Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8774

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
201008515/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2009 heeft het college, voor zover hier van belang, een verzoek van onder meer [appellant] om toepassing van handhavingsmiddelen ten aanzien van de werkplaats aan de [locatie], afgewezen.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2011/3663
JOM 2011/354
OGR-Updates.nl 2011-04-11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008515/1/M2.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2009 heeft het college, voor zover hier van belang, een verzoek van onder meer [appellant] om toepassing van handhavingsmiddelen ten aanzien van de werkplaats aan de [locatie], afgewezen.

Bij besluit van 20 juli 2010 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 17 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2011, waar [appellant], in persoon en vertegenwoordigd door mr. H. Martens, en het college, vertegenwoordigd door R.A. Feber, werkzaam bij de gemeente Apeldoorn, zijn verschenen. Voorts is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Multiwerk B.V., vertegenwoordigd door H. Buter, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht zoals dat is opgenomen in art. 1.6, eerste lid, van de invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat het verzoek tot handhaving voor de inwerkingtreding van de Wabo is afgewezen. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. [appellant] voert aan dat het college ten onrechte het verzoek om handhaving heeft afgewezen. Hij stelt dat het college handhavend had dienen op te treden vanwege de constatering dat de geldende geluidnormen van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) worden overschreden ten gevolge van het gebruik van de werkplaats. Volgens hem was er, anders dan waarvan het college uit lijkt te gaan, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen concreet zicht op legalisatie vanwege het voornemen van het college om maatwerkvoorschriften te stellen, omdat ten tijde van het nemen van dit besluit ten behoeve van dit voornemen nog geen ontwerpbesluit ter inzage was gelegd.

2.2.1. Blijkens het besluit van 13 november 2009 is op basis van geluidmetingen van 7 oktober 2009 geconstateerd dat de geldende geluidnorm voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor de avondperiode van het Activiteitenbesluit wordt overschreden vanwege het gebruik van houtbewerkingsmachines in de werkplaats. Voorts is volgens dit besluit op basis van een geluidberekening geconstateerd dat in de avond- en nachtperiode de geluidnormen voor het maximale geluidniveau ruimschoots worden overschreden ten gevolge van transportbewegingen met bedrijfsvoertuigen en het laden en lossen op de inrit van de [locatie]. Uit het bestreden besluit en hetgeen het college ter zitting heeft opgemerkt is gebleken dat deze overschrijdingen van de geluidnormen zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog steeds voordeden. Het college was in zoverre bevoegd om handhavend op te treden.

2.2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.3. Blijkens het bestreden besluit stelt het college zich op het standpunt dat er wat betreft de geconstateerde overtredingen concreet zicht is op legalisatie, omdat het college voornemens is om maatwerkvoorschriften te stellen ten gevolge waarvan de overschrijdingen van de geldende geluidnormen zich niet langer voordoen. Ter zitting heeft het college opgemerkt dat de maatwerkvoorschriften die het wil stellen onder meer zien op een beperking van het gebruik van de minishovel, een verbod op het gebruik van bestelwagens na een bepaald tijdstip en het kierdicht maken van de ramen van de werkplaats.

2.2.4. Voor het bestaan van concreet zicht op legalisatie is in deze zaak onder meer van belang of de maatwerkvoorschriften die het college voornemens is te stellen, strekken tot legalisatie van de thans bestaande, niet met het Activiteitenbesluit in overeenstemming zijnde situatie.

De maatwerkvoorschriften die het college voornemens is te stellen strekken niet tot legalisatie van de bestaande situatie. De maatwerkvoorschriften, zoals omschreven door het college, zien immers op een verbod op de activiteiten waardoor de geldende geluidnormen worden overschreden. De bestaande situatie komt in zoverre niet overeen met de situatie waarop de maatwerkvoorschriften zien. Gelet hierop was er reeds om deze reden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen concreet zicht op legalisatie. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk gemotiveerd.

2.3. Het beroep is gegrond. Het besluit van 20 juli 2010 dient wegens strijd met 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 20 juli 2010, kenmerk Pub/JAV/JG/2010-048428;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

375-578.