Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9530

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201007523/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BN2873, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een monumentenvergunning verleend voor het aanleggen van een tijdelijk parkeerterrein en het aanbrengen van een tijdelijke dam met duiker over de sloot op het perceel [locatie] te Loosdrecht (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 11
Monumentenwet 1988 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/363
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007523/1/H2.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2010 in zaken nrs. 09/1111 en 09/1113 in het geding tussen:

1. [wederpartijen]

2. [appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] een monumentenvergunning verleend voor het aanleggen van een tijdelijk parkeerterrein en het aanbrengen van een tijdelijke dam met duiker over de sloot op het perceel [locatie] te Loosdrecht (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 24 juni 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 augustus 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De vergunninghouder, derde belanghebbende, heeft een nader stuk ingediend. Dit stuk is aan de overige partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2011, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. A. Barada, en het college, vertegenwoordigd door drs. D.W.L.J. Cramers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder] daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals deze gold ten tijde hier van belang, is het verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.

Ingevolge het tweede lid is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning:

a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, kan het college aan een vergunning voorschriften verbinden in het belang van de monumentenzorg.

Ingevolge het tweede lid kan de vergunning voor een bepaalde tijd worden verleend.

2.2. De gevraagde monumentenvergunning ziet op de aanleg van een parkeerterrein voor circa 44 auto's en een dam met duiker op een gedeelte van de voormalige moestuin van Landgoed Eikenrode ten behoeve van de restauratie van het koetshuis van het landgoed.

2.3. Ter zitting heeft [appellante] het betoog dat het college van een onjuiste perceelsaanduiding is uitgegaan, ingetrokken.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft onderbouwd dat de vergunning betrekking heeft op een tijdelijke situatie. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de Monumentenwet 1988 niet voorziet in tijdelijke vergunningen, nu ingevolge artikel 19, tweede lid, een vergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend en ingevolge het eerste lid van dat artikel aan de vergunning voorwaarden kunnen worden verbonden.

In samenhang hiermee betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de belangenafweging van het college, gelet op het positieve advies van de Rijksdienst voor archeologie, cultuurlandschap en monumenten, (thans: de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed; hierna: de RCE), niet onredelijk is. Daartoe voert hij aan dat de RCE bij zijn advisering is uitgegaan van een tijdelijke situatie, maar dat het college geen vergunning voor bepaalde tijd heeft verleend en evenmin voorwaarden betreffende de tijdelijkheid van het vergunde aan de vergunning heeft verbonden.

2.4.1. [appellante] betoogt met recht dat de rechtbank heeft miskend dat de Monumentenwet 1988 voorziet in een vergunning voor bepaalde tijd en dat aan de vergunning voorwaarden kunnen worden verbonden.

In de aanvraag om de monumentenvergunning is vermeld onder de reden waarom de vergunning wordt aangevraagd: "Tijdelijk indelen als parkeerterrein met toegang over de sloot door het aanbrengen van een tijdelijke dam met duiker". In het besluit van 20 januari 2009 is vermeld dat het college heeft besloten monumentenvergunning te verlenen voor het wijzigen van het rijksmonument voor 'het tijdelijk indelen als parkeerterrein met toegang voor een sloot door het aanbrengen van een tijdelijke dam met duiker'. Voorts heeft het college toegelicht dat de nog te verlenen aanlegvergunning de tijdelijkheid van de vergunning zal waarborgen en dat de tijdelijkheid ook in de huurovereenkomst met de vergunning zal worden geregeld.

Gelet hierop heeft het college beoogd een vergunning te verstrekken voor het tijdelijk wijzigen van het monument, maar heeft het ten onrechte, in strijd met de rechtszekerheid nagelaten hieraan een termijn te verbinden. De rechtbank heeft dit niet onderkend en de vergunning in zoverre ten onrechte in stand gelaten.

Het betoog slaagt in zoverre.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 mei 2007 in zaak nr. 200607197/1), beschikt het college bij het al dan niet verlenen van een monumentenvergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 over een discretionaire bevoegdheid, zodat ter beoordeling staat of het college in redelijkheid de monumentenvergunning heeft kunnen verlenen. Bij het aanwenden van deze discretionaire bevoegdheid komt grote betekenis toe aan het ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 verplichte advies van de RCE, die bij uitstek deskundig is en betrokken is geweest bij de aanwijzing als rijksmonument. Dit laat onverlet dat de wetgever een keuze tussen eventuele uiteenlopende adviezen van de gemeentelijke monumentencommissie en de RCE aan het college heeft gelaten. Bij zijn besluit tot het al dan niet verlenen van een monumentenvergunning dient het college zijn keuze voor één van de adviezen echter deugdelijk te motiveren, zodat duidelijk is waarom aan het gekozen advies doorslaggevend gewicht is toegekend. Indien het college ter motivering van zijn besluit verwijst naar dat advies, dient het zich ervan te vergewissen, dat dit inhoudelijk concludent is en zorgvuldig tot stand is gekomen.

2.4.3. Het college heeft in zijn besluit van 20 januari 2009 voldoende duidelijk gemaakt waarom het doorslaggevend gewicht toekent aan het advies van de RCE. Het heeft vermeld dat het het advies van de monumentenadviescommissie van de Stichting Welstandszorg niet en dat van de RCE wel heeft overgenomen, omdat het advies van de monumentenadviescommissie er geen rekening mee houdt dat de parkeerplaats van tijdelijke aard is, niet inhoudelijk ingaat op de inrichting en de vorm van het parkeerterrein en het hier een rijksmonument betreft, waardoor aan het oordeel van de RCE extra gewicht toekomt.

In het advies van de RCE van 15 oktober 2008 is vermeld dat het ingediende plan voldoet aan een eerder gegeven advies. Uit het oogpunt van monumentenzorg heeft de RCE geen bezwaar tegen het plan. Verder is in het advies vermeld dat in het advies van 2006 reeds is geadviseerd om een integraal plan voor de herinrichting en restauratie van de moestuin en boomgaard te laten maken door een landschapsarchitect met kennis en kunde op het gebied van historische parken. In dit geval is enkel een plan ingediend voor de aanleg van het parkeerterrein. Aangezien het hier echter een tijdelijke situatie betreft, heeft de RCE hier geen bezwaar tegen.

Er is niet gebleken dat het advies van de RCE inhoudelijk niet concludent is of onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken het college in het bestreden besluit niet naar het positieve advies van de RCE had mogen verwijzen.

Het betoog faalt in zoverre.

2.5. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.4.1, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 januari 2009 van het college alsnog gegrond verklaren voor zover aan de vergunde wijziging van het monument geen termijn is verbonden. Dat besluit komt in zoverre wegens strijd met de rechtszekerheid voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat partijen zich ter zitting akkoord hebben verklaard met deze wijze van zelf voorzien.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2010 in zaken nrs. 09/1111 en 09/1113;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren van 20 januari 2009, kenmerk MO 2008373, voor zover daaraan geen voorschriften en beperkingen zijn verbonden;

V. bepaalt dat aan de vergunning de volgende voorschriften en beperkingen worden verbonden:

1. De vergunninghouder meldt het begin van de vergunde werkzaamheden tevoren schriftelijk aan ons college.

2. De vergunning geldt voor de duur van twee jaren, ingaande op de dag waarop een begin wordt gemaakt met de vergunde werkzaamheden.

3. De termijn kan op aanvraag met ten hoogste twee jaar worden verlengd, indien dat nodig is met het oog op de restauratie van het koetshuis van het landgoed Eikenrode.

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voor zover vernietigd;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1518,00 (zegge: vijftienhonderdachtien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

362-630.