Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8766

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
201003254/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Oldenhave/Bos, Ruinen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003254/1/R1.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Ruinen, gemeente De Wolden,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te Ruinen, gemeente De Wolden,

en

de raad van de gemeente De Wolden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Oldenhave/Bos, Ruinen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 april 2010, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 27 april 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid 03 De Gilden B.V. heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en anderen en 03 De Gilden B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2011, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.A. Jansen, advocaat te Leeuwarden, en de raad, vertegenwoordigd door J. Nijzing en B. Bonkestoter, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is 03 De Gilden B.V., vertegenwoordigd door mr. W. van Galen, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de juridisch-planologische regeling voor de bouw van 33 woningen aan de zuidzijde van Ruinen.

2.2. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat het plan niet voorziet in een behoefte. Zij wijzen op de "Woonvisie 2009-2015 Inventarisatierapport Gemeente De Wolden" van september 2009 (hierna: het inventarisatierapport) en het "Ambitiedocument Structuurvisie 2030 versie: keuzes voor de raad 17-09-09 Gemeente De Wolden" van Buro Vijn B.V. van 17 september 2009 (hierna: het ambitiedocument). Verder hebben [appellant sub 1] en anderen ter zitting gewezen op het Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling "Krimpen met kwaliteit" van het rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Interprovinciaal Overleg van november 2009 (hierna: het interbestuurlijk actieplan) en het onderzoek "Krimp & Kracht, de nieuwe realiteit in Drents perspectief" van STAMM CMO van januari 2011 (hierna: het onderzoek van STAMM CMO). Daarbij voeren [appellant sub 1] en anderen ter onderbouwing van hun betoog aan dat uit de gegevens van de plaatselijke makelaars volgt dat er ongeveer 60 woningen in Ruinen te koop zijn en 15 tot 20 woningen leeg staan.

Voorts voeren [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] aan dat het gemeentebestuur ten onrechte geen gebruik maakt van de planologisch reeds voorziene bouw van 54 woningen ter plaatse van de beoogde derde fase van het bestemmingsplan "Ruinen-Zuid". Daarbij betogen [appellant sub 1] en anderen dat voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat eigendomsperikelen de realisering van de derde fase in de weg staan, dit standpunt niet nader onderbouwd is en dat deze perikelen de feitelijke uitvoering van de derde fase onverlet laten. Verder heeft de raad volgens [appellant sub 1] en anderen het voornemen om met de bouw van appartementen in het centrum en met het nieuwbouwplan Neuzendijk nog eens 43 woningen te realiseren.

Voorts betogen [appellant sub 1] en anderen dat het plan niet financieel uitvoerbaar is, omdat er geen behoefte bestaat aan de voorziene woningen en deze derhalve niet verkocht zullen worden.

2.2.1. De raad geeft aan dat sinds de jaren '90 geen woningbouwplannen in de kern van Ruinen meer zijn ontwikkeld, terwijl uit de "Woonvisie De Wolden" van Arcadis van september 2004 (hierna: de woonvisie 2004) volgt dat in Ruinen voor de periode 2004-2008 een woningbehoefte van ongeveer 100 woningen bestaat. Volgens de raad draagt het plan bij aan de realisatie van de woonvisie 2004. Daarbij heeft de raad ter zitting aangegeven dat het inventarisatierapport en het ambitiedocument zijn opgesteld ter voorbereiding van nog vast te stellen gemeentelijk beleid.

Ten aanzien van de realisering van de derde fase van het bestemmingsplan "Ruinen-Zuid" stelt de raad zich op het standpunt dat deze fase met toepassing van een uitwerkingsplicht ontwikkeld dient te worden, maar dat dit wordt belemmerd vanwege de eigendomssituatie. Tot op heden is geen overeenstemming bereikt over de verwerving van de gronden. Voorts is er volgens de raad geen basis voor het verlenen van een omgevingsvergunning ten behoeve van de uitvoering van de derde fase aangezien er geen ontwerpuitwerking, vastgestelde uitwerking dan wel een verklaring van geen bezwaar tegen de voorgenomen bouw van het college van gedeputeerde staten is.

Ten aanzien van het nieuwbouwplan Neuzendijk heeft de raad ter zitting aangegeven dat onzeker is of dit plan gerealiseerd kan worden. Dit hangt volgens de raad onder meer af van de nieuwe woonvisie.

2.2.2. In de woonvisie 2004 is de gemeentelijke visie op de ontwikkeling van het wonen in De Wolden tot 2010 met een doorkijk tot 2015 uitgewerkt. De woningbehoefte is bepaald aan de hand van de bewonersenquête en de analyse van het zogeheten uittredersaanbod. Voor de kern Ruinen is uitgegaan van een behoefte aan 100 woningen voor de periode van 2004-2008.

Tussen partijen is niet in geschil dat het plan in overeenstemming is met de woonvisie 2004. Voor zover [appellant sub 1] en anderen wijzen op het inventarisatierapport, het ambitiedocument en het interbestuurlijk actieplan overweegt de Afdeling dat zowel het inventarisatierapport als het ambitiedocument voorstudies zijn voor het nog op te stellen gemeentelijk beleid en dat het interbestuurlijke actieplan richting geeft aan een gezamenlijke aanpak van bevolkingsdaling. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet van de woonvisie 2004 heeft mogen uitgaan.

Voor zover [appellant sub 1] en anderen hebben gewezen op het onderzoek van STAMM CMO, wordt het volgende overwogen.

Het onderzoek van STAMM CMO dateert van januari 2011 en betreft een nieuw, geheel op zichzelf staand onderzoek. Dit kan gelet op het feit dat de toetsing van het bestreden besluit door de Afdeling wordt verricht aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, niet worden betrokken bij het thans voorliggende geschil.

Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] aanvoeren dat in een eventuele behoefte van de woningen planologisch reeds is voorzien ter plaatse van de derde fase van het bestemmingsplan "Ruinen-Zuid" overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft ten aanzien van de realisering van de derde fase van het bestemmingsplan "Ruinen-Zuid" in redelijkheid doorslaggevend kunnen achten dat geen overeenstemming kon worden verkregen over de verwerving van de verschillende gronden aldaar. Hierdoor en nu niet voldaan is aan de bebouwingsvoorwaarden ingevolge artikel 5, vierde lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Ruinen-Zuid", is het niet aannemelijk dat de woningen ter plaatse van de derde fase binnen de planperiode van het thans voorliggende plan gerealiseerd kunnen worden en heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten voorrang te geven aan de ontwikkeling van woningen aan de Zuid Zijde van Ruinen.

Voor zover [appellant sub 1] en anderen aanvoeren dat de raad het voornemen heeft om met de bouw van appartementen in het centrum en met het nieuwbouwplan Neuzendijk nog eens 43 woningen te realiseren overweegt de Afdeling dat in deze procedure uitsluitend het voorliggende plan ter beoordeling ligt. Niet is gebleken dat deze nieuwbouwplannen reeds zodanig concreet zijn dat de raad daar rekening mee had moeten houden.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat inmiddels op een groot deel van de 33 kavels koopopties zijn gevestigd, hebben [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat geen behoefte bestaat aan de realisering van de in het plan voorziene woningen. Het enkele feit dat er in Ruinen woningen leeg staan, wat daarvan ook zij, doet aan het voorgaande niet af. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de uitvoerbaarheid van het plan om deze redenen niet behoeft te worden getwijfeld.

2.3. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan in verband met de waterberging praktisch niet uitvoerbaar is. In dit verband betogen [appellant sub 1] en anderen dat het plan niet voorziet in watergangen. [appellant sub 1] en anderen vrezen dat het plangebied opgehoogd zal moeten worden. Hierdoor zal de bestaande beeldkwaliteit worden aangetast. Volgens [appellant sub 1] en anderen is de enkele reactie van de raad dat het gebied niet opgehoogd zal worden onvoldoende.

Voorts ontbreekt volgens [appellant sub 1] en anderen ten onrechte een advies van het waterschap Reest en Rieden. Door het ontbreken van dit advies is de waterparagraaf in de toelichting van het bestemmingsplan volgens [appellant sub 1] en anderen niet deugdelijk onderbouwd en onzorgvuldig tot stand gekomen, hetgeen strijd oplevert met artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro).

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de opvang van water aan de noordzijde van het plangebied een ruimte voor waterberging is opgenomen. Het terrein is hier niet specifiek voor bestemd, maar maakt deel uit van de bestemming "Groen". Deze bestemming maakt onder meer waterberging mogelijk. Verder zal er bij de ijsbaan extra capaciteit voor waterberging zijn. Voorts volgt uit de reactie van de raad bij de inspraak dat het plangebied niet opgehoogd zal worden. Volgens de raad zullen de omwonenden geen overlast van water ondervinden.

Verder geeft de raad aan dat op 6 oktober 2009 een positief advies is afgegeven door het waterschap. Volgens de raad is het advies abusievelijk niet bij het plan gevoegd. Ten onrechte valt uit de plantoelichting af te leiden dat er in het kader van het vooroverleg geen reactie is ingediend door het waterschap.

2.3.2. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro gaan een bestemmingsplan, alsmede een ontwerp hiervoor, vergezeld van een toelichting waarin een beschrijving is neergelegd van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding.

2.3.3. In de plantoelichting is paragraaf 2.8. gewijd aan de waterhuishouding. Voorts heeft de raad het watertoetsdocument als bijlage 4 bij het bestemmingsplan gevoegd. Uit het watertoetsdocument volgen aanwijzingen opgesteld door het waterschap om de waterhuishouding in en rond het plangebied op orde te brengen. Voorts volgt uit de waterparagraaf welke maatregelen de raad van plan is te nemen. Zo wordt voorzien in een verbinding tussen de watergang bij de ijsbaan en de Oude Ruiner Aa en wordt voorzien in waterberging door de aanleg van 200 m³ open water. Gelet op het voorgaande is voldaan aan artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro. Het enkele feit dat het advies van het waterschap niet bij de plantoelichting is gevoegd, maakt dit niet anders.

Anders dan wat [appellant sub 1] en anderen stellen heeft het waterschap bij brief van 6 oktober 2009 een positief wateradvies gegeven. Daarbij heeft het waterschap in aanmerking genomen dat rekening is gehouden met zijn uitgangspunten. Zo wordt een waterpartij met een inhoud van 200 m³ gecreëerd ten behoeve van de waterberging in het plangebied. Voor zover [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd dat het plan niet in deze waterpartij voorziet, overweegt de Afdeling dat gronden in het plan de bestemming "Wonen", "Groen" en "Verkeer - Verblijfsgebied" hebben gekregen en dat de gronden met de bestemming "Groen" ingevolge artikel 3.1, onder h en i, de gronden met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" ingevolge artikel 5.1, onder d en e, en de gronden met de bestemming "Wonen" ingevolge artikel 6.1, onder b, van de planregels onder meer bestemd zijn voor water(partijen) en waterhuishoudkundige voorzieningen. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk is de waterpartij ter plaatse te realiseren. De raad heeft zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in verband met de waterberging uitvoerbaar is.

Voor zover [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd dat zij vrezen dat het terrein wordt opgehoogd hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat ophoging noodzakelijk is voor de bouw van de woningen. Dit aspect heeft daarom geen betrekking op het plan zelf maar op eventueel bij de uitvoering daarvan te nemen maatregelen, die in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Deze beroepsgrond kan derhalve buiten beschouwing blijven. Ten overvloede overweegt de Afdeling dat de raad zich in reactie op de inspraak op het standpunt heeft gesteld dat het terrein niet opgehoogd zal worden.

2.4. [appellant sub 1] en anderen betogen dat voor zover de raad beoogt dat tien van de 33 nieuwe woningen op de zuidelijke ontsluitingsweg ontsloten zullen worden, dit tot een verkeersonveilige situatie zal leiden. Volgens [appellant sub 1] en anderen ontbreekt een verkeerskundige onderbouwing ten aanzien van de geschiktheid van deze weg. Daarbij betogen [appellant sub 1] en anderen dat ten onrechte geen gebruik zal worden gemaakt van het door hen voorgestelde alternatief om de tien woningen aan te sluiten op de noordelijke ontsluitingsweg.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat aan de zuidelijke ontsluitingsweg tien woningen zullen worden ontsloten in twee richtingen, namelijk in de oostelijke richting (vervolg van de weg Bos) en in de westelijke richting (Neuzendijk). De raad stelt zich op het standpunt dat, gelet op de capaciteit van de weg en de in verhouding geringe toename van het aantal motorvoertuigen, er geen aanleiding is om een verkeersonveilige situatie te verwachten.

2.4.2. Het verkeer kan het plangebied in twee richtingen verlaten. De zuidelijke ontsluitingsweg is een bestaande geasfalteerde weg met een breedte van 2,75 m, die wordt gebruikt ten behoeve van vier boerderijen. De toegestane maximumsnelheid bedraagt 30 km/uur. Ter zitting is gebleken dat de weg mede zal dienen als ontsluiting voor motorvoertuigen voor tien van de voorziene woningen. De overige woningen ontsluiten op de noordelijke ontsluitingsweg. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de ontsluitingsweg niet geschikt is voor de ontsluiting van de tien woningen. Voorts hebben [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat er door de realisering van de tien woningen een verkeersonveilige situatie op de zuidelijke ontsluitingsweg ontstaat.

Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat ten onrechte geen verkeersonderzoek is uitgevoerd, overweegt de Afdeling dat gelet op het voorgaande de raad een dergelijk onderzoek achterwege heeft kunnen laten.

2.4.3. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan een afweging dient te maken van alle belangen die daarbij betrokken zijn. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat de woningen aan de zuidelijke ontsluitingsweg voorzien zijn om de woonkwaliteit optimaal te benutten. Voorts volgt uit de plantoelichting dat in verband met de beeldkwaliteit gekozen is om de woningen naar buiten te richten, met de voorzijde naar de omliggende straten/wegen en het buitengebied, hetgeen in de omgeving van oudsher het uitgangspunt is. Bijkomend aspect is dat een eenvoudig en helder visueel beeld ontstaat, wat niet kan worden ontsierd door de achterzijde van woningen naar de open ruimte met verstorende elementen zoals schuttingen. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het door hen voorgestelde alternatief, om ook de tien woningen via het plangebied aan te sluiten op de noordelijk gelegen ontsluitingsweg kan worden gerealiseerd zonder de woningen in strijd met bovengenoemde uitgangspunten te oriënteren. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid het door [appellant sub 1] en anderen voorgestelde alternatief kunnen afwijzen.

2.5. Voorts betogen [appellanten sub 2] dat door de realisering van het plan drie oude boerderijen en het daarbij behorende landschap verloren gaan, terwijl de boerderijen onder het beschermd dorpsgezicht vallen.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden welke in het gebied zijn bedoeld voor de woningbouw in het voorgaande bestemmingsplan onder de bestemmingen "Agrarische doeleinden, klasse A", "Agrarische doeleinden, klasse B" en "Berm, groenstrook, of plantsoen" vallen. Voorts heeft de raad ter zitting aangegeven dat er met de realisatie van het plan geen oude boerderijen verloren gaan. Van een beschermd dorpsgezicht is volgens de raad geen sprake.

2.5.2. Uit de plantoelichting volgt dat het plangebied uit weiland bestaat en dat het gebied ook als zodanig gebruikt wordt. De gronden zijn in het voorgaande plan bestemd als "Agrarische doeleinden, klasse A", "Agrarische doeleinden, klasse B" en "Berm, groenstrook, of plantsoen".

2.5.3. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Gelet op hetgeen in overweging 2.5.2 staat vermeld en de omstandigheid dat de raad zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat er geen boerderijen ten gevolge van het plan hoeven te worden gesloopt, mist het betoog van [appellanten sub 2] dat ten gevolge van het plan drie boerderijen verloren gaan feitelijke grondslag. Voorts hebben [appellanten sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de realisering van de woningen tot een ernstige aantasting van het landschapsbeeld zal leiden.

Niet gebleken is dat het plangebied dan wel de omgeving ervan de status van beschermd dorpsgezicht heeft. Een aantasting van die status door de woningbouw doet zich hier dan ook niet voor.

2.6. [appellanten sub 2] betogen dat de waarde van hun woningen zal verminderen door de realisering van de 33 woningen.

2.6.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellanten sub 2] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.7. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

466-675.