Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9528

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201007840/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Herinrichting sportcomplex de Es" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4762
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007840/1/R3.

Datum uitspraak: 30 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Dinkelland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Herinrichting sportcomplex de Es" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante] en anderen bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 11 augustus 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 september 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2011, waar [appellante] en anderen, bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, en de raad, vertegenwoordigd door T.G.J. Snoeijink en H.J.M. Baars, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door G.J.M. Aarninkhof, als partij verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet onder andere in de uitbreiding van een parkeerterrein tot ongeveer 452 plaatsen, dat onder andere kan worden gebruikt door de sporters en bezoekers van de voetbalvereniging, tennisvereniging en gymzaal, de leden van de fanfare en de bezoekers van [Dancing] te Saasveld.

2.2. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep, omdat op de bij het beroepschrift ingediende machtiging slechts drie namen worden vermeld terwijl in het beroepschrift vijf namen staan en omdat de namen en voorletters in de machtiging niet geheel overeenkomen met die in het beroepschrift.

2.2.1. Op 17 november 2010 heeft Middelkamp per fax een machtiging overgelegd waarop op correcte wijze de namen zijn vermeld van alle in het beroepschrift genoemde appellanten. Daarmee is het verzuim hersteld.

2.3. De raad betoogt dat de beroepsgronden over de gestelde verplichting om een milieueffectrapportage uit te voeren, de gestelde strijd met de Omgevingsverordening Overijssel 2009 (hierna: de omgevingsverordening), de gestelde aantasting van de Ecologische Hoofdstructuur, de gestelde verslechtering van de luchtkwaliteit, het ontbreken van onderzoek naar de verkeersaantrekkende werking van enkele onderdelen van het plan en de uitvoerbaarheid van het plan in het licht van de Flora en faunawet niet-ontvankelijk zijn, omdat deze beroepsgronden niet als zienswijze op het ontwerp naar voren zijn gebracht.

2.3.1. Uit artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), volgt dat door een belanghebbende slechts beroep kan worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. De door [appellante] en anderen ingebrachte zienswijzen hebben betrekking op het gehele plan, evenals het ingediende beroepschrift. De hiervoor genoemde gronden zijn nadere argumenten ter onderbouwing van het beroep. Gelet hierop is het beroep in zijn geheel ontvankelijk.

2.4. [appellante] en anderen betogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij heeft nagelaten voor het plan een milieueffectrapport (hierna: plan-MER) te maken. De parkeerplaats is volgens hen een recreatieve voorziening zoals genoemd in categorie 10.1 van onderdeel C en categorie 10.1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994 (hierna: Besluit m.e.r. 1994). Uit het plan en de overige stukken wordt volgens hen niet duidelijk of de in het Besluit m.e.r. 1994 genoemde drempelwaarden inzake het aantal bezoekers zullen worden overschreden. Verder betogen [appellante] en anderen dat de raad niet heeft onderkend dat uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen volgt dat in bepaalde gevallen ook bij het niet overschrijden van de drempelwaarden het bevoegde gezag moet beoordelen of een plan-MER moet worden gemaakt.

2.4.1. De raad betoogt dat het parkeerterrein niet kan worden geschaard onder onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. 1994, aangezien dit niet kan worden aangemerkt als een recreatieve of toeristische voorziening. Voorts stelt de raad dat [appellante] en anderen uitgaan van een onjuist aantal bezoekers per jaar. In de huidige situatie zijn op het sportcomplex twee parkeerterreinen met bijna 100 parkeerplaatsen aanwezig. Het plan voorziet in een uitbreiding van de parkeerterreinen tot 450 plaatsen voor personenauto's. Uitgaande van 850 extra bezoekers van het parkeerterrein zal dit leiden tot een jaarlijks totaal van circa 47.000 bezoekers, aldus de raad. Daarbij neemt hij in aanmerking dat de dancing uitsluitend op zondagavond en incidenteel op een feestavond geopend is.

2.4.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het tweede lid, voor zover van belang, worden terzake van de activiteiten, genoemd in het eerste lid, bij de maatregel de categorieën van plannen aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Een plan wordt slechts aangewezen indien het plan het kader vormt voor een besluit als bedoeld in het derde of vierde lid.

Ingevolge het derde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a, de categorieën van besluiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge het vierde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit m.e.r. 1994, zoals dat destijds luidde, worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de wet aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge het tweede lid, worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b van de wet, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

2.4.3. [appellante] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het aantal bezoekers van het parkeerterrein door de raad onjuist is berekend. Voorts is de Afdeling van oordeel, dat een parkeerterrein niet kan worden aangemerkt als een recreatieve voorziening als bedoeld in categorie 10.1, onderdeel C en 10.1. onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r 1994. Voor zover [appellante] en anderen betogen dat sprake is van een uitbreiding van een recreatieve voorziening, stelt de Afdeling vast dat, wat daarvan ook zij, het plan geen uitbreiding van het aantal bezoekers mogelijk maakt en evenmin sprake is van een oppervlakte groter dan de drempelwaarde van artikel 10.1 van onderdeel D. Voorts is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan desondanks een MER moet worden gemaakt niet gebleken. Dat, naar [appellante] en anderen stellen, Saasveld een kleine dorpskern is in een rustig buitengebied, kan niet als een zodanige omstandigheid worden aangemerkt. Gelet hierop faalt het betoog dat de raad heeft nagelaten een plan-MER te maken.

2.5. [appellante] en anderen betogen dat het parkeerterrein in strijd is met de omgevingsverordening. Deze staat uitsluitend toe dat stedelijke voorzieningen met bijbehorende infrastructuur worden gerealiseerd om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen. De omgevingsverordening maakt hierop een uitzondering voor gebieden die deel uitmaken van stedelijke netwerken en streekcentra waar kan worden voorzien in een regionale behoefte. Saasveld maakt echter geen deel uit van een stedelijk netwerk en hoewel [Dancing] voorziet in een regionale behoefte, is Saasveld geen streekcentrum, aldus [appellante] en anderen.

2.5.1. Ingevolge artikel 2.1.2, eerste lid, van de omgevingsverordening is de aanleg van stedelijke voorzieningen en de infrastructuur ten behoeve hiervan, uitsluitend toegestaan om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen.

2.5.2. [Dancing] maakt in de bestaande situatie reeds deel uit van de in Saasveld aanwezige stedelijke voorzieningen. Het plan voorziet niet in de aanleg van een nieuwe stedelijke voorziening in het dorp. Het beoogde parkeerterrein betekent weliswaar de aanleg van nieuwe infrastructuur, maar heeft onder meer als doel de bestaande overlast die veroorzaakt wordt door bezoekers van [Dancing] te verminderen en staat derhalve in dienst van de stedelijke voorzieningen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met de omgevingsverordening. Het betoog faalt.

2.6. [appellante] en anderen voeren aan dat de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek met betrekking tot de te verwachten geluidhinder ondeugdelijk zijn, in het bijzonder wat betreft de geluidhinder die veroorzaakt wordt door vertrekkende bezoekers. Zij stellen dat bij het vaststellen van het geluidsniveau van af- en aanrijdende voertuigen, het dichtslaan van portieren en het stemgeluid van bezoekers van [Dancing] ten onrechte niet is uitgegaan van het specifieke gedrag van het huidige uitgaanspubliek. De aanname in het akoestisch onderzoek dat vertrekkende bezoekers op normale toon en niet door elkaar zullen praten en dat zij rustig wegrijden van de parkeerplaats is volgens [appellante] en anderen niet reëel. Het gaat volgens hen juist om mensen die op weg naar hun auto met stemverheffing praten, door elkaar heen praten en met het nodige lawaai zullen wegrijden van de parkeerplaats.

2.6.1. De raad voert aan dat voor het praten van bezoekers die lopen van en naar de parkeerplaats het kengetal van 70 dB(A) wordt gehanteerd, wat volgens hem ook bedoeld is voor bezoekersstromen naar stadions. Nader te nemen maatregelen zullen de geluidhinder die bezoekers van de dancing veroorzaken bij omwonenden beperken, aldus de raad.

2.6.2. Bij de voorbereiding van het plan is akoestisch onderzoek verricht door onderzoeksbureau Buijvoets Bouw- en Geluidsadvisering in opdracht van het gemeentebestuur. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport [Parkeerterrein] van 31 maart 2010. In het rapport staat dat wordt aangenomen dat bezoekers van de dancing in kleine groepen naar de parkeerplaats zullen lopen en hierbij op normale toon met elkaar zullen praten. Op een parkeerterrein waar mensen in kleine groepen naar de auto lopen is luider praten niet nodig, aldus het rapport.

2.6.3. Uit hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht volgt dat iedere zondagavond waarop de dancing open is ongeveer 1000 tot 1500 bezoekers de dancing zullen verlaten en naar het parkeerterrein zullen lopen in een tijdsbestek van ongeveer 2 uur. Gelet hierop zijn de stellingen van [appellante] en anderen dat de bezoekers met stemverheffing en door elkaar heen zullen praten en dat daarom andere uitgangspunten aan het akoestisch onderzoek ten grondslag hadden moeten worden gelegd, aannemelijk. De raad heeft deze stellingen onvoldoende weerlegd. Voorts heeft de raad het nemen van bijkomende maatregelen om de geluidhinder te beperken, zoals de aanwezigheid van parkeerwachters om het gedrag van het uitgaanspubliek te corrigeren, het afsluiten van straten om het gebruik hiervan te verhinderen en het creëren van specifieke looproutes van en naar de parkeerplaats, onvoldoende verzekerd.

Gelet hierop bestaat er aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor wat betreft de te verwachten geluidhinder onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het betoog slaagt.

2.7. In hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

2.8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dinkelland van 22 juni 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herinrichting sportcomplex de Es";

III. veroordeelt de raad van de gemeente Dinkelland tot vergoeding van bij [appellante] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 920,31 (zegge: negenhonderdtwintig euro en eenendertig cent), waarvan € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Dinkelland aan [appellante] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011

350-656.