Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9524

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
201011539/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum Enter" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011539/2/R3.

Datum uitspraak: 21 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend te [woonplaats],

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Wierden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum Enter" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2010, beroep ingesteld. [verzoekers] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 23 december 2010.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2010, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 maart 2011, waar [verzoekers], in persoon en bijgestaan door mr. M.A.A. Gockel-Gieskes, advocaat te Zevenaar, en de raad, vertegenwoordigd door I.L.B. Boers-Leijten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan strekt tot actualisering van de bestaande bestemmingsplannen voor het centrumgebied van het dorp Enter.

2.3. [verzoekers], die wonen aan de [locatie] in Enter, betogen onder meer dat in de zienswijzennota met betrekking tot de door hen ingediende zienswijze van 7 april 2010 ten onrechte is volstaan met een verwijzing naar het mediationtraject en dat in het bestreden besluit evenmin is ingegaan op hun aanvullende zienswijze van 16 augustus 2010. Zij hebben voorts onder meer betoogd dat aan de garageboxen achter hun perceel en het naast hun woning gelegen ontsluitingsweggetje van die boxen in strijd met daarover met de gemeente gemaakte afspraken de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V-VB)" is toegekend en dat het plan bovendien het bebouwen van de grond tussen de percelen aan de Dorpsstraat 83 en 85 middels een uitbouw aan het pand Dorpsstraat 85 mogelijk maakt, waardoor de functie daarvan als toegangsweg tot het achterterrein zal vervallen.

2.4. [verzoekers] hebben ter zitting verklaard wat betreft hun verzoek om een voorlopige voorziening geen bezwaar te hebben tegen beperking van het geschil tot de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V-VB)" en de bestemming van de grond tussen de percelen aan de Dorpsstraat 83 en 85. De raad heeft ter zitting verklaard zich te kunnen verenigen met schorsing van het plan voor zover het de achter het perceel van [verzoekers] gelegen gronden met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V-VB)" betreft. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding om ter zake een voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Ter zitting heeft de raad verklaard niet te kunnen instemmen met schorsing van het plandeel betreffende de uitbouw aan het pand Dorpsstraat 85. Hij heeft in dat verband gesteld te twijfelen aan het spoedeisend belang van betrokkenen op dit punt, nu de uitbouw is vergund door middel van een vrijstelling en bouwvergunning.

Aangenomen moet worden dat het hier gaat om de verlening van bouwvergunning en vrijstelling bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 27 januari 2004. Bij besluit van 25 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders het bezwaar van [verzoekers] tegen het besluit van 27 januari 2004 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

2.6. Uit de stukken blijkt dat de rechtbank Almelo bij uitspraak van 23 april 2008 (LJN: BD1864) het beroep van [verzoekers] tegen het besluit van 25 september 2006 gegrond heeft verklaard en dat besluit heeft vernietigd. Teneinde te vermijden dat door de raad bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar dan wel door de rechtbank in een eventuele vrijstellingsprocedure betekenis wordt toegekend aan het plan en uit de inwerkingtreding van het plan zou worden afgeleid dat de daarin neergelegde bestemming ter plaatse als een gegeven zou moeten worden beschouwd, wijst de voorzitter het verzoek ook in zoverre toe. Het plan wordt op dit punt geschorst om in elk opzicht te vermijden dat het zelfstandige toetsingskader voor het besluit op bezwaar in de vrijstellingsprocedure en het oordeel van de rechter in eerste aanleg daarover door de inwerkingtreding van het plan wordt bepaald, respectievelijk wordt beïnvloed. De voorzitter ziet dan ook aanleiding om ook ter zake van de bij het plan toegestane uitbreiding van de woning op het perceel Dorpsstraat 85 in Wierden een voorlopige voorziening te treffen.

2.7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Wierden van 14 september 2010, kenmerk 2010212, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V-VB)" gelegen langs het perceel [locatie] en, in aansluiting daarop ten zuiden van dat perceel, en achter de percelen Bornerbroekseweg 2d, 4 en 6 en voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Centrum (C)" ter zake van de uitbouw van het perceel Dorpsstraat 85;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Wierden tot vergoeding van bij [verzoeker A] en [verzoeker B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 918,71 (zegge: negenhonderdachttien euro en eenenzeventig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

III. gelast dat de raad van de gemeente Wierden aan [verzoeker A] en [verzoeker B] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2011

240.