Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8767

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
201001881/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2009, nummer 2009INT253311, heeft het college besloten aan de raad van de gemeente Houten een aanwijzing te geven ertoe strekkende dat het plangebied, zoals aangegeven op de bij het besluit van het college gevoegde kaart, geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan "Poeldijk", zoals dat door de raad bij besluit van 24 november 2009, nummer 2009-052, is vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Wet ruimtelijke ordening 4.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/167
JOM 2011/351
JG 2011/40 met annotatie van mr. drs. H. Doornhof
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001881/1/R2.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te 't Goy, gemeente Houten,

2. de raad van de gemeente Houten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2009, nummer 2009INT253311, heeft het college besloten aan de raad van de gemeente Houten een aanwijzing te geven ertoe strekkende dat het plangebied, zoals aangegeven op de bij het besluit van het college gevoegde kaart, geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan "Poeldijk", zoals dat door de raad bij besluit van 24 november 2009, nummer 2009-052, is vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2010, en de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. L.J. Gerritsen, advocaat te Nijmegen, de raad, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn, en G.A. den Besten en R.D. de Goede, beiden werkzaam bij de gemeente, en het college, vertegenwoordigd door N.M. van Hattem, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging voor de bestaande bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning van een koel- en fruitsorteerbedrijf in een burgerwoning op het perceel Poeldijk 3 en 3a te Houten. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan in de bouw van een nieuwe woning op het perceel, kadastraal bekend sectie L nr. 100, ten oosten van het perceel Poeldijk 3 en 3a, door het geven van de bestemming "Wonen-Vrijstaand" aan dat perceel.

2.2. Op 23 juni 2008 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Beleidslijn nieuwe Wro (hierna: de Beleidslijn) vastgesteld. De Beleidslijn categoriseert de hoofdzakelijk in het Streekplan Utrecht 2005-2015 (hierna: het Streekplan) opgenomen beleidsregels en richtinggevende beleidsuitspraken in - onder meer - beleid van provinciaal belang. De Beleidslijn beoogt hiermee de provinciale belangen, aangeduid als categorie 1, in kaart te brengen. Ter realisering van het beleid van provinciaal belang kan de provincie het instrumentarium van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) inzetten. De richtinggevende beleidsuitspraak uit het Streekplan dat de verstedelijkingsambitie moet plaatsvinden binnen de rode contour, is als categorie 1 aangemerkt. Voorts is de zogenoemde ruimte-voor-ruimteregeling aangemerkt als categorie 1. Deze regeling heeft betrekking op vrijkomende bebouwing in het buitengebied en is gericht op kwaliteitswinst door ontstening van het landelijk gebied via (gedeeltelijke) sloop van voormalige bedrijfsbebouwing, in combinatie met vervangende woningbouw (ruimte voor ruimte). Bij de sloop van alle voormalige bedrijfsgebouwen, met een ondergrens van 1000 m2, is de bouw van één extra woning mogelijk, aldus de Beleidslijn.

2.3. Provinciale staten van Utrecht hebben op grond van artikel 4.1, eerste en derde lid, van de Wro op 21 september 2009 de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht 2009 (hierna: de Verordening) vastgesteld. De Verordening is op 23 december 2009 bekendgemaakt en op 24 december 2009 in werking getreden.

Ingevolge artikel 4.1, derde lid, van de Verordening bevat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als "Landelijk gebied" geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan.

Ingevolge artikel 4.9, eerste lid, voor zover hier van belang, kan een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als "Ruimte voor Ruimte" bestemmingen en regels bevatten die de bouw van een nieuwe woning toestaan, mits alle bestaande voormalige, cultuurhistorisch niet waardevolle, bedrijfsgebouwen met een ondergrens van 1000 m2 zijn gesloopt en omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.

Ingevolge artikel 4.9, vierde lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kan het college van gedeputeerde staten ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid ter zake van de oppervlakte van de te slopen bebouwing, mits is voorzien in een extra ruimtelijke kwaliteitsimpuls.

Het plangebied ligt volgens de bij de Verordening behorende kaarten in een gebied met de aanduidingen "Landelijk gebied" en "Ruimte voor Ruimte".

2.4. Ingevolge artikel 3.8, zesde lid, van de Wro, voor zover hier van belang, kan het college van gedeputeerde staten, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, met betrekking tot een onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan waarover het college van gedeputeerde staten een zienswijze over het ontwerp naar voren heeft gebracht, aan de gemeenteraad een aanwijzing geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Het college van gedeputeerde staten vermeldt in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het betrokken provinciale belang met inzet van andere aan haar toekomende bevoegdheden te beschermen.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, kan, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, het college van gedeputeerde staten aan de gemeenteraad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan.

2.5. De aanwijzing strekt ertoe dat het plandeel met de bestemming "Wonen-Vrijstaand", dat betrekking heeft op het perceel sectie L nr. 100, geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de in het bestemmingsplan voorziene woningbouwmogelijkheid in strijd is met het provinciale ruimtelijke beleid, zoals neergelegd in de Beleidslijn en de Verordening, inzake verstedelijking van het landelijk gebied en de ruimte-voor-ruimteregeling. Het college acht het onwenselijk dat zolang de Verordening nog niet in werking is getreden, zich intussen ontwikkelingen kunnen voordoen die strijdig zijn met de provinciale belangen die in de Beleidslijn zijn aangemerkt als te beschermen belangen en die de Verordening beoogt te borgen.

2.6. [appellant sub 1] en de raad betogen allereerst dat het plandeel ten aanzien waarvan de aanwijzing is gegeven niet aan het provinciale belang raakt, nu het slechts de incidentele bouw van een woning betreft aan de rand van het landelijke gebied. Daarnaast betogen zij dat het bestemmingsplan niet in strijd is met het provinciale ruimtelijke beleid, zodat geen noodzaak bestond voor het toepassen van artikel 3.8, zesde lid, van de Wro. Hiertoe voeren zij aan dat het college in het kader van de ruimte-voor-ruimteregeling en de minimaal verplicht te slopen vierkante meters, ten onrechte niet de bouwvergunning die aan [appellant sub 1] is verleend voor de bouw van 650 m2 aan bedrijfsbebouwing heeft meegewogen. Bovendien heeft het bestemmingsplan volgens [appellant sub 1] en de raad een kwaliteitsimpuls voor het gebied tot gevolg. Zij wijzen er in dit verband op dat de niet-agrarische bestemming, die volgens hen niet passend is in het buitengebied, komt te vervallen, dat de woning in de reeds aanwezige lintbebouwing past en dat een grote hoeveelheid erfverharding vervalt. Voorts betogen zij dat het college andere (proactieve) instrumenten had kunnen inzetten ter bescherming van het provinciaal belang, zodat het college ook in zoverre niet bevoegd was tot geven van een aanwijzing op grond van artikel 3.8, zesde lid, van de Wro.

[appellant sub 1] betoogt verder dat de reactieve aanwijzing ten onrechte niet aangeeft binnen welke termijn door de raad een bestemmingsplan moet worden vastgesteld en overeenkomstig welke voorschriften.

Tot slot betoogt [appellant sub 1] dat de reactieve aanwijzing ten onrechte alleen betrekking heeft op de nieuw te realiseren woning en niet op het hele plan.

2.7. Het college stelt zich op het standpunt dat het plandeel waarop de aanwijzing ziet, in strijd is met het provinciale ruimtelijke beleid inzake de verstedelijking van het landelijk gebied en de uitzonderingsregel hiervoor: de ruimte-voor-ruimteregeling. Hiertoe stelt het dat niet wordt voldaan aan de minimaal te slopen oppervlakte van 1000 m2 als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, van de Verordening. Ook kan volgens het college niet worden gesproken van een extra kwaliteitsimpuls die nodig is om ontheffing te verlenen van de eis van 1000 m2 te slopen oppervlakte. Voorts stelt het college dat het niet mogelijk is om het in geding zijnde belang anders te beschermen dan door middel van het geven van een reactieve aanwijzing.

2.8. Gelet op het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, en artikel 4.2, eerste lid, van de Wro en in aanmerking genomen de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wro wat betreft het begrip 'provinciale belangen', zoals uiteengezet in de uitspraak van 20 oktober 2010, nr. 200910210/1/R1, bestaat geen grond voor het oordeel dat het provinciebestuur zich niet in redelijkheid het met het ruimtelijke beleid gediende belang van het voorkómen van verstedelijking van het landelijk gebied heeft kunnen aantrekken. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de ruimte-voor-ruimteregeling, die een uitvloeisel is van dit beleid, onderdeel uitmaakt van bestendig beleid dat in ieder geval sinds de inwerkingtreding van het Streekplan door het provinciebestuur ongewijzigd wordt voorgestaan. Dit beleid is vervolgens opgenomen in de Beleidslijn en staat inmiddels in de Verordening.

Ten aanzien van het betoog dat het bestemmingsplan niet in strijd is met het provinciale ruimtelijke beleid overweegt de Afdeling dat niet in geschil is dat het plangebied buiten de rode contour ligt en binnen het gebied met de aanduidingen "Landelijk gebied" en "Ruimte voor Ruimte". Hieruit volgt dat het bestemmingsplan op grond van het provinciale beleid alleen dan mag voorzien in de bouw van een woning indien bedrijfsbebouwing met een minimale omvang van 1000 m2 wordt gesloopt. De uitleg van het college dat de minimaal te slopen oppervlakte betrekking heeft op de sloop van reëel aanwezige bebouwing, acht de Afdeling juist, zodat het college dit tot uitgangspunt heeft kunnen nemen. Vaststaat dat een vermindering van 1000 m2 aan daadwerkelijk aanwezige bebouwing niet zal plaatshebben, zodat niet wordt voldaan aan de ruimte-voor-ruimteregeling. Het college heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen zodanige kwaliteitswinst met zich brengt dat gesproken kan worden van een extra kwaliteitsimpuls als bedoeld in artikel 4.9, vierde lid, aanhef en onder a, van de Verordening. In de door [appellant sub 1] en de raad aangevoerde omstandigheden heeft het college geen aanleiding hoeven zien voor een ander standpunt. Hierbij heeft het van belang kunnen achten dat een koel- en fruitsorteerbedrijf passend is in de omgeving en dat de bedrijfsbebouwing binnen een bouwvlak is geconcentreerd, terwijl de nieuwe woning is voorzien op een nu nog open gedeelte van het plangebied.

Nu niet was uitgesloten dat in afwijking van de enkele dagen na het bestreden besluit in werking getreden Verordening en de Beleidslijn verstedelijking van het landelijk gebied zou plaatsvinden, heeft het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan. Daarbij heeft het zich op het standpunt kunnen stellen dat het toepassen van andere bevoegdheden dan het geven van een reactieve aanwijzing in dit geval onvoldoende soelaas zou bieden. Wat betreft het betoog dat het college ook een voorbereidingsbesluit had kunnen nemen dan wel beroep had kunnen instellen, overweegt de Afdeling dat deze omstandigheid niet betekent dat daarmee de vrijheid van het college om te kiezen voor het geven van een reactieve aanwijzing is beperkt.

2.8.1. Voor zover [appellant sub 1] stelt dat de reactieve aanwijzing in strijd is met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, overweegt de Afdeling als volgt. In de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wro (TK 2004-2005, 28 916, nr. 14, p. 23) is onder meer het volgende aangegeven:

"De reactieve aanwijzing beperkt zich tot het desbetreffende gedeelte van het plan; slechts dit gedeelte wordt van inwerkingtreding uitgesloten. Voor dit gedeelte blijft het eerdere bestemmingsplan van kracht. Het is dan aan de gemeente om te beoordelen of zij dit zo wil laten of dat zij alsnog op de betrokken grond nieuwe bestemmingen of nieuwe bestemmingsregels wil vaststellen".

In de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wro (TK 2004-2005, 28 916, nr. 15, p.8) is voorts omtrent de reactieve aanwijzing aangegeven:

"(…) Het gaat hier immers, nu er geen nieuw plan behoeft te komen, om een eindbeslissing en niet, zoals meer gebruikelijk bij een proactieve aanwijzing, om een opdracht het vastgestelde plan in een bepaalde richting aan te passen".

Gelet op het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro en onder verwijzing naar de hiervoor genoemde parlementaire geschiedenis is de reactieve aanwijzing, anders dan de zogenoemde proactieve aanwijzing, niet gericht op het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan maar heeft het slechts tot doel dat een onderdeel van een bestemmingsplan geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals dit is vastgesteld. Gelet hierop kan geen termijn worden gesteld en kunnen geen voorschriften worden gegeven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.8.2. Tot slot overweegt de Afdeling dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de reactieve aanwijzing het gehele bestemmingsplan zou moeten omvatten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de tekst van artikel 3.8, zesde lid, van de Wro volgt dat de reactieve aanwijzing in beginsel ziet op een onderdeel van een bestemmingsplan. In dit geval is verder van belang dat alleen de woningbouwmogelijkheid op het perceel sectienummer L nr. 100, in strijd is met het provinciale ruimtelijke beleid, alsmede dat niet is gebleken van een onlosmakelijke samenhang tussen het onderhavige onderdeel met de rest van het bestemmingsplan. Bij haar oordeel betrekt de Afdeling tevens dat de reactieve aanwijzing onverlet laat dat [appellant sub 1] aan de aan hem verleende bouwvergunning gevolg geeft en dat hij zich daarnaast tot de raad kan richten voor herziening van het bestemmingsplangedeelte dat niet onder de reactieve aanwijzing valt.

2.9. In hetgeen [appellant sub 1] en de raad hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening het geven van een reactieve aanwijzing noodzakelijk maken. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Troost

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

234-647.