Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8772

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
201008253/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 december 2009 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën wegens ongeschiktheid ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008253/1/H3.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 22 juli 2010 in zaak nrs. 10/2058 en 10/2062 in de gedingen tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2009 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën wegens ongeschiktheid ongeldig verklaard.

Bij uitspraak van 23 februari 2010 heeft de voorzieningenrechter het besluit tot en met zes weken na de bekendmaking van het besluit op het daartegen gemaakte bezwaar geschorst.

Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het CBR het door [appellant] tegen het besluit van 30 december 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 september 2010.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2011, waar [appellant] in persoon en het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, werkzaam in zijn dienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid, dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR, onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, eerste volzin, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, tweede lid, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen, waarin daarvan sprake is.

Ingevolge het derde lid, eerste volzin, deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek, onderscheidenlijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen voldoet.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In paragraaf 8.8 van de bijlage staat dat voor de beoordeling of sprake is van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid, aldus die passage.

2.2. Het CBR heeft het besluit van 30 december 2009 doen steunen op de uitkomst van onderzoeken naar de geschiktheid, uitgevoerd door een psychiater op 20 augustus 2009 (hierna: het eerste onderzoek) en door een arts en een andere psychiater op 14 november 2009 (hierna: het tweede onderzoek). Bij beide onderzoeken is op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gesteld. Volgens de psychiater die het tweede onderzoek heeft uitgevoerd is aannemelijk dat [appellant] op of omstreeks 21 augustus 2009 met misbruik van het middel is gestopt. Aangezien op dat moment nog geen recidiefvrije periode van een jaar was verstreken, heeft het CBR [appellant] ongeschikt geoordeeld voor het besturen van motorrijtuigen.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat het CBR zich op de verslagen van bevindingen van de onderzoeken mocht baseren, heeft miskend dat in de uitspraak van 23 februari 2010 terecht is geoordeeld dat de tegenstrijdigheden en verschrijvingen in deze verslagen zodanige gebreken zijn, dat het CBR zich daarop niet mocht baseren. Voorts is in de verslagen van bevindingen ten onrechte niet vermeld, op basis van welke gegevens de diagnose is gesteld, aldus [appellant]. De vaststelling bij het eerste onderzoek van een verhoogde ALAT-waarde rechtvaardigt volgens hem de conclusie van alcoholmisbruik niet, nu de overige bloedwaarden niet verhoogd waren. Hij voert verder aan dat bij het tweede onderzoek slechts steekproefsgewijs enkele vragen aan hem zijn gesteld en in het verslag van bevindingen de antwoorden zijn overgenomen die hij bij het eerste onderzoek heeft gegeven. Nu de psychiater zelf slechts een minuut bij dat onderzoek aanwezig was, beschikte deze onder die omstandigheden niet over voldoende gegevens om de diagnose alcoholmisbruik te stellen, aldus [appellant].

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 april 2007 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://200606675/1">200606675/1</a>), bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik is gesteld slechts aanleiding om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten, indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dan wel zodanig inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet concludent is, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

2.3.2. Volgens het verslag van bevindingen van het eerste onderzoek heeft de psychiater voor de gestelde psychiatrische diagnose onder meer van belang geacht dat [appellant] heeft verklaard dat hij bij de aanhouding op 15 juni 2009, waarbij een ademalcoholgehalte van 805 µg/l is vastgesteld, zich goed in staat voelde om te rijden en een afstand van ongeveer vijf kilometer had gereden. Voorts heeft de psychiater van belang geacht dat [appellant] heeft verklaard dat hij het effect van de alcohol die hij voor de aanhouding had gedronken pas na het derde glas had gevoeld. Hierin heeft de psychiater aanwijzingen voor een verhoogde tolerantie voor alcohol gevonden. Deze tolerantie ten tijde van de aanhouding duidt volgens de psychiater waarschijnlijk op onderrapportage van het alcoholgebruik. De psychiater heeft verder persistentie in het alcoholgebruik van [appellant] geconstateerd, aangezien hij is aangehouden met voormeld alcoholgehalte, terwijl hij in verband met een hoge bloeddruk onder behandeling van een cardioloog staat, waarbij het medisch advies wordt gegeven het alcoholgebruik te beperken. De psychiater heeft, mede lettend op de aanhoudingsgegevens, meest aannemelijk geacht dat de verhoogde waarde van ALAT die bij het onderzoek is vastgesteld door alcoholmisbruik is veroorzaakt.

De psychiater die het tweede onderzoek heeft uitgevoerd heeft onderrapportage van het alcoholgebruik vastgesteld, omdat het door [appellant] opgegeven alcoholgebruik bij de aanhouding niet in overeenstemming is met het daarbij geconstateerde alcoholgehalte. Verder heeft de psychiater onder meer een verhoogde tolerantie voor alcohol en controleverlies geconstateerd.

Aangezien bij het tweede onderzoek werd vastgesteld dat de waarde van ALAT was genormaliseerd, heeft de psychiater aannemelijk geacht dat [appellant] sinds het eerste onderzoek met alcoholmisbruik is gestopt.

2.3.3. De voorzieningenrechter heeft in de aangevallen uitspraak met juistheid de door [appellant] aangevoerde tegenstrijdigheden en verschrijvingen in de verslagen van bevindingen in de motivering van het besluit van 4 mei 2010 in zodanig ruime mate opgehelderd of toegelicht geacht, dat het CBR zich in dit besluit op die verslagen mocht baseren.

De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat, waar in het eerste verslag van bevindingen onder paragraaf 3.2.2.1 ter motivering van de bevestigend beantwoorde stelling "betrokkene voelde zich bij de aanhouding goed in staat te rijden met een verhoogd promillage" is vermeld dat [appellant] zich bij de aanhouding niet goed in staat voelde te rijden met een promillage van 1,852, dit een kennelijke verschrijving is, aangezien onder paragraaf 3.1, waar de omstandigheden bij de overtreding zijn beschreven, is vermeld dat [appellant] zich bij de aanhouding goed in staat voelde om te rijden en hij zich niet nuchter voelde tijdens het rijden, maar wel capabel genoeg. De enkele ontkenning van [appellant] dat hij dat heeft verklaard, is onvoldoende om aan de juistheid van de vermelding door de psychiater dat hij deze verklaringen bij het eerste onderzoek heeft afgelegd te twijfelen. Uit het verslag van bevindingen blijkt derhalve voldoende duidelijk, waarop de vaststelling van een verhoogde alcoholtolerantie is gebaseerd. De stelling van [appellant] dat hij niet in de stad, maar op het platteland heeft gereden maakt het vorenstaande, wat hiervan ook zij, niet anders.

De voorzieningenrechter heeft evenzeer met juistheid overwogen dat de verhoogde ALAT-waarde weliswaar op zichzelf het vermoeden van alcoholmisbruik niet rechtvaardigt, maar deze waarde ook niet op zichzelf, maar in samenhang met alle andere bevindingen van belang is geoordeeld. Voorts heeft de psychiater die het eerste onderzoek heeft uitgevoerd andere mogelijke oorzaken van het verhoogde ALAT onderzocht en niet aannemelijk geacht en is bij het tweede onderzoek vastgesteld dat deze waarde is genormaliseerd, nadat [appellant] naar eigen zeggen na de aanhouding zijn alcoholgebruik heeft geminderd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 30 juli 2008 in zaak nr. 200709060/1), is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat de afwijkende waarde in het laboratoriumonderzoek is veroorzaakt door andere factoren dan alcoholmisbruik. Dit heeft [appellant] niet gedaan. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 november 2009 in zaak nr. 200903012/1/H3), is het voorts zelfs mogelijk dat ook in geval van de zwaardere kwalificatie chronisch overmatig alcoholgebruik geen van de waarden die daarvoor een indicatie vormen verhoogd is. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat het derhalve, zelfs wanneer een laboratoriumonderzoek in het geheel geen aanwijzingen voor alcoholmisbruik oplevert, mogelijk is dat de keurend arts op basis van de overige gegevens, in hun onderlinge samenhang bezien, de diagnose alcoholmisbruik stelt.

Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 maart 2010 in zaak nr. 200904012/1/H3), is er een specialistisch rapport, als bedoeld in paragraaf 8.8 van de bijlage van de Regeling, indien de betreffende specialist, de psychiater, de betrokkene zelf heeft gezien en aldus direct bij ten minste enig onderdeel van het onderzoek betrokken is geweest. Het is niet aan de bestuursrechter om te beoordelen of het contact dat de psychiater met betrokkene heeft gehad toereikend is geweest voor de door deze gestelde diagnose. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot de beperkte betrokkenheid van de psychiater bij het tweede onderzoek faalt. Dat de psychiater die het tweede onderzoek heeft uitgevoerd de antwoorden op enkele vragen, naar gesteld, niet heeft ontleend aan eigen onderzoek, maar aan het verslag van bevindingen van de eerdere psychiater, maakt, wat daarvan ook zij, het vorenstaande niet anders, nu het verslag van de psychiater op doorslaggevende punten van eigen onderzoek getuigt. Dat de in dit verslag vermelde vragen tijdens het onderzoek, naar gesteld, niet letterlijk aan [appellant] zijn gesteld, is onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van het verslag te twijfelen. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat [appellant] bij het tweede onderzoek heeft verklaard dat hij zichzelf als een gewoontedrinker beschouwt, nu in paragraaf 3.2.1.2 van het verslag van bevindingen de stelling "betrokkene beschouwt zichzelf in de periode van 12 maanden voorafgaand aan de laatste aanhouding als een gewoonte- of probleemdrinker" met "nee" is beantwoord en de psychiater bij brief van 9 februari 2010 aan het CBR te kennen heeft gegeven dat dit antwoord waarschijnlijk ten onrechte in het verslag is blijven staan, is dit onvoldoende voor het oordeel dat het verslag van bevindingen zodanige gebreken vertoont, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

419-598.