Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8780

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
200909191/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Leekerweide" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909191/1/R1.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B], wonend te Oostwoud, gemeente Medemblik, [appellant sub 1 C], wonend te Midwoud, gemeente Medemblik, en anderen,

2. [appellant sub 2], wonend te Oostwoud, gemeente Medemblik, en anderen,

3. [appellanten sub 3] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te Oostwoud, gemeente Medemblik,

en

de raad van de gemeente Medemblik,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Leekerweide" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1 A] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2009, [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2009, en

[appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 3] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 22 december 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in gelegenheid gesteld, heeft de stichting Stichting Leekerweide (hierna: Leekerweide) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2010, waar [appellant sub 1 A] en anderen, bij monde van [gemachtigde] en [appellant sub 1 B], [appellant sub 2] en anderen, bij monde van [gemachtigde], [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. H.A.M. Lamers, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door A. van het Ende-van der Kolk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar Leekerweide, vertegenwoordigd door [algemeen directeur], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een partiële herziening van het geldende bestemmingsplan "Midwoud/Oostwoud" teneinde de oprichting van een woon-zorgcomplex aan de Broerdijk te Oostwoud mogelijk te maken.

Ontvankelijkheid

2.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.1. [appellant sub 1 B] en [appellant sub 1 C] wonen op een afstand van meer dan 750 meter van het plangebied. Vanuit hun woningen hebben zij geen zicht op het betrokken plandeel. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die met het plan mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben [appellant sub 1 B] en [appellant sub 1 C] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 1 B] en [appellant sub 1 C] geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro geen beroep kunnen instellen.

Het beroep van [appellant sub 1 A] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 1 B] en [appellant sub 1 C], is niet-ontvankelijk.

Formele aspecten

2.3. [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van het plan. Zij voeren hiertoe aan dat zij onheus zijn bejegend.

2.3.1. De Afdeling overweegt hieromtrent dat wat hiervan zij, niet is gebleken dat [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen hierdoor zijn belemmerd om hun zienswijzen in vrijheid naar voren te brengen.

2.4. Voorts betogen [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen dat verwarring is ontstaan omdat diverse procedures, te weten een artikel 19-vrijstellingsprocedure, een bouwvergunningsprocedure en de bestemmingsplanprocedure, tegelijk liepen.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat niet is gebleken dat de raad verwarring heeft doen ontstaan, maar dat de raad zorgvuldig heeft gehandeld doordat hij in de procedure inzake de vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en de bouwvergunning in een brief van 29 januari 2009 heeft gewezen op de in gang gezette bestemmingsplanprocedure en de mogelijkheden om daartegen zienswijzen in te dienen. Overigens volgt uit de Wro, noch uit een ander wettelijk voorschrift dat bedoelde procedures niet tegelijk mogen plaatsvinden.

2.5. Wat betreft de bezwaren die [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen hebben tegen de gevolgde procedure inzake de vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO en de terinzagelegging hiervan gedurende de zomervakantie, overweegt de Afdeling dat deze in deze procedure buiten beschouwing dienen te blijven.

2.6. Tevens stellen [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen dat beantwoording van de ingediende zienswijzen tegen het ontwerpplan buiten de gestelde termijn heeft plaatsgevonden.

2.6.1. [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen voeren op zich terecht aan dat de in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro gestelde termijn is overschreden. Uit deze wettelijke bepaling, noch uit enige andere bepaling kan echter worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Het door [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen op dit punt aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

2.7. Voorts betogen [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen dat de raad in strijd met de privacyregels heeft gehandeld door de namen en adressen van de indieners van de zienswijzen openbaar te vermelden in de beantwoording van de zienswijzen door toezending daarvan aan alle indieners.

2.7.1. De Afdeling overweegt dat de gemeentelijke reactienota na vaststelling van het plan aan alle indieners van zienswijzen is toegezonden als bijlage bij de mededeling van het besluit tot vaststelling. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Hierin, noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan de raad gehouden is om een zienswijze in een zienswijzennota die naar de indieners van een zienswijze wordt toegezonden, te anonimiseren. Het betoog faalt.

2.8. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen dat in het koopcontract met omwonenden ten onrechte is opgenomen dat zij geen planschadeverzoek mogen indienen, overweegt de Afdeling dat, daar dit een privaatrechtelijk aspect betreft, dit punt reeds hierom in deze procedure geen rol kan spelen.

2.9. Het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat de direct omwonenden verschillend en onvoldoende zijn geïnformeerd faalt, reeds omdat dit betoog niet nader is onderbouwd.

Inhoudelijke aspecten

2.10. [appellant sub 1 A] en anderen, [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] betogen dat de bouwmassa en de functie van het woon-zorgcomplex vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet aanvaardbaar zijn in een landelijke omgeving. [appellant sub 3] voegt hieraan toe dat de volumineuze bebouwing zoals voorzien is in de tweede lijn achter de lintbebouwing van de Broerdijk vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zeer ongewenst is. Verder betoogt hij dat de toets van de raad aan de welstandsnota onvoldoende is nu hierin geen ruimtelijke criteria zijn opgenomen. Ook betoogt hij dat de raad onvoldoende is ingegaan op de door hem naar voren gebrachte bezwaren.

2.10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plangebied is gelegen tussen de kernen Midwoud en Oostwoud, en dat deze regio zich kenmerkt door een grootschalig open polderlandschap met verspreid voorkomende (agrarische) bebouwing. De meeste kernen in deze regio bestaan uit lintvormige bebouwing, welke op verschillende plaatsen in elkaar overlopen. Het aaneen laten groeien van Midwoud en Oostwoud met behoud van de eigen karakteristiek past in deze praktijk. Voorts merkt de raad op dat het plangebied in een overgangsgebied ligt en geen deel uitmaakt van het (agrarisch) buitengebied en dat er geen grond bestaat voor de opvatting dat de voorziene bebouwing volumineus is. De raad wijst in dit kader op twee afbeeldingen in de plantoelichting die de situering binnen het plangebied en in de stedenbouwkundige structuur tonen. Voorts benadrukken de welstandelijke uitgangspunten - waaronder het welstandscriterium dat betrekking heeft op agrarische bedrijfsbebouwing - en de gebiedsgerichte opzet dat het plan een versterking van de ruimtelijke ordening ter plaatse betreft, aldus de raad.

2.10.2. Aan de gronden waar het woon-zorgcomplex is voorzien is de bestemming "Wonen-Wooncentrum (W-WC)" toegekend.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming aangewezen voor een gebouw ten behoeve van de huisvesting van bijzondere doelgroepen, zoals bejaarden en gehandicapten, alsmede ten behoeve van voorzieningen die benodigd zijn voor het verlenen van sociale, sociaal-medische en/of medische verzorging en/of begeleiding alsmede voor dagbesteding voor personen die tot deze groep behoren.

Ingevolge artikel 3, lid 2.1, aanhef en onder e, van de planregels, mag het aantal woningen op het bouwperceel maximaal 18 bedragen.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder c, mag het bebouwingspercentage van het bouwvlak ten hoogste 60% bedragen.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder d, dient een (of meerdere) gevel(s) van het hoofdgebouw in de op de plankaart aangegeven voorgevelrooilijn te worden gebouwd.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder f en g, mag de bouwhoogte ten hoogste 9 meter bedragen en de goothoogte maximaal 3,5 meter.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder h, mag de dakhelling van een hoofdgebouw minimaal 30º en maximaal 45º bedragen.

Blijkens de verbeelding heeft het bouwvlak een oppervlakte van ongeveer 2.500 m².

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 35, van de planregels wordt onder een woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden bedoeld.

In de plantoelichting staat dat aan deze gronden in het voorgaande plan "Midwoud/Oostwoud" de bestemming "Agrarisch Gebied" was toegekend; deze bestemming stond de realisatie van een woon-zorgcentrum niet toe.

2.10.3. In de plantoelichting staat dat de lintbebouwing ter plaatse van het plangebied grotendeels gekenmerkt wordt door kleinschalige woningen, welke direct aan de weg zijn gesitueerd en bestaan uit één bouwlaag met een kap. Uit de plantoelichting volgt tevens dat de raad het als belangrijk uitgangspunt van zijn beleid beschouwt om de ruimtelijke karakteristiek van het gebied zoveel mogelijk te behouden en waar mogelijk te versterken. Gelet op de verbeelding in samenhang bezien met artikel 3, lid 2.1 van de planregels, mag een gebouw van ongeveer 1.500 m² worden gerealiseerd bestaande uit één bouwlaag met een kap. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een dergelijke bouwmassa niet te volumineus zal zijn en passend is in de omgeving, gelet op de reeds aanwezige (agrarische) bebouwing nabij het plangebied met een vergelijkbare oppervlakte en de woningen bestaande uit één bouwlaag met een kap.

Ten aanzien van het standpunt van [appellant sub 3] omtrent de situering van het woon-zorgcomplex in de tweede lijn, overweegt de Afdeling dat het plangebied gelegen is aan een kruising en derhalve weliswaar vanuit zuidelijke richting bezien achter de ter plaatse aanwezige lintbebouwing is voorzien, maar dat het woon-zorgcomplex vanuit oostelijke richting gesitueerd is aan de Broerdijk, gedeelte omleidingsweg, en zich ook naar deze zijde presenteert, hetgeen blijkt uit de ligging van de voorgevelrooilijn op de verbeelding. Vanuit deze zijde is geen sprake van bebouwing in de tweede lijn. De Afdeling ziet dientengevolge geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situering van de bebouwing past in de omgeving.

In het standpunt van [appellant sub 1 A] en anderen, [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] dat de in het plan mogelijk gemaakte functies uit stedenbouwkundig oogpunt niet passen in een landelijke omgeving, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het merendeel van de woningen aan de Broerdijk in de omgeving van het plangebied in gebruik is als burgerwoning. Een woonfunctie die niet verbonden is met een agrarisch bedrijf is in de omgeving derhalve niet ongewoon.

Daargelaten dat een welstandsnota in het bijzonder is bedoeld voor de toetsing van bouwplannen, zijn in de Welstandsnota Noorder-Koggenland 2006 niet alleen welstandscriteria opgenomen maar bevat deze nota ook aanknopingspunten voor stedenbouwkundige uitgangspunten in een gebied. Overigens is niet gebleken dat de raad voor de vraag of de beoogde bebouwing passend is in de omgeving het plan alleen aan deze welstandsnota heeft getoetst, maar dat de raad zich mede hierop heeft gebaseerd. Derhalve kan niet geconcludeerd worden dat de raad bij de vaststelling van het plan geen stedenbouwkundige afweging heeft gemaakt.

Ten aanzien van het standpunt van [appellant sub 3] dat de raad onvoldoende is ingegaan op zijn zienswijze overweegt de Afdeling het volgende. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.11. [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad in zijn afweging niet heeft betrokken dat de bestemming een verandering van de doelgroep toelaat. In dat verband voeren zij aan dat ten onrechte een veiligheidsplan ontbreekt. Tevens betogen [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen dat de doelgroep niet in een landelijke omgeving behoort te worden opgevangen vanwege het ontbreken van voorzieningen. Dit is onvoldoende bij de afweging betrokken. Verder voeren zij aan dat niet tegen een uitbreiding kan worden opgekomen. Tot slot voeren zij aan dat er geen maatschappelijk draagvlak bestaat voor het woon-zorgcomplex.

2.11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met het plan is beoogd woonruimte te bieden aan verstandelijk gehandicapten die in meer of mindere mate zorg en/of begeleiding vragen. De in het plan mogelijk gemaakte vorm van wonen is in lijn met een verschuiving in het landelijk beleid, geënt op meer zelfredzaamheid. Daarbij wijst de raad erop dat Leekerweide is toegerust voor woonondersteuning en niet voor behandeling, dat zij ervaring heeft met huisvesting en zorg van de doelgroep binnen de gemeente Medemblik en dat haar werkwijze is gericht op het voorkomen van incidenten, waarbij de veiligheid van cliënten, medewerkers en omwonenden voldoende gewaarborgd is. De raad heeft daarom geen aanleiding gezien een veiligheidsplan op te laten stellen. De raad deelt de opmerking van [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen dat er onvoldoende draagvlak zou zijn, niet, en stelt dat in de politieke context noch in de beroepsprocedure, gelet op het aantal ingestelde beroepen, sprake is van grote weerstand.

2.11.2. In de plantoelichting staat, zoals ook ter zitting door de raad nader is toegelicht, dat beoogd wordt ter plaatse een woon-zorgcomplex te realiseren dat woonruimte biedt aan verstandelijk gehandicapten die binnen het complex zelfstandig kunnen wonen, maar daarbij in meer of mindere mate zorg en/of begeleiding nodig hebben. Hiertoe zullen binnen het complex 18 wooneenheden worden gerealiseerd alsmede ruimten ten behoeve van de benodigde zorg en/of begeleiding.

Gelet op de in artikel 3 voor de bestemming "Wonen-Wooncentrum (W-WC)" opgenomen planregels en de hierbij behorende toelichting staat de huisvesting van de desbetreffende bijzondere doelgroep in afzonderlijke wooneenheden centraal. De door [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen gevreesde verandering van de doelgroep, die een zodanige verzorging en/of begeleiding met zich brengt waardoor niet langer huisvesting centraal staat, laat het plan niet toe. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid kunnen aannemen dat in het plan voldoende vastligt wat de beoogde en uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening gewenste invulling van het plangebied is en dat niet valt in te zien dat het voorziene woon-zorgcomplex tot overlast zal leiden. In het geval dat toch overlast ontstaat, heeft de raad toegezegd dat handhaving zal plaatsvinden op grond van de algemene plaatselijke verordening, zoals ook elders binnen de gemeente bij overlast gebeurt. Wat betreft het gewenste veiligheidsplan overweegt de Afdeling dat het opstellen daarvan als een aspect van uitvoering niet in de bestemmingsplanprocedure aan de orde kan komen.

2.11.3. De raad heeft voorts aan het standpunt van [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen dat, gelet op het aanwezige voorzieningenniveau ter plaatse, de beoogde locatie niet geschikt zou zijn voor de vestiging van een woon-zorgcomplex geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen, reeds nu dit standpunt gebaseerd is op de zogenoemde module Zorg&Stad en deze niet toepasbaar is voor landelijk gebied.

2.11.4. Voor zover [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen vrezen voor uitbreiding, wijst de Afdeling op artikel 3, lid 2.1, onder e, van de planregels, waaruit volgt dat het voorziene woon-zorgcomplex uit maximaal 18 woningen mag bestaan en het plan derhalve niet voorziet in uitbreiding.

2.11.5. Verder brengt de omstandigheid dat niet bij iedereen draagvlak is voor het in geding zijnde bestemmingsplan niet mee dat de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan in gevaar is.

2.12. Tenslotte stellen [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 2] en anderen dat het plan op oneigenlijke gronden tot stand is gekomen, omdat de raad ten behoeve van de financiering van de omleiding Oostwoud, bestaande uit een randweg en een rotonde, medewerking heeft verleend aan Leekerweide.

2.12.1. In het raadsbesluit van 11 oktober 2004 staat dat de raad met verkoop van het desbetreffende perceel aan Leekerweide heeft beoogd extra financiële dekking te creëren ten behoeve van de realisatie van de omleiding Oostwoud. De omstandigheid dat uitvoering van het plan voor de gemeente mogelijk financieel gunstig is, brengt nog niet met zich dat de raad op oneigenlijke wijze van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Het betoog faalt.

2.13. In hetgeen [appellant sub 1 A] en anderen, [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1 A] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 1 B] en [appellant sub 1 C] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

270-667.