Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8739

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
201004744/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpshart Duivendrecht" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004744/1/R1.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Vrienden van Duivendrecht,

gevestigd te Ouder-Amstel,

appellante,

en

de raad van de gemeente Ouder-Amstel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpshart Duivendrecht" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2010, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 juni 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2011, waar de stichting, vertegenwoordigd door D. van Muyden en bijgestaan door mr. J.A. Huijgen, advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door E.J. van den Kerkhoff en B.H. Westendorp, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de ontwikkeling van het centrum van Duivendrecht. Aan de westzijde van de Kloostersingel is voorzien in de ontwikkeling van maatschappelijke functies en wonen, terwijl het commercieel centrum is gelegen aan de oostzijde van de Kloostersingel.

2.2. De stichting heeft ter zitting de beroepsgrond ingetrokken dat de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid en uitwerkingsplicht niet voldoen aan de vereisten van artikel 3.6, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

2.3. De stichting kan zich niet met het plan verenigen en voert als eerste aan dat de mate van verstedelijking die door het plan mogelijk wordt gemaakt in strijd is met het provinciaal beleid. In het streekplan Noord-Holland Zuid 2003 (hierna: het streekplan) is vermeld dat wordt ingezet op een restrictief verstedelijkingsbeleid. Het plangebied behoort niet tot de in het streekplan vermelde locaties die kunnen worden ingezet voor intensiveren, combineren en transformeren (hierna: ICT), aldus de stichting.

2.3.1. In voormeld streekplan is vermeld:

"Er zijn vele typen locaties die voor ICT in aanmerking komen en die in regio's ruimschoots aanwezig zijn. Het gaat daarbij om:

- Te herstructureren naoorlogse woonwijken. Uit bestaande herstructureringsplannen (bijvoorbeeld parkstad Amsterdam, Amsterdam Noord) blijkt dat dit een aanzienlijke capaciteitswinst oplevert.

- Verouderde bedrijventerreinen, waarbij zij opgemerkt dat behoud van de werkfunctie voorop staat. Dit kan leiden tot een menging van wonen en werken.

- Te intensiveren knooppunten boven/nabij infrastructuur binnen de normen die voortkomen uit milieubelemmeringen en vrijwaringszones."

Voorts is in het streekplan vermeld:

"Bij de inrichting van het stedelijk gebied binnen de rode contour gelden de volgende voorwaarden:

- Uitgangspunt voor verstedelijking is ICT.

(…)"

2.3.2. Door de stichting is niet betwist dat het plangebied binnen de zogeheten rode contour valt. In het streekplan zijn voorwaarden opgenomen voor het inrichten van het stedelijk gebied binnen de rode contour. Eén van die voorwaarden is dat uitgangspunt voor verstedelijking ICT is. Anders dan door de stichting wordt betoogd, biedt het streekplan geen grond voor het oordeel dat verstedelijking uitsluitend mogelijk wordt geacht in de in het streekplan uitdrukkelijk genoemde gevallen.

Het betoog faalt.

2.4. Voorts voert de stichting aan dat het westelijk deel van het plangebied met de bestemming "Gemengd-Uit te werken", ruimte biedt voor de bouw van 220 woningen. Deze verstedelijking staat volgens de stichting haaks op het provinciale beleid, dat hier volgens het streekplan restrictief is. Verder brengt het ruimtebeslag van de woningen volgens de stichting een strijdigheid binnen het bestemmingsplan met zich, aangezien er geen sprake meer kan zijn van "groen in een parkachtige omgeving". In dit verband wijst de stichting er verder op dat de parkeerbehoefte groter wordt als gevolg van de extra bebouwing. Door de bestrating wordt een derde deel van het groen weggenomen.

2.4.1. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder b, van de regels behorende bij het plan, zijn de voor "Gemengd-Uit te werken" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor wonen, inclusief beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis; met daarbij behorende:

c. bouwwerken en open terreinen;

d. verkeer en parkeren;

e. groen en water.

Ingevolge lid 8.2, aanhef en onder i, wordt, voor zover thans van belang, ten behoeve van het wonen zoals omschreven in lid 8.1 niet meer gerealiseerd dan 15.725 m² gebruiksvloeroppervlakte tot een maximum van 165 woningen.

2.4.2. Anders dan de stichting betoogt, maakt het plan volgens de planregels ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Gemengd-Uit te werken" na uitwerking de bouw van maximaal 165 woningen mogelijk. Zoals hiervoor in 2.3.2. is overwogen, valt het plangebied binnen de rode contour. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bouw van de woningen in strijd is met het provinciale beleid voor verstedelijking.

Voorts kan de stichting niet worden gevolgd in haar standpunt dat het plan tegenstrijdig is waar het de groenvoorziening betreft. In dit verband is van belang dat de raad zich in de Nota van zienswijzen en Ambtshalve wijzigingen op het standpunt heeft gesteld dat groen een aandachtspunt is. Uitgangspunt is volgens de raad om het groen meer te concentreren en een betere bruikbaarheid en uitstraling te geven met een hoog inrichtingsniveau en een hoge belevingskwaliteit. De bomen in het plangebied zullen zoveel mogelijk worden behouden. De stichting heeft niet nader onderbouwd dat niet aannemelijk is dat voormeld uitgangspunt van een groene omgeving niet kan of zal worden nageleefd en dat het plan om die reden innerlijk tegenstrijdig is.

2.5. Het betoog van de stichting dat de raad geen helder parkeerbeleid heeft geformuleerd, faalt. De in het "parkeerbeleidsplan Ouder-Amstel" opgenomen parkeernormen sluiten volgens de raad aan bij de normen die zijn vermeld in de aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom 2004 en de normen van het CROW. Het plangebied is aangemerkt als een matig stedelijk gebied en er is een parkeernorm van 1,5 gehanteerd. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat het beleid onduidelijk is en evenmin dat niet kan worden uitgegaan van deze norm.

2.6. De stichting voert verder aan dat het onderzoek naar de geluidsbelasting dateert van 2006. Er is voorbijgegaan aan de uitbreiding van het railverkeer, het OV SAAL-project en de verbreding van de ring van de A10 van zes naar tien rijstroken. Er is derhalve geen rekening gehouden met relevante omgevingsfactoren, aldus de Stichting.

2.6.1. De raad heeft erop gewezen dat met de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat is overeengekomen dat ten gevolge van de uitbreiding van de A10 het geluidsniveau van 2008 niet zal worden overschreden en dat de gemeente zal toezien op bestuurlijke handhaving van deze overeenkomst. De desbetreffende overeenkomst heeft eveneens betrekking op de uitbreiding van het railverkeer door het OV SAAL-project en op het overige wegverkeer. Deze projecten hebben volgens de raad geen enkele invloed op de geluidsbelasting in het plangebied. Ter zitting is van de zijde van de raad nader toegelicht dat de afspraak met de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat inhoudt dat de verbreding van de A10 en de uitbreiding van het spoor geluidsneutraal zullen geschieden.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat door de raad bij de vaststelling van het plan geen rekening is gehouden met relevante omgevingsfactoren. De stichting heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat genoemde projecten niet geluidsneutraal kunnen worden uitgevoerd.

Het betoog faalt.

2.7. De stichting betoogt verder dat een zorgvuldige watertoets ontbreekt. Als gevolg van de uitvoering van het plan vermindert de oppervlakte van groen en water met bijna 3000 m², hetgeen moet worden gecompenseerd door 7600 m² bestrating te vervangen door halfverharding. Door open tegels en straatstenen groeit echter gras en mos, waardoor deze bij regenval glad worden. Op grintwegen zullen zich plassen vormen. Volgens de stichting is halfverharding in deze omgeving derhalve ongeschikt.

2.7.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat halfverharding een gebruikelijke methode is om het waterbergend vermogen te doen toenemen indien sprake is van een toename van de verharding. De raad heeft het voorontwerp en het ontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, waarvan Waternet de uitvoerende instantie is. Waternet heeft het gemeentebestuur verzocht de uitgangspunten voor de integrale waterhuishouding, waar onder meer het oppervlaktewater, keringen, rioleringen, regenwaterafvoer en grondwater onder vallen, op te nemen in de toelichting op het plan. In de toelichting is onder meer vermeld dat het verharde oppervlak afneemt met ongeveer 1000 m². De oppervlakte van de halfverharding telt in de watertoets slechts mee voor 50%. Volgens de toelichting behoeven vooralsnog geen compenserende maatregelen te worden genomen. Bij het opstellen van een uitwerkingsplan of een wijzigingsplan zal moeten worden voldaan aan de dan geldende eisen van het hoogheemraadschap. De watertoets zal daarbij wederom worden uitgevoerd.

2.7.2. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding is neergelegd.

2.7.3. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het plangebied onvoldoende watercompensatie wordt gerealiseerd. Ten aanzien van de bezwaren van de stichting over de manier waarop de watercompensatie zal worden gerealiseerd, wordt overwogen dat deze bezwaren geen betrekking hebben op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan en dat uitvoeringsaspecten in de bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kunnen komen. Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van een onzorgvuldige watertoets. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat, zoals de stichting aanvoert, sprake zou zijn van het onzorgvuldig omgaan met cijfers. De stichting heeft dit standpunt bovendien niet nader onderbouwd.

Het betoog faalt.

2.8. De stichting voert voorts aan dat hetgeen het plan mogelijk maakt niet in overeenstemming is met het dorpse karakter zoals beschreven in de plantoelichting.

2.8.1. De raad heeft er in het verweerschrift uitdrukkelijk op gewezen dat uitgangspunt is dat het dorpse karakter van Duivendrecht wordt gehandhaafd, hetgeen in de plantoelichting op het bestemmingsplan op diverse plaatsen is aangegeven. Kenmerkend hierbij is een pandsgewijze en gevarieerde opbouw van de bebouwing. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat het dorpse karakter als gevolg van het plan niet kan worden gehandhaafd.

Het betoog faalt.

2.9. De stichting voert ten slotte aan dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is onderbouwd.

2.9.1. De Afdeling stelt voorop dat bij een plan met een globaal karakter, zoals het onderhavige, het onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid in beginsel ook een globaler karakter kan hebben. In een later stadium, bij het uitwerkingsplan, dient een meer gedetailleerd onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid plaats te vinden.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de gronden ten westen van de Kloostersingel, met de bestemming "Gemengd-Uit te werken", in eigendom toebehoren aan de gemeente. De ondergrond en opstal van de school vervallen bij nieuwbouw aan de gemeente. De kosten zijn volgens de raad door middel van gronduitgifte verzekerd.

De gronden ten oosten van de Kloostersingel, waarop de bestemming "Centrum" met de aanduiding "Wro-zone-wijzigingsgebied" rust, behoren in eigendom toe aan verschillende particuliere partijen. Volgens de plantoelichting zal het kostenverhaal ten aanzien van deze gronden te zijner tijd worden vastgelegd in een hierop betrekking hebbende anterieure privaatrechtelijke overeenkomst of in een exploitatieplan.

Ter zitting is van de zijde van de raad voorts toegelicht dat het Stedenbouwkundig Programma van Eisen van 5 februari 2008 het uitgangspunt is geweest voor het onderhavige plan. In voormeld Stedenbouwkundig Programma van Eisen is op basis van het stedenbouwkundig plan de financieel economische haalbaarheid in kaart gebracht.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende is onderbouwd.

Het betoog faalt.

2.10. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

490.