Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8754

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
201006292/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2009 heeft het college aan [belanghebbende] € 6.390,00 ter vergoeding van planschade toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006292/1/H2.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Suyderland Ontwikkeling B.V., gevestigd te Doenrade, gemeente Schinnen (hierna: Suyderland),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) van 31 mei 2010 in zaak nr. 09/1914 in het geding tussen:

Suyderland

en

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2009 heeft het college aan [belanghebbende] € 6.390,00 ter vergoeding van planschade toegekend.

Bij besluit van 26 oktober 2009 heeft het het door Suyderland daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Suyderland daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Suyderland bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2011, waar Suyderland, vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. A.A. van den Brand, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door drs. A.P. Langerak, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals die luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, kent het college, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Ingevolge artikel 49a, eerste lid, voor zover thans van belang, kan het college, voor zover schade die op grond van artikel 49 voor vergoeding in aanmerking zou komen, haar grondslag vindt in een besluit op een verzoek om ten behoeve van de verwezenlijking van een project bepalingen in een bestemmingsplan op te nemen of te wijzigen, met de verzoeker overeenkomen dat die schade geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening komt.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, is de verzoeker die een overeenkomst, als bedoeld in het eerste lid, heeft gesloten belanghebbende bij een besluit van het college op een aanvraag om schadevergoeding op grond van artikel 49 terzake van de wijziging van het bestemmingsplan, waarom hij heeft verzocht.

2.2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon, onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.

2.3. [belanghebbende] is eigenaar van een perceel met woning en kapsalon aan het [locatie] in Helden (hierna: het perceel). Hij heeft bij formulier van 17 december 2007 verzocht om vergoeding van schade, door hem geleden ten gevolge van het op 1 september 2005 in werking getreden bestemmingsplan "Molenstraat (ged)" (hierna: het bestemmingsplan), ingevolge hetwelk aan de Molenstraat, ten noordwesten van het perceel, een appartementengebouw mag worden opgericht. Het is op verzoek van Suyderland tot stand gekomen. Tussen de voormalige gemeente Helden en Suyderland is een overeenkomst gesloten, als bedoeld in voormeld artikel 49a, eerste lid, van de WRO.

2.4. Het college heeft aan het besluit van 31 maart 2009 een advies van een deskundige van 22 januari 2009 dat, hoewel het bestemmingsplan voor [belanghebbende], zowel planologische voordelen, als nadelen heeft, hij daarvan per saldo nadeel ondervindt, ten grondslag gelegd. Dit nadeel is door een taxateur begroot op € 6.390,00. Het advies strekt ertoe dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2007, als vergoeding voor planschade aan [belanghebbende] toe te kennen.

2.5. Het college heeft aan het besluit van 26 oktober 2009 een advies van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften (hierna: de bezwaarcommissie) van 12 oktober 2009 ten grondslag gelegd. Daarin is vermeld, mede op basis van een reactie van de vorenbedoelde adviseur van 11 september 2009 op het door Suyderland gemaakte bezwaar, dat de uitgebrachte adviezen voldoende duidelijk, inzichtelijk en controleerbaar zijn en het college die adviezen terecht aan het besluit van 31 maart 2009 ten grondslag heeft gelegd.

2.6. Het betoog van Suyderland dat de rechtbank, door te overwegen dat het college de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan terecht heeft vergeleken met de bouwmogelijkheden van het vorige bestemmingsplan, van een onjuiste maatstaf is uitgegaan, omdat de planologische regimes volledig met elkaar moeten worden vergeleken, faalt. De rechtbank heeft onder 2.9 met juistheid overwogen dat bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van planschade een vergelijking moet worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voorheen geldende planologische regime. Een vergelijking van de bouwmogelijkheden van de planologische regimes is een onderdeel daarvan.

2.7. Suyderland betoogt verder dat de rechtbank, door te overwegen dat het college de besluiten mocht baseren op de aan hem uitgebrachte adviezen, heeft miskend dat die adviezen fouten bevatten en onduidelijk is, op welke wijze zij tot stand zijn gekomen. In de adviezen is onvoldoende rekening gehouden met een in het bestemmingsplan opgenomen groenstrook en de mogelijkheid om op het naastgelegen perceel Mariaplein 3 een bijgebouw met een hoogte van maximaal 4,4 m op te richten. Volgens haar kunnen, zowel de groenstrook, als het bijgebouw, het zicht op en vanuit het appartementengebouw geheel wegnemen en lijdt [belanghebbende] daarom van de planologische verandering geen schade. Hoewel de adviseur in een reactie van 11 september 2009 het eerdere advies in die zin heeft aangevuld, dat alsnog met de bouwmogelijkheid op perceel Mariaplein 3 rekening is gehouden, heeft dit ten onrechte niet tot een aanpassing van het schadebedrag geleid. Voorts blijkt uit het advies onvoldoende, waarom een planologische verandering als voordeel of als nadeel is gewaardeerd en dat de taxateur onvoldoende heeft toegelicht, op welke wijze hij tot het schadebedrag is gekomen, aldus Suyderland.

2.7.1. Ook dat betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een strook met de bestemming "Groen" de zichtbaarheid van en het uitzicht vanuit het appartementengebouw niet geheel zal wegnemen. Ingevolge het bestemmingsplan, noch anderszins, bestaat voor de rechthebbende een verplichting de groenstrook te beplanten met hoog opgaande beplanting en die beplanting in stand te houden.

De rechtbank heeft verder met juistheid overwogen dat het college met de verwijzing naar het aan hem door vorenbedoelde adviseur uitgebrachte advies voldoende heeft toegelicht dat het nieuwe appartementengebouw op 30 m afstand van het perceel en met een nokhoogte van maximaal 13,2 m een planologische verslechtering is, ongeacht de mogelijkheid op het aangrenzende perceel Mariaplein 3 een bijgebouw op te richten op de perceelsgrens en met een nokhoogte van maximaal 4,4 m, omdat het bijgebouw het zicht op het appartementengebouw niet geheel wegneemt. Zij heeft evenzeer met juistheid overwogen dat bij het besluit van 26 oktober 2009 de mogelijkheid een zodanig bijgebouw op te richten alsnog bij de taxatie is betrokken, nu in de reactie van de adviseur van 11 september 2009 is vermeld dat die mogelijkheid volgens de taxateur geen invloed heeft op de hoogte van de planschade.

De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat het college zich bij het bepalen van de hoogte van de planschade op de aan hem uitgebrachte adviezen mocht baseren, nu in het advies van de adviseur de voor- en nadelen van de planologische veranderingen en de wijze waarop deze waardering tot stand is gekomen zijn vermeld en in het advies van de taxateur de uitgangspunten van de taxatie zijn vermeld en in dit geval de vermelding van een schadebedrag per planologisch voor- of nadeel niet vereist is.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Oranje

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

507.