Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8769

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
201008318/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2005 (lees: 2006) heeft de raad percelen zoals aangegeven op de bij het besluit behorende tekening, waaronder percelen van de Stichting, aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) van toepassing zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008318/1/H3.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. de stichting Stichting Bevordering Zelfrealisatie Knibbelweg, gevestigd te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas;

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te [woonplaats];

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats];

4. [appellante sub 4], wonend te [woonplaats];

(hierna tezamen en in enkelvoud: de Stichting),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 juli 2010 in zaken nrs. 09/826, 09/825, 09/823, 09/820 in het geding tussen:

de Stichting

en

de raad van de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle, thans gemeente Zuidplas (hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2005 (lees: 2006) heeft de raad percelen zoals aangegeven op de bij het besluit behorende tekening, waaronder percelen van de Stichting, aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) van toepassing zijn.

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft de raad de geldigheidsduur van dat besluit met een jaar verlengd.

Bij besluit van 16 december 2008, verzonden op 8 januari 2009, heeft de raad het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de Stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 september 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2011, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. M.A. de Oude, advocaat te Zoetermeer, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvg, zoals dat luidde ten tijde van belang, kunnen bij besluit van de gemeenteraad gronden, begrepen in een structuurplan, waarbij aanwijzingen zijn gegeven voor de bestemming, of in een bestemmingsplan, worden aangewezen als gronden, waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van toepassing zijn.

Ingevolge het tweede lid komen voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid alleen in aanmerking gronden, waaraan bij het structuurplan, onderscheidenlijk het bestemmingsplan een niet-agrarische bestemming is toegedacht, onderscheidenlijk gegeven en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan.

Ingevolge het vierde lid geldt een besluit als bedoeld in het eerste lid, dat betrekking heeft op in een structuurplan begrepen gronden, voor een daarbij te stellen termijn van ten hoogste twee jaar. De gemeenteraad kan de in de eerste zin bedoelde termijn één maal met ten hoogste één jaar verlengen.

Ingevolge artikel 9.4.1, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening wordt een besluit tot aanwijzing van gronden, begrepen in een structuurplan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, in voorkomend geval na verlenging als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wvg zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wvg zoals dit luidt na de inwerkingtreding van deze wet. De termijn, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wvg zoals dit luidt na de inwerkingtreding van deze wet, bedraagt voor een aanwijzingsbesluit als bedoeld in de eerste volzin, dat is genomen vóór inwerkingtreding van deze wet, twee jaar en vijf maanden waarbij de gemeenteraad deze termijn met ten hoogste een jaar kan verlengen en voor een reeds verlengd besluit in zijn totaliteit drie jaar en vijf maanden.

2.2. De raad heeft de aanwijzing van de percelen gebaseerd op het Intergemeentelijk Structuurplan Zuidplas (het structuurplan), welk plan een beschrijving geeft van de toekomstige ontwikkelingen in de Zuidplaspolder, een gebied tussen Rotterdam, Zoetermeer en Gouda. In dit structuurplan hebben de percelen van de Stichting de aanduiding "Glastuinbouwbedrijvenlandschap".

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft de raad voor een deel van het gebied het bestemmingsplan "Zuidplas-Noord" vastgesteld. In dit plan zijn de percelen opgenomen.

2.3. De Stichting heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Wvg. Zij heeft betoogd dat de voorziene glastuinbouw in alle varianten een agrarische activiteit is en dat ook als die wordt uitgeoefend in combinatie met niet-agrarische bedrijvigheid, de agrarische activiteiten uitgangspunt blijven.

2.4. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling heeft overwogen met betrekking tot het besluit van 31 januari 2006 (uitspraak van 16 juli 2008 in zaak nr. 200802103/1, overweging 2.4.; www.raadvanstate.nl), is ten aanzien van de in het structuurplan voorziene bestemmingsaanwijzing "Glastuinbouwbedrijvenlandschap" voldaan aan de in artikel 2, tweede lid, van de Wvg gestelde voorwaarde dat voor een aanwijzing alleen gronden in aanmerking komen waaraan een niet-agrarische bestemming is toegedacht. De Afdeling heeft daarbij onder meer van belang geacht dat de traditionele glastuinbouw in dit gebied niet meer mogelijk zal zijn en dat in het gehele gebied niet-agrarische functies mogen worden toegevoegd aan en gecombineerd met een moderne variant glastuinbouw. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het besluit voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Wvg.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

290.