Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8786

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
200904724/1/M3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Kaag en Braassem bij besluit van 30 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Braassemerland".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4833
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904724/1/M3.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kennemerland Beheer B.V., gevestigd te Overveen, gemeente Bloemendaal, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Planresearch B.V., gevestigd te Zoetermeer,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2])

3. de stichting Stichting Braassemerland in Actie, gevestigd te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem,

4. [appellant sub 4], wonend te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem,

5. [appellanten sub 5], beiden wonend te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5])

6. [appellanten sub 6], beiden wonend te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6])

7. [appellante sub 7], gevestigd te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, en anderen,

8. de vereniging Watersportvereniging "Braassemermeer", gevestigd te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem,

9. [appellant sub 9], wonend te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, en anderen,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Kaag en Braassem bij besluit van 30 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Braassemerland".

Tegen dit besluit hebben Kennemerland en Planresearch bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2009, de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2009, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2009, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2009, [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2009, [appellante sub 7] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2009, de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2009, en [appellant sub 9] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2009, beroep ingesteld. De stichting heeft haar beroep aangevuld bij brief van 17 augustus 2009. [appellant sub 4] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 18 augustus 2009. [appellant sub 5] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 25 augustus 2009. [appellante sub 7] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 26 augustus 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 4], [appellant sub 6], de vereniging en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De stichting, [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 9] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2011, waar Kennemerland en Planresearch, vertegenwoordigd door mr. P.H. Revermann, [appellant sub 2], in persoon, de stichting, vertegenwoordigd door P.H. de Vroom en D.G.A. Olyerhoek, [appellant sub 5], bijgestaan door mr. R.H.A. ter Huurne, [appellant sub 6], bijgestaan door J.L.C. Beetem, [appellant sub 9] en anderen, in de personen van [appellant sub 9] en [appellant sub 9 A], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.C. de Waaij, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, mr. J. van Nuland, J.J. Démoed, M.O. van der Weide en A.J.P. Nijenhof, bijgestaan door drs. D. van Beusekom en ing. A. van den Berg, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De stichting heeft ter zitting haar beroepsgrond over het milieueffectrapport ingetrokken.

2.2. Het beroep van Kennemerland en Planresearch voor zover gericht tegen de goedkeuring van het plandeel "Woongebied uit te werken 1" waarbij hun gronden in weerwil van daartoe beweerdelijk gemaakte afspraken binnen het plangebied zijn gebracht alsmede de goedkeuring van artikel 19, negende lid, onder f, van de planvoorschriften gelezen in samenhang met de plankaart, waarbij in weerwil van beweerdelijk gemaakte afspraken slechts 29 woningen per hectare in dit plandeel kunnen worden gerealiseerd, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders voor zover de raad van de gemeente bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door Kennemerland en Planresearch gestelde omstandigheid dat eerst na opneming van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 30 van de planvoorschriften bovenbedoelde bezwaren zich deden gevoelen.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4. [appellante sub 7] en anderen betogen dat de planning en de ontwikkelingsstrategie ten onrechte niet met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage hebben gelegen.

2.4.1. Het college maakt melding van een gedetailleerde planning van april 2009 die de gemeente aan de provincie heeft overgelegd en die bij het bestreden besluit is betrokken. Een notitie of beleidsplan over de ontwikkelingsstrategie voor het plangebied bestaat, anders dan [appellante sub 7] en anderen veronderstellen, volgens het college niet.

2.4.2. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is - voor zover hier van belang - bepaald dat het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage legt.

2.4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 juni 1998, in zaak no. E01.95.0148 (AB 1998, 338), heeft een dergelijke plicht echter slechts betrekking op reeds bestaande stukken. De planning waarop [appellante sub 7] en anderen doelen is het concept Integrale planning Braassemerland van april 2009. Dit stuk was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan nog niet voorhanden, zodat artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht hierop niet van toepassing is. Overigens hebben [appellante sub 7] en anderen kennis kunnen nemen van deze planning, nu dit stuk als bijlage 18 bij het deskundigenbericht is gevoegd.

[appellante sub 7] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat, anders dan het college stelt, een specifiek stuk over de ontwikkelingsstrategie voor het plangebied bestaat.

De beroepsgrond faalt.

Flexibiliteitsbepalingen

2.5. Kennemerland en Planresearch betogen dat de in artikel 30, derde lid, van de planvoorschriften vervatte wijzigingsbevoegdheid de plannen voor zelfrealisering van hun gronden doorkruist. Zij vrezen dat door een te lage woningdichtheid deze gronden niet rendabel kunnen worden gemaakt.

2.5.1. Ten aanzien van de veronderstelling van Kennemerland en Planresearch dat de wijzigingsbevoegdheid zal worden gebruikt om de dichtheid van woningen in "Woongebied uit te werken 1", waarin hun gronden zijn gelegen, terug te brengen, wijst het college op een aan hen gedaan schriftelijk aanbod voor de bouw van 220 woningen, hetgeen juist met een hogere dichtheid dan 29 woningen per hectare overeenkomt.

2.5.2. Ingevolge artikel 19, negende lid, onder f, van de planvoorschriften gelezen in samenhang met de plankaart bedraagt de woningdichtheid in "Woongebied uit te werken 1" maximaal 29 woningen per hectare.

Artikel 30, derde lid, van de planvoorschriften bepaalt dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn om binnen het maximum aantal van 2250 woningen van het totale plan, tussen deelgebieden te schuiven met woningen, tot een maximum van 10% van het op de plankaart aangeduide aantal woningen per hectare per deelgebied.

2.5.3. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat de raad volgens bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest met toepassing van deze bepaling een soepele aanpassing van bestemmingsplannen aan de zich wijzigende omstandigheden mogelijk te maken, zonder dat de waarborgen van de betrokken belangen te zeer in het gedrang komen. Juist met het oog hierop is in de laatste volzin van het eerste lid bepaald dat in het bestemmingsplan wordt geregeld op welke wijze belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijzen omtrent de wijziging naar voren te brengen.

2.5.4. Kennemerland en Planresearch hebben niet aannemelijk gemaakt dat door verlaging van de woningdichtheid op hun gronden met maximaal 10%, deze niet rendabel kunnen worden geëxploiteerd. Wat dat betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat de mogelijk nadelige invloed van het verlagen van de woningdichtheid op de exploitatie van deze gronden zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Hetgeen Kennemerland en Planresearch hebben aangevoerd geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat vanwege de mogelijk verminderde rentabiliteit van hun gronden niet in redelijkheid voor het opnemen van deze wijzigingsbevoegdheid gekozen mocht worden.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant sub 4] betoogt dat de uitwerkingsregels voor het plandeel met de bestemming "Woongebied uit te werken 4" in strijd met artikel 13, tweede lid, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (hierna: Bro 1985), onvoldoende inzicht in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van het gebied bieden. Volgens hem zijn bijna alle mogelijke bestemmingen toegestaan, van gestapelde woningen tot een evenemententerrein. De voor woningen geldende uitwerkingsregels hebben slechts betrekking op woningdichtheid en goothoogte. Voor de overige bestemmingen zijn geen uitwerkingsregels, aldus [appellant sub 4].

De vereniging betoogt dat ten onrechte het in dit plandeel gelegen door haar gebruikte parkeer- en stallingterrein niet als zodanig is bestemd.

2.6.1. Het college voert aan dat in dit plandeel alleen woningen en maatschappelijke voorzieningen als gebouwde functies zijn toegestaan. Daarbij is de op de plankaart opgenomen goothoogte van toepassing op alle gebouwde functies. Als niet gebouwde functie is een evenemententerrein toegestaan en hebben de overige toegestane functies een directe relatie met de te realiseren woningen, aldus het college.

Ten aanzien van het door de vereniging gebruikte parkeer- en stallingterrein brengt het college naar voren dat ingevolge artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften de functie van parkeren en stallen onderdeel uitmaakt van de bestemming van dit plandeel en dat bij de uitwerking van dit plandeel deze functie mogelijk gemaakt zal worden op een zodanige manier dat de door de vereniging benodigde voorzieningen behouden zullen blijven.

2.6.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Bro 1985 geeft een bestemmingsplan dat op grond van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geheel of gedeeltelijk moet worden uitgewerkt, aan waarop de uitwerkingsverplichting betrekking heeft. Ingevolge het tweede lid van dit artikel geeft een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bovendien op zodanige wijze de doelstellingen voor het uit te werken plan aan, dat voldoende inzicht wordt verkregen in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dat plangebied. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 februari 2010 in zaak nr. 200900437/1/R1) is voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval voldoende inzicht is geboden in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling in een bepaald gebied onder meer van belang of het gebied specifieke waarden toekomt. Zo zal een uit te werken plan dat onderdeel uitmaakt van een nationaal landschap in het algemeen meer stringente uitwerkingsregels omtrent de bebouwing moeten bevatten dan een uit te werken plan dat ziet op een gebied zonder deze te beschermen waarden.

2.6.3. In de Nota Ruimte is het Groene Hart aangewezen als nationaal landschap. Niet in geschil is dat het plangebied in het Groene Hart ligt.

De uitwerkingsregels omtrent de bebouwing in het plandeel met de bestemming "Woongebied uit te werken 4" zijn vastgelegd in artikel 22, tweede en negende lid, van de planvoorschriften. Daarin is kort samengevat bepaald dat op de gronden zijn toegelaten woningen en bijbehorende bebouwing met een goothoogte van niet meer dan 6 meter en een dichtheid van niet meer dan 11 woningen per hectare. Naar het oordeel van de Afdeling zijn deze uitwerkingsregels voldoende stringent voor een uit te werken plandeel dat onderdeel uitmaakt van een nationaal landschap. Wat betreft de mogelijke bebouwing is aldus voldoende inzicht geboden in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dit plandeel.

Ook overigens is door middel van artikel 5, achtste lid, gelezen in samenhang met artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften voldoende inzicht geboden in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dit plandeel. Dit geldt gelet op artikel 5, achtste lid, onder e, gelezen in samenhang met artikel 22, eerste lid, aanhef en onder k, van de planvoorschriften in het bijzonder voor de door de vereniging benodigde parkeer- en stallingvoorzieningen. Volgens deze bepalingen wordt immers langs de zuidrand van dit plandeel tegenover de bestaande jachthaven een evenemententerrein aangelegd dat tevens als parkeerterrein kan dienen.

De beroepsgronden falen.

2.7. [appellant sub 9] en anderen betogen dat ten onrechte op hun gronden de aanduiding "(hoofd)ontsluitingswegen en toegangswegen" is gelegd. De bestemmingsregeling ten aanzien van de ontsluitingsweg is te ruim en in strijd met de rechtszekerheid. Zij wijzen op een andere mogelijke locatie voor de ontsluitingsweg.

2.7.1. Het college brengt naar voren dat door deze indicatieve aanduiding op de plankaart in samenhang met de op ontsluitingswegen van toepassing zijnde planvoorschriften een ruim zoekgebied voor de ontsluitingsweg is gedefinieerd, teneinde de minnelijke verwerving van de voor de ontsluitingsweg benodigde gronden mogelijk te maken. Dat de aanduiding is gelegd op het perceel van [appellant sub 9] en anderen is een toevalligheid. De door [appellant sub 9] voorgestelde alternatieve locatie ligt binnen dit zoekgebied, aldus het college.

2.7.2. Artikel 23, negende lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, bepaalt voor het plandeel met de bestemming "Woongebied uit te werken 5", waarbinnen de gronden van [appellant sub 9] en anderen zijn gelegen:

g. De ontsluitingswegen, woonstraten en het openbaar gebied worden afgestemd op de omgeving;

h. Met betrekking tot de indeling van de wegen en de situering van de bebouwing gelden zoveel mogelijk de indicatief op de plankaart opgenomen dwarsprofielen;

i. Ter plaatse of binnen een afstand van de 50 m begrenzing aan weerszijden van de indicatieve aanduiding op de plankaart voor de hoofdontsluiting;

j. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de ligging van de aanduiding op de plankaart in het zuiden te wijzigen, met dien verstande dat deze aanduiding indicatief is, wat betekent dat een verschuiving van de aanduiding van maximaal 100 meter aan weerszijden mogelijk is.

2.7.3. Op grond van deze bepaling kan 50 meter aan weerszijden van de maximaal 100 meter te verschuiven aanduiding van de ontsluitingsweg op de plankaart worden afgeweken. De Afdeling is van oordeel dat door middel van artikel 23, negende lid, onder g tot en met j, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met de indicatieve aanduiding van de ontsluitingsweg op de plankaart voldoende inzicht is geboden in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dit plandeel.

De beroepsgrond faalt.

Nota Ruimte

2.8. De stichting, [appellant sub 4] en [appellant sub 9] en anderen betogen dat in strijd met het migratiesaldo-nulbeleid en overig beleid grootschalige woningbouw is voorzien in het Groene Hart.

2.8.1. Het college voert aan dat er in 2008 gesprekken zijn gestart tussen de gemeente, de provincie en het rijk over de kwaliteit van de uiteindelijke inrichting van het plangebied. Uitgangspunt was daarbij dat de voorziene woningbouw niet mag leiden tot aantasting van de kernkwaliteiten van het Groene Hart. Deze gesprekken hebben geresulteerd in het op 25 september 2009 tussen de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (thans de minister van Infrastructuur en Milieu), de provincie Zuid-Holland en de gemeente Kaag en Braassem afgesloten Convenant kwaliteit inrichting Braassemerland (hierna: het Convenant).

2.8.2. Zoals hierboven is overwogen ligt het plangebied in het nationale landschap het Groene Hart.

Volgens paragraaf 3.4.3 van de Nota Ruimte geldt in algemene zin dat binnen nationale landschappen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, mits de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of worden versterkt ('ja, mits'-regime). Binnen nationale landschappen is ruimte voor ten hoogste de eigen bevolkingsgroei (migratiesaldo nul). Op basis hiervan maken provincies afspraken met gemeenten over de omvang en locatie van woningbouw.

2.8.3. In bedoeld Convenant is vastgesteld dat het bij het bestemmingsplan voorziene aantal van 2.250 woningen past binnen de voor Zuid-Holland beschikbare aantallen woningen voor het Groene Hart en dat dit aantal in overeenstemming is met het migratiesaldo nulbeleid, zoals opgenomen in de Nota Ruimte. Bij dit Convenant zijn afspraken gemaakt over de wijze van invulling van de nadere planuitwerking ter waarborging van de kernkwaliteiten van het Groene Hart.

Het college heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat de woningbouw die door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt niet in strijd is met het beleid ten aanzien van het Groene Hart.

De beroepsgrond faalt.

Beleid recreatie en toerisme

2.9. [appellant sub 4] betoogt dat het plan in strijd met het streekplan Zuid-Holland West en de gemeentelijke Nota recreatie en toerisme niet zal bijdragen aan de recreatieve aantrekkingskracht van de gemeente.

[appellant sub 5] betoogt dat als gevolg van de uitvoering van het plan de druk op recreatieve voorzieningen zal toenemen. In het bijzonder vreest hij overlast door snel varende motorvaartuigen.

2.9.1. Niet in geschil is dat het provinciale en gemeentelijke beleid ter zake, ook voorafgaand aan de vaststelling van de Nota recreatie en toerisme van 2 november 2009, is gericht op versterking van de beperkt ontwikkelde recreatieve functie van Braassemerland. Volgens de Nota recreatie en toerisme hebben de zwakten in de toeristisch-recreatieve structuur vooral betrekking op de slechte toegankelijkheid van veel oevers over land, het tekort aan aantrekkelijke aanlegplaatsen, toeristische accommodaties en kampeerplekken en de seizoensgebondenheid van het recreatieve aanbod.

2.9.2. In artikel 5, tweede lid, onder h, van de planvoorschriften is bepaald dat in het plangebied de recreatieve functie wordt versterkt door middel van mogelijkheden voor waterrecreatie en het aanleggen van wandel- en fietsroutes. Aldus is met het plan beoogd de recreatieve functie van het plangebied te versterken. Hetgeen [appellant sub 4] in zoverre heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met het provinciale en gemeentelijke beleid inzake recreatie en toerisme.

2.9.3. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 5] zij erop gewezen dat in de Nota recreatie en toerisme wordt onderkend dat door ongewenste, te intensieve recreatieve ontwikkelingen in het buitengebied de kwaliteiten van natuur, water en landschap kunnen worden bedreigd. Op basis van het voorliggende, grotendeels uit te werken bestemmingsplan, kan niet worden geoordeeld dat de beoogde ontwikkeling van de recreatie zal leiden tot overbelasting of aantasting van de natuur of het landschap. De snelheid van motorvaartuigen kan niet planologisch worden gereguleerd.

De beroepsgronden falen.

Uitvoerbaarheid

2.10. De stichting betoogt dat de archeologische waarden onvoldoende zijn onderzocht en dat archeologisch onderzoek het bouwproces ernstig kan vertragen.

2.10.1. Volgens het deskundigenbericht impliceert het feit dat nog niet vaststaat hoe omgegaan zal worden met de aanlegvergunningvereisten in verband met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in sommige delen van het plan, niet dat de uitvoering van het plan daardoor zal worden vertraagd. Hetgeen de stichting heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezigheid van archeologische waarden en het onderzoek daarnaar niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan.

De beroepsgrond faalt.

2.11. De stichting vreest grootschalige bodemverontreiniging en betoogt dat het onderzoek dat hiernaar nog gedaan moet worden, het bouwproces ernstig kan vertragen.

2.11.1. De raad heeft een rapport van Hoste milieutechniek van 22 november 2010 overgelegd waarin op basis van twee representatief geachte saneringsprojecten wordt geconcludeerd dat de kosten voor sanering van slootdempingen in het exploitatieplan conservatief zijn begroot. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit rapport onjuist is. Evenmin heeft de stichting aannemelijk gemaakt dat de voor de bodemsanering benodigde tijd aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan.

De beroepsgrond faalt.

2.12. De stichting vreest dat de bij het bestemmingsplan voorziene woningbouw financieel niet uitvoerbaar zal zijn. De stichting wijst daarbij op de crisis op de huizenmarkt.

2.12.1. Het college wijst erop dat de gemeenteraad tegelijkertijd met het bestemmingsplan de exploitatieopzet heeft vastgesteld. De exploitatieopzet en de bijbehorende stukken zijn niet openbaar. In hoofdstuk 8 van de Verantwoording in het bestemmingsplan geeft de gemeente zicht op de aspecten die bij de financiële haalbaarheid zijn betrokken. Het college heeft de exploitatieopzet vertrouwelijk ingezien en geconstateerd dat er behalve met de voor de hand liggende en zekere posten ook rekening is gehouden met mogelijke tegenvallers van diverse aard. Naar het oordeel van het college is een realistische inschatting gemaakt van de mogelijke kosten. Er is voor het college geen aanleiding om te oordelen dat het plan niet uitvoerbaar is of de draagkracht van de gemeente te boven gaat.

2.12.2. Uit het Aangevuld bekostigingsbesluit Braassemerland van de raad van 30 september 2008 blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan de totale kosten van de uitvoering van het bestemmingsplan werden geraamd op € 284,1 miljoen en de totale opbrengsten op € 282,6 miljoen, zodat de exploitatieopzet een negatief saldo had van € 1,5 miljoen.

Nadat bekend werd dat door het te sluiten Convenant het exploitatietekort zou oplopen tot € 4,2 miljoen, heeft het college van burgemeester en wethouders op 29 april 2009 de ambtelijk opdrachtgever van het project Braassemerland de opdracht gegeven een pakket aan maatregelen samen te stellen om bijsturing in proces en inhoud te kunnen bewerkstelligen.

De door het Convenant veroorzaakte kostenstijging bedraagt minder dan 1% van de totale kosten. Gelet op deze relatief beperkte kostenstijging alsmede de inspanning van het college van burgemeester en wethouders om middels maatregelen dit tekort terug te dringen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich ten tijde van het goedkeuringsbesluit niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan uitvoerbaar is.

De beroepsgrond faalt.

Planperiode

2.13. De stichting betoogt dat het bestemmingsplan niet te verwezenlijken is binnen de planperiode. [appellante sub 7] en anderen betogen dat de planperiode van tien jaar wordt overschreden, nu de start van het project in 2010 zal plaatsvinden in plaats van in 2009. [appellant sub 9] en anderen betogen dat ten onrechte een planperiode wordt gehanteerd van meer dan tien jaar, nu de uitwerking van fase twee is voorzien na 2018.

2.13.1. Het college heeft het bestreden besluit in zoverre gebaseerd op de plantoelichting en het concept Integrale planning Braassemerland van april 2009 en komt tot het oordeel dat verwezenlijking van de nieuwe bestemmingen binnen een periode van tien jaar zal plaatsvinden.

2.13.2. De Afdeling merkt ten aanzien van de beoogde planhorizon op dat een bestemmingsplan ingevolge artikel 33 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier van belang, ten minste eenmaal in de tien jaren dient te worden herzien. Uit deze bepaling volgt dat de wetgever een planperiode van tien jaar voor ogen staat. De Afdeling acht het in beginsel niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening dat in een plan bestemmingen worden vastgesteld die pas na afloop van de tienjarige planperiode zullen worden verwezenlijkt. Daarbij zij aangetekend dat indien een faseringsregeling samengaat met een uitwerkingsverplichting, dit er niet toe mag leiden dat niet binnen de planperiode van tien jaar aan de uitwerkingsverplichting kan worden voldaan.

2.13.3. Volgens zowel de plantoelichting als de planning zal fase 1 eind 2018 zijn gerealiseerd. Voor zover de beroepsgrond van de stichting en [appellante sub 7] en anderen ziet op de in fase 1 opgenomen plandelen faalt deze.

2.13.4. "Woongebied uit te werken 5" is opgenomen in fase 2. Dit plandeel is ingevolge artikel 5, negende lid, onder a, van de planvoorschriften nader gedifferentieerd in de woonsferen Ringsloot, Veilingvaart, Parkvaart en Akkers.

Volgens de plantoelichting zal het opstellen van de uitwerkingsplannen voor fase 2 in 2016 zijn afgerond en zal fase 2 vanaf 2018 in ontwikkeling worden genomen. Nu daarbij niet is vermeld wanneer deze ontwikkeling zal worden afgerond, heeft het college om een nader inzicht in de planning gevraagd. De overgelegde planning verschilt per woonsfeer. Medio 2019, wanneer tien jaar zijn verstreken sinds de inwerkingtreding van het goedkeuringsbesluit, zal volgens de planning Veilingvaart geheel zijn gerealiseerd, zal de gronduitgifte en woningbouw van Akkers en Parkvliet deels zijn gerealiseerd en zal de gronduitgifte van Ringsloot zijn begonnen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op grond van deze gegevens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt.

De beroepsgrond faalt.

2.14. [appellante sub 7] en anderen en [appellant sub 9] en anderen betogen dat hun agrarische bedrijven ten onrechte onder het overgangsrecht zijn gebracht en dat zij door de keuze voor een uit te werken bestemming lange tijd in onzekerheid worden gelaten over het voortbestaan van hun bedrijven. Ook bestaat onduidelijkheid over de beëindiging van hun bedrijven binnen de planperiode.

2.14.1. De bedrijven van [appellante sub 7] en anderen en [appellant sub 9] en anderen zijn gelegen in de plandelen met de bestemmingen "Woongebied uit te werken 2" onderscheidenlijk "Woongebied uit te werken 5". Ingevolge artikel 20, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften zijn desbetreffende gronden niet bestemd voor agrarische activiteiten.

2.14.2. De Afdeling stelt voorop dat bestaand legaal gebruik in het algemeen dienovereenkomstig dient te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt.

2.14.3. Volgens de plantoelichting heeft het college in februari 2006, nadat Braassemerland was aangewezen als transformatiegebied, besloten om het plangebied binnen de bebouwingscontouren van het Streekplan Zuid-Holland West te brengen. Het college heeft er dan ook vanuit mogen gaan dat het als zodanig bestemmen van bestaand agrarisch gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en dat het belang van de nieuwe bestemming wonen zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Zoals hierboven is overwogen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt, zodat ervan kan worden uitgegaan dat het bestaande agrarische gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd.

De beroepsgrond faalt.

Milieuaspecten

2.15. De stichting, [appellant sub 5] en [appellant sub 9] en anderen betogen dat het verkeerscirculatieplan ondeugdelijk en de ontsluitingsstructuur onvoldoende is. De stichting en [appellant sub 9] en anderen voeren aan dat de te verwachten verkeersintensiteiten zijn onderschat, in het bijzonder op het Zuideinde. [appellant sub 4] en [appellant sub 5] vrezen onaanvaardbare verkeersbelasting door het aantal voorziene woningen.

2.15.1. Voorafgaande aan het bestemmingsplan is een verkeerscirculatieplan opgesteld waarin de gevolgen van en oplossingen voor de toegenomen verkeersintensiteit als gevolg van woningbouw in het plangebied zijn beschreven. In het deskundigenbericht wordt vastgesteld dat de nieuwe infrastructuur die het plan mogelijk maakt, in beginsel toereikend moet worden geacht voor de verkeersafwikkeling. In het bijzonder biedt het plan volgens het deskundigenbericht de mogelijkheid om binnen de bestemming "Woongebied uit te werken 5" ontsluitingswegen aan te leggen, waardoor het Zuideinde niet zwaarder wordt belast dan is berekend in het verkeerscirculatieplan. Hetgeen de stichting, [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 9] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

De beroepsgronden falen.

2.16. [appellant sub 5] vreest verslechtering van de luchtkwaliteit en overschrijding van de normen voor zwevende deeltjes als gevolg van de ontsluitingsweg. Het luchtkwaliteitonderzoek waarin is geconcludeerd dat geen overschrijdingen als gevolg van het plan zullen optreden, acht hij ongeloofwaardig.

2.16.1. Aan het bestemmingsplan is het rapport "Toets luchtkwaliteit bestemmingsplan Braassemerland" van 3 april 2008 van Goudappel Coffeng ten grondslag gelegd. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat op basis van dit rapport kan worden vastgesteld dat de wettelijk grenswaarden niet zullen worden overschreden. Hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

De beroepsgrond faalt.

2.17. [appellant sub 5] vreest geluidhinder vanwege de dichtbij zijn woning voorziene ontsluitingsweg. Daarnaast wijst hij op de cumulatie van geluid vanwege de nabijgelegen A4, HSL en Alkemadelaan.

2.17.1. Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh), zoals dit destijds luidde en voor zover thans van belang, worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, zoals dit destijds luidde en voor zover thans van belang, worden in afwijking van het eerste lid bij de vaststelling van een bestemmingsplan als in dat lid bedoeld hogere waarden in acht genomen, voor zover met toepassing van artikel 83 voor de vaststelling van het bestemmingplan zodanige waarden zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, zoals dit destijds luidde en voor zover thans van belang, is de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

2.17.2. Bij haar uitspraak van heden in zaak nr. 200904631/1/M2 heeft de Afdeling het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem van 23 september 2008 tot vaststelling van hogere geluidgrenswaarden ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan wegens strijd met artikel 110f, eerste lid, van de Wgh vernietigd, nu daarbij ten onrechte geen onderzoek was gedaan naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen. Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Wgh had de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan voor woningen binnen de zones langs wegen dan ook de voorkeursgrenswaarde van 48 dB in acht moeten nemen. Nu de raad dat niet heeft gedaan had het college voor wat betreft het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" goedkeuring aan het bestemmingsplan dienen te onthouden.

De beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

2.17.3. Bij bovenbedoelde uitspraak heeft de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, nu het college van burgemeester en wethouders zich op grond van aanvullend akoestisch onderzoek dat is verricht na het besluit tot vaststelling van hogere geluidgrenswaarden, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de samenloop van de verschillende geluidbronnen niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 5].

2.17.4. Het college van gedeputeerde staten heeft zich mede op basis van de notitie van Tauw van 5 januari 2011 over gecumuleerde geluidbelasting in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de vastgestelde hogere geluidgrenswaarden kan worden voldaan en dat de invloed van de gecumuleerde geluidbelasting vanwege de ontsluitingsweg, de A4, de HSL en de Alkemadelaan op het woon- en leefklimaat van de woning van [appellant sub 5] niet zodanig is dat het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. De Afdeling ziet dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van het goedkeuringsbesluit voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" in stand te laten.

Individuele bezwaren

2.18. Kennemerland en Planresearch betogen dat door in het verleden gemaakte afspraken het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat op hun gronden 33 woningen per hectare zouden kunnen worden gebouwd.

2.18.1. Het college voert aan dat voor zover al afspraken waren gemaakt met Kennemerland en Planresearch hierop bij het Masterplan Braassemerland van april 2008 reeds is teruggekomen.

2.18.2. Over het betoog van Kennemerland en Planresearch dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat Kennemerland en Planresearch niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat op hun gronden 33 woningen per hectare zouden kunnen worden gebouwd. De raad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

De beroepsgrond faalt.

2.19. [appellant sub 2] betoogt dat zijn woning aan [locatie 1] met bijbehorend perceel ten onrechte niet de bestemming "Wonen" heeft gekregen, nu de naastgelegen woning aan [locatie 2] wel deze bestemming heeft gekregen.

2.19.1. Het college en de raad hebben aangevoerd dat uitgangspunt bij het onderhavige plan is geweest dat agrarische bestemmingen uit het vorige plan een uit te werken bestemming krijgen, terwijl woonbestemmingen uit het vorige plan als zodanig worden gecontinueerd. Bovendien is op uit te werken bestemmingen een voorkeursrecht gevestigd. Het perceel inclusief de woning van [appellant sub 2] hadden onder het vorige plan een agrarische bestemming, zodat zij overeenkomstig bovenvermeld uitgangspunt in het onderhavige plan een uit te werken bestemming hebben gekregen. De woning aan [locatie 2] had ingevolge het vorige plan reeds een woonbestemming, zodat deze bestemming is gecontinueerd. Het college en de raad hebben ter zitting verklaard dat de woning van [appellant sub 2] in het uitwerkingsplan naar alle waarschijnlijkheid een woonbestemming zal krijgen.

2.19.2. Ten aanzien van de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met de bestemming van het perceel aan [locatie 1] wordt overwogen dat het college en de raad zich op het standpunt hebben gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat op het perceel aan [locatie 2] een voorkeursrecht is gevestigd en op het perceel aan [locatie 1] niet. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door [appellant sub 2] genoemde situatie niet overeenkomt met de situatie van zijn perceel.

De beroepsgrond faalt.

2.20. [appellant sub 4] vreest verstedelijking en verlies aan uitzicht door de omvang van de bebouwing.

2.20.1. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. In hetgeen [appellant sub 4] in zoverre heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat nadelige gevolgen van het besluit voor [appellant sub 4] onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

De beroepsgrond faalt.

2.21. [appellant sub 4] betoogt dat geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgehad, nu eraan voorbij is gegaan dat hij op zijn perceel aan de [locatie 3] te Roelofarendsveen een kostbare tuin heeft aangelegd.

2.22. Het bedoelde perceel is gelegen in het plangebied met de bestemming "Woongebied uit te werken 4". Artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften bepaalt dat in dit plangebied onder andere tuinen zijn toegelaten. Of bedoeld perceel een bestemming krijgt waardoor de tuin behouden kan blijven, zal evenwel eerst worden bepaald in het nog vast te stellen uitwerkingsplan, waartegen rechtsmiddelen zullen kunnen worden aangewend. In dat kader vindt ook een nadere belangenafweging plaats.

De beroepsgrond faalt.

2.23. [appellant sub 6] betoogt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn plannen voor het perceel [locatie 4]. Ten onrechte is volgens hem naast de horecabestemming niet voorzien in een woonbestemming, een kantoorbestemming en een praktijkbestemming. Voorts is ten onrechte niet voorzien in de mogelijkheid van uitbreiding van de bestaande bedrijfswoning, en de mogelijkheid om twee woningen op het achterste deel van het perceel te vestigen. Ten minste had een wijzigingsbevoegdheid voor de door [appellant sub 6] gewenste voorzieningen moeten worden opgenomen.

Voorts maakt [appellant sub 6] bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen afsluiting van Westeinde voor gemotoriseerd verkeer, naar en vanaf de A4.

2.23.1. [appellant sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij concrete plannen heeft voor het perceel [locatie 4]. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plannen van [appellant sub 6] niet zodanig concreet waren dat hiermee bij het vaststellen van het plan rekening had moeten worden gehouden in de vorm van een positieve bestemming of in de vorm van een wijzigingsbevoegdheid.

Westeinde maakt geen deel uit van dit bestemmingsplan. Het daarop betrekking hebbende bezwaar ziet dan ook niet op het bestreden besluit.

De beroepsgronden falen.

Conclusie

2.24. Gelet op rechtsoverweging 2.17.2 is de conclusie dat hetgeen [appellant sub 5] ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" is vastgesteld in strijd met artikel 76, eerste lid, van de Wgh. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit voor wat betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" dient te worden vernietigd.

2.24.1. Gelet op rechtsoverweging 2.17.4 ziet de Afdeling aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor wat betreft de goedkeruing van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" in stand te laten.

2.25. In hetgeen Kennemerland en Planresearch, [appellant sub 2], de stichting, [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellante sub 7] en anderen, de vereniging en [appellant sub 9] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het door hen aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.26. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 5] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten van Kennemerland en Planresearch, [appellant sub 2], de stichting, [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellante sub 7] en anderen, de vereniging en [appellant sub 9] en anderen bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 5] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 9 juni 2009, kenmerk PHZ-2009-401043 voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden";

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voor zover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden";

IV. verklaart de overige beroepen ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellanten sub 5] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [appellanten sub 5] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Baaren

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

579.