Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8736

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
200909290/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2009, kenmerk 322/21, heeft de raad het bestemmingsplan "Noordoosttangent 2009 I" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909290/1/R3.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hoogeind Laanbomen B.V., gevestigd te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tilburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2009, kenmerk 322/21, heeft de raad het bestemmingsplan "Noordoosttangent 2009 I" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Hoogeind Laanbomen en anderen bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 29 januari 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2011, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. L. de Regt-Nouwens, ing. P. Glerum, E. Hormann, allen werkzaam bij de gemeente, en ing. E. Been, werkzaam bij Oranjewoud, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De raad heeft de ontvankelijkheid van het beroep van Hoogeind Laanbomen en anderen betwist, voor zover dit betrekking heeft op de door het plan veroorzaakte stankoverlast. Het beroep van Hoogeind Laanbomen en anderen steunt volgens de raad in zoverre niet op een bij hem naar voren gebrachte zienswijze.

2.1.1. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. In de zienswijze hebben Hoogeind Laanbomen en anderen zich gericht tegen het gehele (ontwerp)bestemmingsplan. De geurhinder die wordt veroorzaakt door het plan, raakt dit plan in zijn geheel. Gelet hierop zijn Hoogeind Laanbomen en anderen geheel ontvankelijk in hun beroep.

2.2. De raad heeft op 20 januari 2011 het rapport "Update rapportage luchtkwaliteit Verdubbeling Noordoosttangent Tilburg" overgelegd aan de Afdeling. Zoals ter zitting is medegedeeld, zal de Afdeling dit rapport wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, gelet op de omvang en aard van dit stuk, het voor de wederpartij niet mogelijk was tijdig op passende wijze te reageren. Verder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet van de raad kon worden verlangd dat hij dit rapport eerder had ingediend.

2.3. Het plan voorziet tezamen met het bestemmingsplan Noordoosttangent 2009 II in het juridisch-planologische kader voor de verdubbeling van het enkelbaans tracé van de Burgemeester Bechtweg tussen de A65 en N261 ten noordoosten van Tilburg.

2.4. Hoogeind Laanbomen en anderen stellen dat zij als gevolg van het plan opnieuw kwekerijgrond moeten afstaan, met als gevolg een inperking van de teeltmogelijkheden op hun gronden. Uit het verweerschrift en hetgeen de raad ter zitting naar voren heeft gebracht blijkt dat de gemeente de betreffende gronden inmiddels heeft verworven en dat Hoogeind Laanbomen en anderen de beschikking hebben gekregen over compensatiegronden door middel van de op 14 april 2010 tussen hen en de gemeente gesloten koop- en pachtovereenkomst. Gelet hierop hebben Hoogeind Laanbomen en anderen geen belang meer bij het bespreken van hetgeen zij hebben aangevoerd over het afstaan van hun kwekerijgronden.

2.5. Hoogeind Laanbomen en anderen voeren aan dat de in het plan voorziene verbreding van de Burgemeester Bechtweg zal leiden tot meer verkeer en hiermee tot meer stankoverlast van uitlaatgassen, verslechtering van de luchtkwaliteit wat betreft de concentratie aan zwevende deeltjes (PM10) en een toename van de geluidbelasting. Zij twijfelen aan de juistheid van het uitgevoerde onderzoek. Zo is de afname van de geluidbelasting berekend op basis van een aanname van de hoeveelheid verkeer. Indien toch een overschrijding plaatsvindt van de geluidnormen, is er volgens hen ten onrechte geen garantie dat aanvullende maatregelen zullen worden genomen om hun belangen te beschermen. Dat de wettelijke normen voor geluidbelasting en luchtkwaliteit niet worden overschreden, betekent volgens hen niet dat er geen sprake is van een verslechtering van hun situatie. Verder komen Hoogeind Laanbomen en anderen op tegen het voor het plan gemaakte milieueffectrapport (hierna: MER).

2.5.1. De Afdeling vat het betoog van Hoogeind Laanbomen en anderen over het MER op als een nadere onderbouwing van hun beroepsgronden over de gevolgen van het plan voor het milieu.

Ten behoeve van het plan heeft bureau Oranjewoud een MER gemaakt, "Noordoosttangent Tilburg, Milieueffectrapportage voor de verdubbeling van de Burgemeester Bechtweg" van april 2009. In dit MER is voor het bepalen van de te verwachten verkeersintensiteiten gebruik gemaakt van het regionale verkeersmodel van de gemeente Tilburg. Dit model is gebaseerd op recente verkeerstellingen en alle toekomstige ontwikkelingen en voorziene infrastructurele aanpassingen op basis van vastgesteld beleid zijn hierin meegenomen. Dat bij dit soort berekeningen gebruik wordt gemaakt van aannames is niet te vermijden en algemeen geaccepteerd. Op basis van de berekende verkeersintensiteiten heeft Oranjewoud onderzoek gedaan naar de te verwachten ontwikkelingen omtrent geluidhinder en luchtkwaliteit als gevolg van de verdubbeling van de Burgemeester Bechtweg. Hoogeind Laanbomen en anderen hebben niet aangetoond dat de resultaten hiervan ondeugdelijk zijn. Nu uit het onderzoek naar voren komt dat bij de realisering van het plan de wettelijke normen voor luchtkwaliteit en geluidhinder in acht zullen worden, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor Hoogeind Laanbomen en anderen. Het betoog faalt.

2.6. Hoogeind Laanbomen en anderen voeren aan dat niet duidelijk is hoe het water dat wordt opgevangen in de verbrede bermsloten vervolgens zal worden afgevoerd. Zij voeren aan dat door de realisering van het plan het risico bestaat dat de bestaande sloten, die niet worden aangepast, de hoeveelheden water niet kunnen verwerken en dat deze zullen overlopen en de omgeving verzadigd raakt met grondwater, waardoor de kwekerijopstanden schade zullen oplopen.

2.6.1. De raad stelt dat de huidige bermsloten, gezien het geprojecteerde verharde oppervlak, meer dan voldoende afvoercapaciteit hebben. Er bestaat dan ook geen risico op wateroverlast op de aangrenzende gronden, aldus de raad.

2.6.2. Blijkens de stukken, waaronder het verweerschrift, heeft een berekening plaatsgevonden met de geprojecteerde verharde oppervlakten. Uit de berekeningen volgt dat de benodigde afvoercapaciteit voor dit project ruimschoots gehaald wordt met de vorm en grootte van de huidige bermsloten. In de toekomst zal compartimentering van de bermsloten plaatsvinden, daar waar dit noodzakelijk wordt geacht in verband met de hoogteligging van de aansluitende gronden. Afvoer zal hierdoor getrapt plaatsvinden in de richting van de leggerwatergangen. Deze zijn in beheer bij het waterschap De Dommel. Hierover heeft al afstemming plaatsgevonden met het waterschapsbestuur. Hoogeind Laanbomen en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de uitgevoerde berekeningen onjuist zijn. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat er geen gevaar bestaat voor wateroverlast op de aangrenzende gronden van Hoogeind Laanbomen en anderen. Het betoog faalt.

2.7. In hetgeen Hoogeind Laanbomen en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

350-656.