Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8735

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
200903280/1/M3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college hogere geluidgrenswaarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg, als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld voor een aantal woningen te Heerhugowaard. Dit besluit is op 19 maart 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2009, beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903280/1/M3.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Heerhugowaard,

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college hogere geluidgrenswaarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg, als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld voor een aantal woningen te Heerhugowaard. Dit besluit is op 19 maart 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.G.M.F. Lantman, en het college, vertegenwoordigd door H.M. Rood, J.W. de Boer, A. Kögeler, drs. P.J.M. Rentinck, ing. M.J. Ippel, B. Klijn en D.J. Kooij, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De woningen waarvoor in verband met het ontwerpbestemmingsplan "Oosttangent tussen Rustenburgerweg en Beukenlaan" hogere geluidgrenswaarden zijn vastgesteld liggen binnen de zone van een aan te leggen nieuwe weg, de Oosttangent.

2.2. Bij het bestreden besluit van 3 maart 2009 heeft het college overwogen dat [appellante] geen belanghebbende is bij het besluit, omdat voor haar woning, met adres [locatie], geen hogere geluidgrenswaarden zijn vastgesteld. Daarom heeft het college de zienswijzen die [appellante] tegen het besluit naar voren heeft gebracht niet inhoudelijk behandeld. Bij brief van 19 augustus 2009 heeft het college erkend dat dit, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2009 in zaak nr. 200805817/1/M2 onterecht was en de zienswijzen van, onder meer, [appellante] alsnog inhoudelijk behandeld. Deze brief kan, anders dan het college stelt, niet worden aangemerkt als een besluit tot wijziging van het besluit van 3 maart 2009, aangezien de rechtsgevolgen van dit laatste besluit ongewijzigd blijven.

De Afdeling leidt uit de brief af dat het besluit van 3 maart 2009 niet zorgvuldig is voorbereid, hetgeen in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond. Het besluit dient vernietigd te worden.

2.3. De Afdeling ziet evenwel aanleiding te onderzoeken of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven.

2.4. De door [appellante] aangevoerde beroepsgronden hebben merendeels betrekking op het akoestisch onderzoek dat heeft plaatsgevonden bij haar woning, met adres [locatie], waarin volgens haar ten onrechte is vastgesteld dat bij haar woning wordt voldaan aan de in de Wet geluidhinder vastgelegde geluidgrenswaarden.

Bij het bestreden besluit zijn voor [locatie] geen hogere geluidgrenswaarden vastgesteld. Een besluit tot het vaststellen van hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de Wet geluidhinder brengt uitsluitend voor woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld rechtsgevolgen teweeg, namelijk dat ter plaatse van die woningen meer geluid geproduceerd mag worden dan artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder toestaat. Gelet daarop heeft het bestreden besluit niet tot gevolg dat ter plaatse van [locatie] meer geluid mag worden geproduceerd dan artikel 82, eerste lid, toestaat.

Het college is niet verplicht om een hogere geluidbelasting toe te laten en daartoe een hogere waarde vast te stellen. Het gevolg van het niet vaststellen van een hogere waarde kan zijn dat het bestemmingsplan "Oosttangent tussen Rustenburgerweg en Beukenlaan" niet mag worden vastgesteld zonder dat voor [locatie] krachtens de Wet geluidhinder een hogere waarde is vastgesteld. Derhalve dient de vraag of ter plaatse van [locatie] wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder aan de orde te komen in het kader van een beroep tegen een besluit omtrent dat bestemmingsplan.

De beroepsgronden die slechts betrekking hebben op onderzoek bij [locatie] kunnen gelet op al het vorenstaande geen aanleiding geven voor het oordeel dat de hogere geluidgrenswaarden, die immers voor andere woningen zijn vastgesteld, onjuist zijn.

2.5. [appellante] heeft voorts in algemene zin aangevoerd dat het akoestisch rapport, ook voor zover het de in het besluit genoemde woningen betreft, niet deugdelijk is omdat de verkeersintensiteiten te laag zijn vastgesteld. Dit heeft zij ook aangevoerd in het beroep dat zij heeft ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan dat de aanleg van de Oosttangent mogelijk maakt. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van heden, in zaak nr. 200903656/1/M3, heeft overwogen, leidt hetgeen [appellante] heeft aangevoerd niet tot de conclusie dat geen bruikbaar beeld van de te verwachten verkeersontwikkeling is gegeven.

2.6. Nu de in de overwegingen beoordeelde beroepsgronden falen, ziet de Afdeling aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

2.7. Met betrekking tot de veroordeling in de proceskosten overweegt de Afdeling als volgt.

De in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht bedoelde kostenveroordeling kan uitsluitend betrekking hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu ter zitting is vast komen te staan dat de gemachtigde de zoon van [appellante] is, heeft deze niet beroepsmatig rechtsbijstand verleend, omdat de grondslag van de rechtsbijstand is gelegen in de familierelatie tussen [appellante] en haar gemachtigde. Het verzoek om het college te veroordelen in de kosten wordt in zoverre dan ook afgewezen. Van andere proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard van 3 maart 2009;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

539.