Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP9275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
28-03-2011
Zaaknummer
201006546/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het besluit van 8 mei 2006 heeft de rechtsvoorganger van de minister zich op het standpunt gesteld dat de weigering om de vreemdeling vrij te stellen van het vereiste te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: het mvv-vereiste), geen schending betekent van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarbij is onderkend dat de vreemdeling homoseksueel is en verblijf bij een mannelijke partner beoogt. Gesteld, noch gebleken is dat het gegeven dat de vreemdeling na het eerdere besluit inmiddels met zijn partner in het huwelijk is getreden relevant is in het kader van de beoordeling of artikel 8 van het EVRM, al dan niet in verband met de aanwezigheid van eventuele objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen, aan het tegenwerpen van het mvv-vereiste in de weg zou moeten staan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is dit gegeven in de huidige procedure dan ook geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van voormeld beoordelingskader.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006546/1/V3.

Datum uitspraak: 22 maart 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 10 juni 2010 in zaak nr. 10/6352 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 17 februari 2010 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 juni 2010, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 juli 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven klaagt de minister onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het feit dat de vreemdeling gezinsleven met zijn echtgenoot heeft moet worden beschouwd als een nieuw feit, en hieraan ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat in de eerdere procedure weliswaar een oordeel is gegeven over de vraag of artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepasselijk was maar dit beroep is beoordeeld in de context van een beroep op het privéleven van de vreemdeling, alsmede dat de vreemdeling en referent na het eerdere besluit zijn getrouwd.

Volgens de minister heeft de rechtbank aldus niet onderkend dat de vreemdeling de stelling dat er objectieve belemmeringen bestaan om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen reeds in de vorige procedure had kunnen en moeten aanvoeren.

2.1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.2. De vreemdeling heeft eerder, op 8 mei 2006, een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, voor het doel "verblijf bij partner" ingediend. Bij besluit van 17 mei 2006 is deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 11 oktober 2006, verzonden op diezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, voor zover thans van belang, met toepassing van artikel 78 van de Vreemdelingenwet 2000 het tegen dat besluit gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Het besluit van 5 december 2008, genomen naar aanleiding van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, voor het doel "verblijf bij echtgenoot" is van gelijke strekking als het besluit van 8 mei 2006, zodat op het tegen het besluit van 17 februari 2010 ingestelde beroep het hiervoor vermelde beoordelingskader van toepassing is. In beide procedures is de aanvraag afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.

2.3. In het besluit van 8 mei 2006 heeft de rechtsvoorganger van de minister zich op het standpunt gesteld dat de weigering om de vreemdeling vrij te stellen van het vereiste te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: het mvv-vereiste), geen schending betekent van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarbij is onderkend dat de vreemdeling homoseksueel is en verblijf bij een mannelijke partner beoogt. Gesteld, noch gebleken is dat het gegeven dat de vreemdeling na het eerdere besluit inmiddels met zijn partner in het huwelijk is getreden relevant is in het kader van de beoordeling of artikel 8 van het EVRM, al dan niet in verband met de aanwezigheid van eventuele objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen, aan het tegenwerpen van het mvv-vereiste in de weg zou moeten staan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is dit gegeven in de huidige procedure dan ook geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van voormeld beoordelingskader.

Dat in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 oktober 2006 in het bijzonder is beoordeeld of het tegenwerpen van het mvv-vereiste strijdig is met het eveneens in artikel 8 van het EVRM opgenomen recht op respect voor het privéleven, maakt dit, daargelaten dat dit zal zijn ingegeven door het daartoe strekkende betoog in het tegen het besluit van 8 mei 2006 ingediende bezwaarschrift, niet anders.

2.4. Reeds hierom is het hoger beroep kennelijk gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Hetgeen in de grieven overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking.

2.5. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling dat, nu de vreemdeling geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, uit het door hem aangevoerde niet kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan en hij voorts niet heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45), er voor een rechterlijke toetsing van het besluit van 17 februari 2010 geen plaats is.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 10 juni 2010 in zaak nr. 10/6352;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter

w.g. Van der Winden

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2011

348.

Verzonden: 22 maart 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser