Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8785

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
201001832/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 december 2009, nr. 09-095, heeft de raad het bestemmingsplan "Scholeneiland Odijk 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001832/1/R2.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Bunnik,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Bunnik,

3. E.R. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Bunnik,

4. [appellanten sub 4], wonend te [woonplaats], gemeente Bunnik,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Bunnik,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2009, nr. 09-095, heeft de raad het bestemmingsplan "Scholeneiland Odijk 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2010, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2010, en [appellanten sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2011, waar [appellant sub 3], [appellant sub 1], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 1], [appellanten sub 4] en de raad, vertegenwoordigd door ing. M. Balkema, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het betoog van de raad dat de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] gedeeltelijk niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat zij een aantal beroepsgronden niet eerder in hun zienswijzen naar voren hebben gebracht faalt. Uit artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, volgt dat door een belanghebbende slechts beroep kan worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Hieruit volgt niet dat in beroep ten aanzien van reeds aangevochten onderdelen geen nieuwe beroepsgronden meer naar voren mogen worden gebracht. De zienswijzen van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] hebben betrekking op het gehele plan. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] geheel ontvankelijk.

Het plan

2.2. Het plan voorziet in de herontwikkeling van een voormalig schoolterrein in de kern Odijk. Op het terrein worden maximaal 62 woningen mogelijk gemaakt.

Formeel bezwaar

2.3. [appellant sub 3] betoogt dat er ten onrechte verschillende versies van het vastgestelde plan ter inzage hebben gelegen. Dit is volgens hem onduidelijk en rechtsonzeker.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat het betoog van [appellant sub 3] omtrent de terinzagelegging van het vastgestelde plan betrekking heeft op een onregelmatigheid van na het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van dit besluit niet kan aantasten. Deze mogelijke onrechtmatigheid kan geen reden vormen voor vernietiging van het bestreden besluit.

Aantal woningen

2.4. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] kunnen zich niet verenigen met het aantal in het plan mogelijk gemaakte woningen van 62. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] betogen in dit verband dat de behoefte aan de in het plan voorziene gestapelde woningbouw niet is aangetoond. Volgens hen is het woningmarktonderzoek waarop de raad zich heeft gebaseerd achterhaald. [appellant sub 2] en [appellanten sub 4] betogen daarnaast dat het plan op dit punt is vastgesteld in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat de verwachting is gewekt dat het door omwonenden gekozen alternatief van 22 woningen in het plan zou worden opgenomen. Volgens [appellant sub 3] is dit alternatief ten onrechte niet door de raad bezien. Daarnaast wijzen zij er in dit verband op dat de raad in 2005 een stedenbouwkundig model heeft vastgesteld dat in maximaal 45 woningen voorzag. Dit aantal is volgens hen ten onrechte verhoogd naar 62.

2.4.1. De raad heeft uiteengezet dat in 2005, voorafgaand aan de planologische procedure, een inloopavond is georganiseerd voor omwonenden. Volgens de raad hebben omwonenden hun voorkeur kunnen uitspreken ten aanzien van drie stedenbouwkundige alternatieven, maar zijn er geen verwachtingen gewekt dat deze voorkeur van omwonenden ook in het plan zou worden opgenomen. De raad heeft uiteengezet dat de woningen in het plangebied voornamelijk zijn bedoeld voor starters en senioren. Volgens de raad bestaat er veel behoefte aan woningen voor deze doelgroepen. Gelet hierop heeft de raad ervoor gekozen met het plan in afwijking van het eerdere stedenbouwkundig ontwerp, dat voorzag in 45 woningen, maximaal 62 woningen mogelijk te maken.

2.4.2. Met betrekking tot de woningbehoefte staat in de plantoelichting het beleid uit het Regionaal Structuurplan 2005-2015 weergegeven. Volgens het Regionaal Structuurplan bestaat binnen de regio Utrecht een tekort aan woningen. De inzet is er daarom op gericht toekomstige verstedelijking zo veel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. Volgens de plantoelichting wordt gelet hierop in Bunnik beoogd met substantiële woningbouw de kernen te versterken. Voor Odijk gaat het Structuurplan 2007-2010 uit van 1000 woningen naast de reeds bekende inbreidingslocaties. Uitgangspunt is dat een gevarieerd woningbouwprogramma wordt gerealiseerd met onder meer aandacht voor ouderen en starters. Uit de plantoelichting volgt dat in 2004 een woningmarktonderzoek is verricht. Uit dit onderzoek is gebleken dat in Bunnik een tekort bestaat in zowel het goedkopere koop- als het huursegment. Om die reden wordt in het plan voornamelijk voorzien in gestapelde woningbouw. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de conclusies uit het woningmarktonderzoek thans nog actueel zijn. In hetgeen [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist zou zijn.

2.4.3. De raad dient bij de keuze van de bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. Het is in beginsel aan de raad het aantal woningen in het plan te bepalen. De voor- en nadelen van alternatieven dienen evenwel door de raad in zijn afweging te worden meegenomen. De raad heeft uiteengezet dat bij de voorbereiding van het plan drie alternatieve stedenbouwkundige modellen die voorzagen in verschillende aantallen woningen, in beschouwing zijn genomen. De raad acht het door omwonenden voorgestelde alternatief van 22 woningen minder wenselijk, omdat binnen Bunnik met name behoefte is aan starters- en seniorenwoningen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] niet aannemelijk gemaakt dat er namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat in het plan maximaal 22 woningen zouden worden opgenomen, zodat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het door omwonenden voorgedragen alternatief heeft kunnen afwijzen.

Om zo veel mogelijk aan de woningbehoefte te kunnen voldoen heeft de raad er bij de vaststelling van het plan voor gekozen in afwijking van het eerder gekozen stedenbouwkundig model 62 woningen in het plan op te nemen. De massa en de omvang van de voorziene bebouwing is niet gewijzigd ten opzichte van het eerdere stedenbouwkundig ontwerp. In hetgeen [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling gelet op het vorenstaande geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om het aantal van maximaal 62 woningen in het plan mogelijk te maken.

Stedenbouwkundige inpassing

2.5. [appellant sub 2] en [appellanten sub 4] achten de in het plan voorziene gestapelde woningbouw voorts niet passend in de omgeving. Zij betogen dat in de omgeving van het plangebied uitsluitend grondgebonden eengezinswoningen aanwezig zijn. Het straatbeeld zal ten gevolge van het plan ernstig worden verstoord, aldus [appellant sub 2] en [appellanten sub 4].

2.5.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het plan voorziene bebouwing passend kan worden geacht in de omgeving. Het gaat weliswaar om een andere bebouwingstypologie, maar de woningen zijn volgens de raad op stedenbouwkundig aanvaardbare wijze in de omgeving ingepast.

2.5.2. Blijkens de verbeelding gelezen in samenhang met de artikelen 6.1 en 6.2.1, onder b, van de planregels wordt binnen het plangebied grotendeels gestapelde woningbouw mogelijk gemaakt. Voor de voorziene bebouwing aan de Sint Nicolaaslaan geldt een maximale bouwhoogte van 10,5 meter. Blijkens de plantoelichting zal deze bebouwing worden uitgevoerd met maximaal drie bouwlagen en een plat dak. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene bebouwing passend kan worden geacht in de omgeving. Daartoe acht de Afdeling van belang dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat voor de bestaande woningen in de omgeving van het plangebied een maximale bouwhoogte van 10 meter geldt, hetgeen nagenoeg overeenkomt met de voorziene bouwhoogte van de in het plan voorziene bebouwing. Voorts is gebleken dat rekening is gehouden met de bestaande gevelrooilijnen en is om een goede aansluiting op de omgeving te bewerkstelligen voor de bebouwing aan de zijde van de Cornelis van Sandelaan een maximale bouwhoogte van 7 meter opgenomen. Daarnaast worden om een goede inpassing van de bebouwing in de omgeving te bewerkstelligen aan de straatzijde en aan de westzijde van de appartementen aan de Sint Nicolaaslaan groenvoorzieningen aangelegd.

Aantasting woongenot

2.6. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] betogen voorts dat het plan leidt tot een ernstige aantasting van hun woongenot. In dit verband wijzen zij erop dat de in het plan voorziene bebouwing drie bouwlagen zal krijgen, hetgeen de privacy en het uitzicht ernstig zal aantasten.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de privacy en het uitzicht van omwonenden niet op onevenredige wijze zullen worden aangetast. In dit verband wijst de raad erop dat de in het plan voorziene woningen op ongeveer 30 meter van de bestaande woningen aan de Sint Nicolaaslaan zullen komen te staan.

2.6.2. Ten gevolge van de bouw van de voorziene woningen zal het uitzicht vanuit de woningen aan de Sint Nicolaaslaan veranderen. De Afdeling overweegt echter dat geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mogelijke aantasting van het woongenot door verlies van uitzicht en privacy niet dusdanig ernstig zal zijn dat hij bij de afweging van de betrokken belangen daaraan een groter gewicht zou moeten toekennen dan aan de ontwikkeling van de in het plan voorziene woningen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bestaande woningen aan de Sint Nicolaaslaan op ongeveer 30 meter van de dichtstbijzijnde bouwvlakken zijn gesitueerd. Voorts acht de Afdeling van belang dat de maximale bouwhoogte van de in het plan voorziene bebouwing 10,5 meter bedraagt, hetgeen binnen een dorpskern niet ongebruikelijk is.

Financiële uitvoerbaarheid

2.7. [appellant sub 3] betoogt daarnaast dat onvoldoende duidelijk is of het plan financieel uitvoerbaar is. De realisatieovereenkomst dient volgens [appellant sub 3] te worden gewijzigd ten gevolge van gewijzigde economische omstandigheden. Dit brengt volgens hem onzekerheid met zich. [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] betogen in dit verband voorts dat de uitvoering van het plan, voor zover dat ziet op werken van openbare en infrastructurele aard, ten onrechte niet is aanbesteed.

2.7.1. Op 11 juni 2008 heeft de raad een realisatieovereenkomst gesloten met de ontwikkelaar. De raad heeft uiteengezet dat overleg wordt gevoerd over de gesloten realisatieovereenkomst. De realisatie van het plan is volgens de raad evenwel een gegeven. Naar de precieze uitvoering van het plan wordt opnieuw gekeken. Het overleg hierover heeft met name betrekking op de voorwaarden in de realisatieovereenkomst over de fasering en de verhouding tussen koop- en huurwoningen. In hetgeen [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de uitvoering van het plan onvoldoende is verzekerd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de eventueel bestaande verplichting tot aanbesteding van de uitvoering van het plan in het algemeen op zichzelf niet in de weg kan staan aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] hebben niet onderbouwd dat dit in dit geval anders zou zijn.

Luchtkwaliteit

2.8. [appellant sub 3] brengt voorts naar voren dat het plan ten onrechte niet is getoetst aan de Wet luchtkwaliteit. Volgens hem is ten onrechte uitgegaan van één ontsluitingsweg. In dit verband betoogt hij voorts dat rekening had moeten worden gehouden met de ontwikkeling van de woonwijk Odijk-west.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat sprake is van een kleinschalige ontwikkeling die niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit.

2.8.2. Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Hierbij zijn tevens op 15 november 2007 het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: het Besluit) en de regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: de Regeling) in werking getreden. Bij invoering van titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn krachtens artikel 5.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer in bijlage 3A, zoals deze gold ten tijde van het bestreden besluit, bij de Regeling als categorie van gevallen, waarin het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, woningbouwlocaties aangewezen die - in geval van één ontsluitingsweg - netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten, dan wel - in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling - netto niet meer dan 3000 woningen omvatten. Indien de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt, vindt ingevolge artikel 5.16, derde lid, van de Wet milieubeheer met betrekking tot de effecten van de desbetreffende ontwikkeling geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats. Nu in het onderhavige plan maximaal 62 woningen mogelijk worden gemaakt bestond geen verplichting tot het verrichten van onderzoek.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3] dat de gevolgen van de locatie Odijk-west voor de luchtkwaliteit ten onrechte niet in samenhang met het onderhavige plan zijn bezien, overweegt de Afdeling dat dit een toekomstige ontwikkeling betreft op een locatie die op grond van artikel 5 van het Besluit niet als één locatie met het plangebied kan worden beschouwd. De gevolgen van de ontwikkeling op de locatie Odijk-west voor de luchtkwaliteit behoefden derhalve niet bij het onderhavige plan te worden betrokken.

Weggeluid

2.9. [appellant sub 3] voert daarnaast aan dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de geluidbelasting op de in het plan voorziene woningen. De omstandigheid dat de wegen in de omgeving van het plangebied zijn aangewezen als 30 km-zone is onvoldoende reden om af te zien van een onderzoek naar de geluidbelasting, aldus [appellant sub 3].

2.9.1. De raad heeft uiteengezet dat op grond van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) in dit geval geen verplichting bestaat tot het verrichten van onderzoek naar de geluidbelasting, omdat de wegen in en in de omgeving van het plangebied zijn aangewezen als 30 km-zone. Voorts wijst de raad erop dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening evenwel onderzoek is verricht naar de geluidbelasting. Volgens de raad kan ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gerealiseerd.

2.9.2. Gelet op artikel 74, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 77 van de Wgh behoeft bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan geen akoestisch onderzoek te worden ingesteld indien voor een weg een maximumsnelheid geldt van 30 kilometer per uur. Nu voor de wegen in de omgeving van het plangebied een 30 km-zone is ingesteld heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de Wgh niet van toepassing is op het plan, zodat op grond van deze wet geen akoestisch onderzoek behoefde te worden verricht.

Ten behoeve van het plan is in het kader van een goede ruimtelijke ordening akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting van de wegen in de omgeving van het plangebied op de in het plan voorziene woningen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Beknopt akoestisch onderzoek, locatie Scholeneiland" van april 2008 (hierna: het akoestisch onderzoek). De hoogst berekende geluidbelasting op de gevel van de voorziene woningen is berekend op 55 dB, zo volgt uit het akoestisch onderzoek. Nu de geluidbelasting ten gevolge van de 30 km-wegen de maximale ontheffingswaarde voor gezoneerde wegen van 63 dB niet overschrijdt, kan volgens de raad ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gerealiseerd. De Afdeling is van oordeel dat de raad bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot dit standpunt heeft kunnen komen.

Bebouwingsgrens

2.10. [appellant sub 3] betoogt voorts dat de afstand tussen de bebouwingsgrens en de plangrens ten onrechte geen 7 meter bedraagt. Dit is in strijd met toezeggingen van de wethouder en de architect. Voorts worden de stedelijke randvoorwaarden hierdoor aangetast.

2.10.1. De raad heeft uiteengezet dat de bebouwingsgrens is aangepast, zodat de vanaf de gevel uitstekende balkons binnen de bebouwingsgrens zullen vallen. Hierdoor is de bebouwingsgrens niet meer overal 7 meter, maar afwisselend 7 en 5 meter. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding dit onredelijk te achten. Voor zover hij verwijst naar de toezeggingen van de wethouder en de architect, overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen door ter zake niet beslissingsbevoegden. De raad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten.

Verkeer

2.11. Tot slot betoogt [appellant sub 3] dat het plan zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen, hetgeen overlast tot gevolg zal hebben.

2.11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het aantal verkeersbewegingen dat het plan tot gevolg heeft niet dusdanig zal zijn dat ten gevolge hiervan ernstige overlast is te verwachten. Volgens de raad dient het plan op dit punt te worden vergeleken met de maximale planologische mogelijkheden van het voorgaande plan.

2.11.2. Uit de Nota zienswijze volgt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van het plan is berekend. Volgens deze berekening zal het plan per dag gemiddeld ongeveer 350 verkeersbewegingen tot gevolg hebben. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze berekening onjuist is. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een dusdanige toename van het aantal verkeersbewegingen dat hieraan doorslaggevend gewicht diende te worden toegekend. Daarbij heeft de raad van belang kunnen achten dat het voorgaande bestemmingsplan ter plaatse een school met een relatief grote verkeersaantrekkende werking mogelijk maakte.

Parkeren

2.12. [appellanten sub 4] betogen dat de raad bij het bereken van het aantal benodigde parkeerplaatsen ten onrechte is uitgegaan van de uit 2004 stammende normen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond- Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: het CROW). Op 23 december 2008 is de Nota parkeernormen vastgesteld. De normen uit deze nota hadden volgens [appellanten sub 4] moeten worden toegepast.

2.12.1. De raad heeft uiteengezet dat de parkeernormen in de Nota parkeernormen zijn gebaseerd op de CROW-normen. Deze richtlijnen geven een bandbreedte aan tussen de minimaal en maximaal aantal te realiseren parkeerplaatsen. In de Nota parkeernormen is de systematiek van de CROW-normen vertaald in een situatie voor de gemeente Bunnik. Ingevolge artikel 8.1 van de planregels moet in het plangebied worden voorzien in ten minste 105 parkeerplaatsen. Volgens de Nota zienswijze voldoet het aantal parkeerplaatsen aan de normen van het CROW en aan de Nota parkeernormen. [appellanten sub 4] hebben dit op zichzelf niet bestreden. In hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onjuiste parkeernormen heeft gehanteerd dan wel dat het plan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid.

Groen

2.13. [appellanten sub 4] betogen tot slot dat het plan onvoldoende ruimte biedt voor groenvoorzieningen.

2.13.1. Blijkens de verbeelding is aan de gronden rond de voorziene woningen aan de Sint Nicolaaslaan de bestemming "Groen" toegekend. Ingevolge artikel 3.1 van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor onder meer plantsoenen en groenvoorzieningen. De raad heeft voorts uiteengezet dat bestaande bomen en houtwallen in het plangebied zo veel mogelijk worden gehandhaafd. In hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan onvoldoende ruimte biedt voor groenvoorzieningen.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.14. [appellant sub 1] betoogt dat het plan op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat de prijsvraag die het gemeentebestuur ten aanzien van de ontwikkeling van het plangebied heeft uitgeschreven oneerlijk is verlopen. In dit verband wijst hij erop dat het plan voorziet in 62 woningen, terwijl het in 2005 vastgestelde stedenbouwkundig model met daarin 45 woningen als uitgangspunt voor de prijsvraag diende te gelden.

2.14.1. De raad heeft uiteengezet dat in het stedenbouwkundig model dat in 2005 is vastgesteld voor het plangebied 45 woningen waren opgenomen. Voor de ontwikkeling van het plangebied is een prijsvraag uitgeschreven. De stedenbouwkundige uitgangspunten van het model uit 2005 vormden daarbij één van de beoordelingscriteria. Dat het stedenbouwkundig ontwerp dat door middel van de prijsvraag tot stand is gekomen niet voldoet aan het aantal van 45 woningen, doet naar het oordeel van de Afdeling niet af aan het feit dat het plan volgens de voorgeschreven wettelijke procedure tot stand is gekomen. Zoals reeds overwogen onder 2.4.3 heeft de raad ervoor gekozen 62 woningen in het plan mogelijk te maken om beter aan de bestaande woningbehoefte te kunnen voldoen. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

2.15. [appellant sub 1] betoogt voorts dat in 2004 ten onrechte een sloopvergunning is verleend voor het versneld slopen van het schoolgebouw dat in het plangebied was gesitueerd.

2.15.1. Dienaangaande overweegt dat Afdeling dat in deze procedure het onderhavige plan ter beoordeling staat. Bezwaren ten aanzien van de in 2004 verleende sloopvergunning kunnen derhalve thans niet inhoudelijk aan de orde komen.

Conclusie

2.16. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Proceskosten

2.17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Brand

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

575