Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8733

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
201008550/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2009 heeft het college een projectbesluit genomen ten behoeve van de bouw van drie woningen in de vorm van appartementen op de percelen Oude Postelseweg tussen de nummers 26 en 28 te Eersel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008550/1/H1.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eersel,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 20 juli 2010 in zaken nrs. 10/1748, 10/26 en 10/1730 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eersel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2009 heeft het college een projectbesluit genomen ten behoeve van de bouw van drie woningen in de vorm van appartementen op de percelen Oude Postelseweg tussen de nummers 26 en 28 te Eersel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van drie woningen in de vorm van appartementen op het perceel.

Bij uitspraak van 20 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] tegen het besluit van

23 februari 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven en het beroep tegen het besluit van 1 september 2009 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2010, waar het college, vertegenwoordigd door ing. B. Joosten, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], in persoon, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde thans van belang, en voor zover thans van belang, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd, indien:

a. (…);

b. (…);

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld dan wel met een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, 3.27 of 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening of met een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van die wet;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of

e. t/m g. (…).

2.2. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Eersel" (hierna: het bestemmingsplan), dat aan het perceel de bestemming "Wonen 1" toekent. Om voor de uitvoering ervan niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college krachtens artikel 3.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) een projectbesluit genomen.

2.3. Ingevolge die bepaling kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.

Ingevolge het tweede lid bevat het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project.

Ingevolge het vierde lid kan de gemeenteraad de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder projectbesluit verstaan: besluit, inhoudende dat ten behoeve van de verwezenlijking van een project, dat een of meer bouwwerken, werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden of het daarbij behorende gebruik kan omvatten en dat afwijkt van het geldende bestemmingsplan, dit bestemmingsplan buiten toepassing blijft.

2.4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het nemen van het projectbesluit, zoals het heeft gedaan. Daartoe voert hij aan dat met het projectbesluit wordt afgeweken van een recent bestemmingsplan.

2.4.1. Dit betoog faalt. De raad der gemeente Eersel heeft het bestemmingsplan bij besluit van 2 oktober 2007 vastgesteld.

De voorzieningenrechter heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college bij besluit van 1 september 2009 het voorliggende projectbesluit niet heeft kunnen nemen. De Wro biedt het college in artikel 3.10, eerste lid, een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare, bevoegdheid tot het mogelijk maken van bouwplannen die in strijd zijn met het bestemmingsplan. Het staat het college vrij om daarvan, na een afweging van de betrokken belangen, zoals het college heeft gedaan, gebruik te maken.

2.5. Het betoog van [appellant] dat het project een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert en het betoog dat het college na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid geen projectbesluit heeft kunnen nemen, zoals het heeft gedaan, aangezien hij daarmee in zijn woongenot wordt aangetast, zijn louter een herhaling van hetgeen hij bij de voorzieningenrechter heeft aangevoerd. De voorzieningenrechter heeft deze beroepsgronden behandeld en beoordeeld. [appellant] heeft niet betoogd dat en waarom de desbetreffende overwegingen van de voorzieningenrechter onjuist zijn.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoet. Volgens [appellant] heeft het college onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd op welke wijze het bouwplan aan de in de welstandsnota van de gemeente Eersel (hierna: de welstandsnota) gestelde criteria voldoet.

2.6.1. Dit betoog faalt. Het college heeft aan zijn oordeel dat het bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoen ten grondslag gelegd een advies van de welstandscommissie van 1 december 2009, waarin is vermeld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand op grond van de in de welstandsnota gestelde criteria. De voorzieningenrechter heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college dit advies niet aan zijn oordeel ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] niet gemotiveerd heeft aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. De enkele omstandigheid dat de welstandscommissie een eerder ontwerp van het bouwplan niet in overeenstemming met redelijke eisen van welstand heeft geacht, waarna het bouwplan, in overleg met de welstandscommissie, is aangepast en nogmaals ter advisering aan de commissie is voorgelegd, geeft geen grond voor het oordeel dat het college het welstandsadvies niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de welstandscommissie in het kader van de nadere advisering het aangepaste bouwplan met inachtneming van de door het college gegeven stedenbouwkundige uitgangspunten heeft getoetst, zoals het college desgevraagd ter zitting heeft bevestigd.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. De Haseth

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

476.