van 9 september 2009, gehandhaafd bij besluit van 19 januari 2010, heeft de Belastingdienst de aan [appellant] voor 2007 toegekende kinderopvangtoeslag herzien en gewijzigd vastgesteld op nihil en het eerder toegekende bedrag van € 4.164,00 teruggevorderd. De Belastingdienst heeft aan de herziening ten grondslag gelegd dat [echtgenote] ingevolge artikel 3 van de Awir wordt aangemerkt als toeslagpartner van [appellant], omdat zij zijn gehuwd, zij beiden op het adres van [appellant] staan ingeschreven en uit hun relatie een kind is geboren.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over zijn betoog dat hij in 2007 niet als gehuwd in de zin van de Awir kon worden aangemerkt, nu zijn huwelijk eerst op 24 november 2008 in Nederland is erkend.

2.3.1. Het betoog kan niet leiden tot het ermee beoogde doel. Voor de vraag of [appellant] in 2007 recht had op kinderopvangtoeslag is niet bepalend of zijn huwelijk reeds erkend was voor de Nederlandse wet, maar of [echtgenote] als niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot kon worden aangemerkt. Dat [appellant] en [echtgenote] op 9 april 2005 zijn gehuwd, is niet in geschil. Voor de vraag of [echtgenote] als toeslagpartner moest worden aangemerkt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir, is niet van belang vanaf welke datum deze gegevens in de GBA stonden ingeschreven. [appellant] heeft het oordeel van de rechtbank dat hij en [echtgenote] niet duurzaam gescheiden leefden, niet bestreden. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat [echtgenote] volgens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir over 2007 als de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot van [appellant] dient te worden aangemerkt en dat [appellant] en [echtgenote] daarom over het jaar 2007 als toeslagpartners als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Awir dienen te worden aangemerkt.

Het betoog faalt.

2.4. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst op grond van artikel 21, eerste lid, de toegekende tegemoetkoming kon herzien. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte er van is uitgegaan dat zijn huwelijk op 5 juni 2009 is ingeschreven. Blijkens een door hem overgelegd uittreksel uit de GBA heeft die inschrijving op 24 november 2008 plaatsgevonden. De Belastingdienst had derhalve op 14 maart 2009 bij de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag redelijkerwijs op de hoogte kunnen en moeten zijn van de inschrijving in de GBA, zodat zij niet op grond van artikel 21 van de Awir de definitieve vaststelling kon herzien.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [echtgenote] ten tijde van de aanvraag en de voorschotbeschikking niet ingeschreven stond in de GBA, zodat de Belastingdienst ten tijde van de aanvraag en de voorschotbeschikking van deze gegevens heeft mogen uitgaan. Ingevolge artikel 17 van de Awir was [appellant] gehouden wijzigingen van omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming aan de Belastingdienst door te geven. Nu hij dit heeft nagelaten, kan niet worden gezegd dat de Belastingdienst ten tijde van de toekenning van de kinderopvangtoeslag redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van het feit dat [appellant] een toeslagpartner in de zin van de Awir had; gelet op de verplichting van [appellant] kan niet van de Belastingdienst worden gevergd opnieuw de GBA-gegevens op te vragen.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] voert ten slotte aan dat de rechtbank heeft miskend dat bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat hij recht had op kinderopvangtoeslag, nu hem door medewerkers van de Belastingdienst is medegedeeld dat hij als niet gehuwd moest worden aangemerkt, omdat zijn huwelijk niet werd erkend. Verder voert hij aan dat van strikte toepassing van artikel 21 moet worden afgezien, omdat sprake is van een onredelijke uitwerking van de verschillende wettelijke regelingen.

2.5.1. [appellant] heeft geen omstandigheden aangevoerd waaraan hij het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat zijn voorschot kinderopvangtoeslag over 2007 niet zou worden herzien. Aan het contact met baliemedewerkers van de Belastingdienst kon [appellant] niet de rechtens te honoreren verwachting ontlenen dat hij recht op kinderopvangtoeslag had.

Evenmin heeft [appellant] omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de Belastingdienst had moeten afzien van herziening van de toegekende tegemoetkoming. De enkele stelling dat sprake is van een onredelijke uitwerking van de verschillende wettelijke regelingen, is daartoe onvoldoende.

2.5.2. Voor zover het betoog van [appellant] ziet op de terugvordering, kan het niet slagen, reeds omdat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 19 januari 2011 in zaak nr. 200908677/1/H2, 16 februari 2001 in zaak nr. 201006437/1/H2 en 2 maart 2011 in zaak nr. 201006597/1/H2), de Belastingdienst niet bevoegd is van terugvordering af te zien indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

362-630.