Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8761

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
201005406/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 11 mei 2010 heeft het college de brief van 1 april 2010 van [appellant sub 1] alsmede de brief van 7 april 2010 van [appellant sub 2] en anderen als bezwaarschrift behandeld en de daarin geuite bezwaren en verzoeken kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2011/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005406/1/M2.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 11 mei 2010 heeft het college de brief van 1 april 2010 van [appellant sub 1] alsmede de brief van 7 april 2010 van [appellant sub 2] en anderen als bezwaarschrift behandeld en de daarin geuite bezwaren en verzoeken kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2010, heeft

[appellant sub 1], en bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2010 hebben [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld tegen het niet tijdig geven van een gevolg aan een besluit van 21 maart 2005 en tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op de aanvraag van de gemeente Maassluis van 12 februari 2008. Tevens hebben zij de Afdeling verzocht het college op te dragen een besluit van 6 juli 2001 in te trekken.

[appellant sub 1] heeft bij dezelfde brief voorts beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 7 december 2009 en tegen het besluit op bezwaar van 11 mei 2010.

Bij brief van 24 juni 2010 heeft het college het besluit op bezwaar van 11 mei 2010 ingetrokken.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2011, waar [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], in persoon, en [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2], en het college vertegenwoordigd door mr. A. de Winter en mr. D.H. Dongelmans, beiden advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Algemeen

2.1. Bij besluit van 6 juli 2001, kenmerk 936097/200, heeft het college krachtens de Wet bodembescherming vastgesteld dat inzake de locatie Loswal 88, Centrum-West, tevens bekend als Vogelbuurt/Burgemeesterswijk te Maassluis, codenummer ZH 327/0097/200, sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan de sanering niet urgent is.

Bij besluit van 21 maart 2005, kenmerk DCMR/DMB/05/2410, heeft het college de tegen het besluit van 6 juli 2001 gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard. Tevens heeft het college bepaald dat er in het onderhavige geval sprake is van urgentie op basis van de aanwezigheid van een actueel ecologisch risico.

Bij besluit van 10 juli 2008 heeft het college naar aanleiding van een melding van het college van burgemeester en wethouders van Maassluis van 12 februari 2008 vastgesteld dat de locatie Loswal 88 te Maassluis een geval van ernstige verontreiniging betreft, waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 6 augustus 2008 en [appellant sub 2] en anderen bij brief van 26 augustus 2008, beroep ingesteld. Bij uitspraak van 26 augustus 2009, in zaak nr. 200806037/1, heeft de Afdeling deze beroepen gegrond verklaard en het besluit van het college van 10 juli 2008 vernietigd.

Bij brief van 7 december 2009 heeft [appellant sub 1] het college gewezen op het besluit van 21 maart 2005 en het college verzocht om uiterlijk op 21 maart 2010 met de sanering van de locatie Loswal 88 te Maassluis te beginnen. Het college heeft op dit verzoek gereageerd bij brief van 23 december 2009. In deze brief heeft het college te kennen gegeven dat de mogelijke vervolgstappen worden beoordeeld.

Bij brief van 19 januari 2010 heeft [appellant sub 1] bezwaar gemaakt tegen de brief van het college van 23 december 2009.

Bij brief van 11 februari 2010 heeft de bezwarencommissie van het college aan [appellant sub 1] medegedeeld dat het college de brief van 19 januari 2010 niet als een bezwaarschrift kan behandelen, maar als een ingebrekestelling heeft aangemerkt.

Bij brief van 1 april 2010 heeft [appellant sub 1] het college verzocht het besluit van 6 juli 2001 in te trekken. Voorts heeft hij het college schriftelijk medegedeeld dat het in gebreke is tijdig gevolg te geven aan het besluit van 21 maart 2005 alsmede in gebreke is tijdig een besluit te nemen op zijn verzoek van 7 december 2009. Tevens stelt [appellant sub 1] dat het college in gebreke is tijdig een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van de gemeente Maassluis van 12 februari 2008.

Bij brief van 7 april 2010 hebben [appellant sub 2] en anderen het college schriftelijk medegedeeld dat het in gebreke is gevolg te geven aan het besluit van 21 maart 2005 alsmede dat het college in gebreke is tijdig een nieuw besluit te nemen op de melding van de gemeente Maassluis van 12 februari 2008.

De verzoeken van [appellant sub 1] en van [appellant sub 2] en anderen om het college op te dragen het besluit van 6 juli 2001 in te trekken

2.2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben de Afdeling weliswaar verzocht om het college opdracht te geven het besluit van 6 juli 2001 in te trekken, maar terzake geen beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Daarom is de Afdeling, gelet op artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), niet bevoegd een opdracht te geven als door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen gewenst.

Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen stellen dat het college hun verzoek om het besluit van 6 juli 2001 in te trekken heeft afgewezen bij brieven van 11 mei 2010, overweegt de Afdeling dat deze stelling onjuist is omdat de desbetreffende passages uit de brieven van 11 mei 2010 informatief van aard waren. Het college heeft - naar ter zitting is bevestigd - niet beoogd terzake een besluit te nemen.

Beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit op bezwaar van 11 mei 2010

2.3. Het college heeft in zijn verweerschrift gewezen op zijn brief van 24 juni 2010 waarmee het besluit op bezwaar van 11 mei 2010 is ingetrokken. Nu dit besluit is ingetrokken, is hetgeen [appellant sub 1] met zijn beroep kennelijk nastreeft, bereikt. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit.

Gezien het vorenstaande is een procesbelang aan het beroep ontvallen. Het feit dat [appellant sub 1] reeds beroep heeft ingesteld en griffierecht heeft betaald, maakt niet dat hij wel een procesbelang heeft. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Beroepen van [appellant sub 1] en van [appellant sub 2] en anderen tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op de aanvraag van de gemeente Maassluis van 12 februari 2008

2.4. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 juni 2001, nr. 200100193/2, kunnen anderen dan de aanvrager geen belanghebbende zijn bij het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen zijn geen belanghebbenden bij het uitblijven van een tijdige beslissing op de aanvraag van de gemeente Maassluis. Deze beroepen zijn niet-ontvankelijk.

Beroepen van [appellant sub 1] en van [appellant sub 2] en anderen tegen het niet gevolg geven aan het besluit van 21 maart 2005 en het beroep van [appellant sub 1] tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van 7 december 2009

2.5. Bij brief van 7 december 2009 heeft [appellant sub 1] het college verzocht de nodige stappen te nemen om op grond van het besluit van 21 maart 2005 over te gaan tot de sanering van de bodem op de locatie Loswal 88 te Maassluis. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen het niet tijdig beslissen op dit verzoek. Voorts zijn de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit naar aanleiding van het besluit van 21 maart 2005.

2.5.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beogen, gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, te bereiken dat het college gevolg geeft aan het besluit van 21 maart 2005 door een nadere beschikking ernst en urgentie te nemen inzake de sanering van de bodem op de locatie Loswal 88 te Maassluis.

2.5.2. Het besluit van 21 maart 2005 is een definitieve beschikking ernst en urgentie en biedt voldoende grondslag voor de sanering van de bodem op de locatie Loswal 88 te Maassluis. Gezien het voorgaande is geen nader besluit vereist en was het college niet gehouden een nader besluit te nemen naar aanleiding van het verzoek van [appellant sub 1] van 7 december 2009.

Deze beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] tegen de besluiten op bezwaar van 11 mei 2010, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] en van [appellant sub 2] en anderen tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van de gemeente Maassluis van 12 februari 2008, niet-ontvankelijk;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] en van [appellant sub 2] en anderen voor zover die zien tegen het niet tijdig gevolg geven aan het besluit van 21 maart 2005 ongegrond;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] tegen het niet beslissen op de brief van 7 december 2009 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

375-687.