Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8732

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
200903656/1/T1/M3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Oosttangent tussen Rustenburgerweg en Beukenlaan" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld. Dit besluit is op 7 mei 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 2.2
Wet ruimtelijke ordening 2.3
Wet ruimtelijke ordening 4.1
Wet ruimtelijke ordening 4.3
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 2a
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening 9.1.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/570
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903656/1/T1/M3.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Heerhugowaard,

2. [appellant sub 2], wonend te Heerhugowaard,

3. [appellant sub 3], wonend te Heerhugowaard,

4. [appellant sub 4], wonend te Heerhugowaard,

5. [appellant sub 5], wonend te Heerhugowaard,

en

de raad van de gemeente Heerhugowaard,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Oosttangent tussen Rustenburgerweg en Beukenlaan" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld. Dit besluit is op 7 mei 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2009, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2009, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2009, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2009, en [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 5 juli 2009. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 13 juli 2009. [appellant sub 4] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 14 juli 2009. [appellant sub 5] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 23 juli 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2011, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellant sub 2], in persoon, [appellant sub 3], in persoon, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. R.G.M.F. Lantman, en [appellant sub 5], in persoon en bijgestaan door mr. R.H.A. ter Huurne, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door H.M. Rood, J.W. de Boer, A. Kögeler, drs. P.J.M. Rentinck, ing. M.J. Ippel, B. Klijn en D.J. Kooij, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. Het plangebied betreft het tracé van de Oosttangent tussen de Beukenlaan en de rotonde ter hoogte van de Rustenburgerweg en is gelegen aan de noordwestkant van de wijk Lommerhof en het bos het Waarderhout, grenzend aan de bebouwing van de Bomenwijk. Het bestemmingsplan maakt mogelijk dat op dit tracé een weg wordt gerealiseerd, aansluitend op de bestaande weg Oosttangent.

Toetsing aan rijks- en provinciaal beleid

2.3. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 5] en [appellant sub 3] betogen dat het Waarderhout, waar de Oosttangent doorheen loopt, deel uitmaakt van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS). Zij wijzen op artikel 9 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2009 en op de "Spelregels EHS, Beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-saldobenadering en herbegrenzen EHS. Een gezamenlijke uitwerking van rijk en provincies" (hierna: de spelregels EHS). Volgens deze verordening en de spelregels EHS dient bij ingrepen in EHS gebied uitgegaan te worden van het "nee, tenzij"-principe. Dat wil zeggen dat geen ingrepen met een significant negatief effect mogen plaatsvinden tenzij de ingreep van groot openbaar belang is en er redelijkerwijs geen alternatieven zijn, waarbij, indien er toch ingrepen plaatsvinden, dient te worden uitgegaan van het EHS-compensatiebeginsel, dat wil zeggen dat elders compensatie plaatsvindt voor hetgeen door de ingreep verloren gaat.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 5] betogen dat niet is aangetoond dat de ingreep van groot openbaar belang is. Het rapport van XTNT (adviesbureau Experts in Traffic and Transport) "Eindrapport Heerhugowaard goed ontsloten" (augustus 2006) (hierna: het XTNT-rapport), waarnaar in het bestemmingsplan wordt verwezen voor de onderbouwing van nut en noodzaak van het plan, is volgens hen niet onafhankelijk tot stand gekomen. In dit rapport is volgens hen niet onderkend dat de weg voorzien is in een EHS-gebied. De argumenten voor de aanleg van de weg, te weten de aanleg van de nieuwe woonwijk "De Draai" en het verkeersluw maken van de Middenweg in het centrum van Heerhugowaard, snijden volgens hen geen hout. Volgens hen werd de koppeling tussen het bestemmingsplan "De Draai" en het bestemmingsplan "Doortrekking van de Oosttangent" bij de behandeling van het eerstgenoemde plan ontkend, zoals volgens [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 5] blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2006 in zaak nr. 200508626/1/R1. Daarom kan "De Draai" volgens hen nu niet als argument voor het plan worden gebruikt.

Volgens [appellant sub 5] is geen rekening gehouden met het ontlastend effect van de aanleg van de Westfrisiaweg in de toekomst, waardoor het doortrekken van de Oosttangent niet nodig is.

Voorts is volgens [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 5] op geen enkele wijze onderbouwd wat onder verkeersluw maken van de Middenweg moet worden verstaan en is niet onderzocht wat de huidige verkeersdrukte op de Middenweg is en hoeveel die drukte zou afnemen door het doortrekken van de Oosttangent.

Zij betogen voorts dat niet is aangetoond dat er geen alternatieven zijn. In het XTNT-rapport worden twaalf alternatieven aangegeven, die alle worden verworpen om economische, praktische of financiële redenen. Aan de EHS wordt in de afwegingen geen aandacht besteed. De mogelijke alternatieven worden niet in het bestemmingsplan genoemd.

Voorts betogen zij dat in strijd met de verordening en de spelregels EHS geen mitigerende of compenserende maatregelen in het plan zijn opgenomen of gelijktijdig met het plan ter inzage gelegd. [appellant sub 3] betoogt in dit verband dat in het gebied beschermde fauna voorkomt, in het bijzonder vleermuizen, waarnaar geen deugdelijk onderzoek is verricht.

2.3.1. Onderscheid wordt gemaakt tussen algemene regels als bedoeld in de artikelen 4.3 en 4.1 van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna: Wro) enerzijds, en structuurvisies als bedoeld in de artikelen 2.3 en 2.2 van de Wro anderzijds. De algemene regels dienen in acht te worden genomen. De Provinciale Ruimtelijke Verordening 2009 stelt algemene regels zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wro. Deze verordening is op 1 januari 2009 in werking getreden. Gelet op artikel 37 van deze verordening is zij echter niet van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Artikel 37 bepaalt, samengevat, dat de verordening niet van toepassing is op nog niet in werking getreden bestemmingsplannen waarvoor het ontwerp vóór 1 januari 2009 ter inzage is gelegd. Anders dan [appellant sub 5] betoogt wordt de verordening niet alsnog van toepassing op een bestemmingsplan dat inmiddels, na 1 januari 2009, alsnog in werking is getreden. Gelet op artikel 35 van de verordening vindt in dat geval doorwerking plaats door middel van binnen 18 maanden nieuw vast te stellen bestemmingsplannen.

De Nota Ruimte, waarin de EHS is opgenomen, is een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 2a van de WRO. Ingevolge artikel 9.1.2, eerste lid van de Invoeringswet Wro is deze gelijkgesteld met een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.3 van de Wro. Aan structuurvisies en aan beleidsdocumenten zoals de spelregels EHS is de raad niet rechtstreeks gebonden. Wel dient de raad met het provinciaal en rijksbeleid rekening te houden, in die zin dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in overeenstemming met de strekking van de spelregels EHS heeft gehandeld. Gelet op dit standpunt, zoals ter zitting toegelicht, heeft de raad beoogd de spelregels EHS tot leidraad te nemen voor de weging van het belang van de EHS.

2.3.2. Niet in geschil is dat de ingreep een significant negatief effect heeft. Ten aanzien van het betoog dat niet is aangetoond dat de ingreep van groot openbaar belang is, overweegt de Afdeling als volgt. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting gaat de raad in op "nut en noodzaak" van de weg, waarbij verwezen wordt naar het XTNT-rapport. In het XTNT-rapport wordt vermeld dat de Oosttangent nuttig en noodzakelijk is, op grond van de te verwachten verkeersontwikkeling in Heerhugowaard in samenhang met de beleidsdoelen inzake bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid zoals vastgelegd in onder meer de nota "Structuurbeeld Heerhugowaard 2005-2015" en de Beleidsnota Duurzaam Veilig fase 2. Naar het oordeel van de Afdeling kon de raad zich, gelet op het XTNT-rapport, in redelijkheid op het standpunt stellen dat de aanleg van de Oosttangent van groot openbaar belang is.

Uit de door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 5] genoemde uitspraak van de Afdeling kan niet worden afgeleid dat de Oosttangent niet van groot openbaar belang is. Dat de realisatie van De Draai niet afhankelijk was gesteld van de realisatie van de verlengde Oosttangent, en ontsluiting ook op andere wijze mogelijk is, brengt niet mee dat de raad de Oosttangent niet als de optimale ontsluiting kon aanmerken.

De Afdeling constateert dat de verkeersdruk op de Middenweg is onderzocht, evenals het te verwachten effect van de aanleg van de Oosttangent. Het betoog van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 5] dat dit niet is onderzocht, mist gelet daarop feitelijke grondslag. De Afdeling acht het aannemelijk dat een alternatieve route een voorwaarde is voor het beperken van de verkeersdruk op, onder andere, de Middenweg. Daaraan doet niet af dat voor het verkeersluw maken van de Middenweg ook andere maatregelen nodig zijn.

2.3.3. Ten aanzien van het betoog dat de raad niet heeft aangetoond dat er geen alternatieven zijn, overweegt de Afdeling dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. Ook de vraag of er redelijkerwijs een alternatief is voor een ingreep in de EHS staat in beginsel ter beoordeling van de raad.

Anders dan [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 5] betogen, ziet de Afdeling, gelet op de stukken, waaronder het XTNT-rapport en de behandeling van de zienswijzen, geen grond voor het oordeel dat de raad de door hen genoemde alternatieve trajecten niet of onvoldoende in zijn besluitvorming heeft betrokken. De beslissing van de raad om de weg op de onderhavige locatie in het Waarderhout planologisch mogelijk te maken, berust op een bewuste, nader onderbouwde keuze. Hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval de grenzen van zijn beleidsvrijheid heeft overschreden.

2.3.4. Ten aanzien van het betoog dat het bestemmingsplan niet voorziet in mitigerende en compenserende maatregelen overweegt de Afdeling als volgt.

Volgens de spelregels EHS dient bij een bestemmingsplan waarin een ingreep in de EHS wordt mogelijk gemaakt, een compensatieplan gevoegd te worden. Aan deze spelregel wordt niet voldaan. In de plantoelichting is op de compensatie slechts in algemene bewoordingen ingegaan, en verwezen naar afspraken die gemaakt zullen worden met Staatsbosbeheer, de beheerder van het bos. Gelet op het verhandelde ter zitting zijn de te nemen maatregelen ook thans nog slechts ten dele duidelijk. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad door middel van een compensatieplan noch anderszins aangetoond dat het verlies van een deel van de EHS naar behoren zal worden gecompenseerd, en evenmin inzicht geboden in de wijze waarop en de termijn waarbinnen compensatie zal plaatsvinden. Het besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering, hetgeen in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betoog slaagt.

Berekening verkeersintensiteit

2.4. [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] betogen, samengevat, dat de berekening van de verkeersintensiteit op de Oosttangent berust op ondeugdelijke en onzekere aannames. Onder meer zijn er volgens hen onzekere en onjuiste aannames gehanteerd ten aanzien van diverse randvoorwaarden, zoals de aansluiting met de Westfrisiaweg en de Van Veenweg. Volgens hen zijn de marges ten aanzien van geluidsbelasting en fijn stof zo gering dat een minimale afwijking van de verkeersintensiteit een overschrijding van de wettelijke normen tot gevolg zal hebben.

2.4.1. Ter zitting heeft [appellant sub 4] nog aangevoerd dat in bijlage 5 van het verkeers- en vervoersplan van januari 2008 een overzicht is opgenomen van de avondspitsintensiteit in 2020, dat in sterke mate afwijkt van de in diverse onderzoeken gehanteerde verkeersintensiteit. Dit argument dient wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten nu de raad hiervan niet tijdig kennis heeft kunnen nemen en gelet daarop niet op passende wijze op dit argument heeft kunnen reageren.

2.4.2. De Afdeling overweegt voorts dat de raad in de plantoelichting heeft vermeld dat de verkeersgegevens zijn gebaseerd op het regionaal verkeersmodel, waarbij de prognoses zijn gebaseerd op de feitelijke en geplande ontwikkelingen in de gemeenten Heerhugowaard, Alkmaar en Langendijk. Verwezen wordt naar de verkeersgegevens in de bijlagen bij het bestemmingsplan. Volgens het deskundigenbericht wordt in de gebruikte rapporten voldoende inzicht geboden in de gehanteerde rekenmethoden, en is er geen aanleiding om te twijfelen aan de ingevoerde datagegevens, die deels verwachtingen en inschattingen betreffen. De argumenten waarmee [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] het door de raad gebruikte model en de bevindingen van het deskundigenbericht bestrijden, worden niet door deskundig onderzoek ondersteund en geven de Afdeling geen aanleiding voor de opvatting dat geen bruikbaar beeld van de te verwachten verkeersontwikkeling is gegeven. Het betoog faalt.

2.5. [appellant sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte uitgaat van de aanleg van de Westfrisiaweg, terwijl allerminst zeker is dat deze weg zal worden gerealiseerd. De gevolgen voor de verkeersintensiteiten indien de Westfrisiaweg niet wordt aangelegd, zijn volgens hem ten onrechte niet in de berekeningen betrokken.

2.5.1. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk dat de Westfrisiaweg zal worden aangelegd. Het betoog faalt.

Geluidzone

2.6. [appellant sub 2] betoogt dat de Oosttangent een driebaansweg is, omdat ze wordt aangelegd met een berijdbare middenberm. De geluidzone, waarbinnen de geluidgrenswaarden op grond van de Wet geluidhinder gelden, is derhalve 350 meter. De geluidbelasting is echter binnen een zone van 200 meter onderzocht.

2.6.1. Volgens de raad voorziet het plan in een tweebaansweg. Weliswaar is een overrijdbare middenberm voorzien, maar uitsluitend ten behoeve van hulpdiensten. Gebruik voor regulier verkeer zal niet worden toegestaan, aldus de raad.

2.6.2. Volgens de verbeelding voorziet het bestemmingsplan in twee rijstroken met de bestemming "Verkeer", waaronder blijkens de planregels onder meer wegen worden verstaan. De middenberm heeft de bestemming "Groen", waaronder blijkens de definitie in de planregels wel verkeersvoorzieningen vallen, maar geen wegen. Voorts blijkt uit de dwarsprofielen op de verbeelding dat de middenberm verhoogd wordt ten opzichte van de rijstroken. Ingevolge artikel 3.5.2 van de planvoorschriften is niet toegestaan om de gronden in strijd met de op de verbeelding aangegeven dwarsprofielen in te richten. Anders dan het deskundigenbericht concludeert de Afdeling, gelet op het vorenstaande, dat het bestemmingsplan een tweebaansweg, en geen driebaansweg, mogelijk maakt. Gelet daarop is de raad terecht uitgegaan van een bij de weg behorende zone van 200 meter. Het betoog faalt.

Geluidbelasting [locatie]

2.7. [appellant sub 4] stelt dat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van hoor- en wederhoor en andere beginselen van behoorlijk bestuur, omdat de raad haar zienswijzen ongegrond heeft verklaard zonder dat daarvoor deugdelijke argumenten zijn gegeven, en zonder dat de raad is ingegaan op de argumenten ter nadere onderbouwing van haar zienswijzen, die zij in de pleitnota voor de hoorzitting naar voren heeft gebracht.

2.7.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro, voor zover hier van belang, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling is een ontwerpbesluit ter inzage gelegd, waarop zienswijzen naar voren konden worden gebracht. Op die zienswijzen heeft de raad in de bij het bestemmingsplan gevoegde zienswijzennota gereageerd. Gelet daarop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de voor de vaststelling van het bestemmingsplan voorgeschreven procedure niet naar behoren doorlopen is. Het betoog faalt.

2.8. [appellant sub 4] betoogt dat het plan ten onrechte slechts bij de nieuw aan te leggen rotonde Oosttangent-Zuidtangent voorziet in een bypass. Volgens haar is het nodig de bypass te verlengen, teneinde te voorkomen dat het verkeer in de andere richting op de bestaande rotonde Oosttangent-Rustenburgerstraat en op de nieuwe rotonde op de kruising van Lommerhof, Oosttangent en Zuidtangent vastloopt.

2.8.1. De raad heeft toegelicht dat een verlengde bypass niet nodig is omdat de rotonde de te verwachten verkeersdruk over het algemeen zal kunnen verwerken. De, zo nodig, aan te leggen bypass in noordelijke richting zal volgens de raad ook de doorstroming in zuidelijke richting voldoende verbeteren, aangezien de rotonde daardoor ontlast wordt. Een verlengde bypass leidt er volgens de raad toe dat de weg dichter langs het huis van [appellant sub 4] zou komen te liggen, hetgeen tot een hogere geluidbelasting zou leiden.

2.8.2. In het deskundigenbericht is het standpunt van de raad onderschreven. Hetgeen [appellant sub 4] naar voren brengt geeft geen aanleiding het deskundigenbericht in zoverre onjuist te achten. Gelet daarop kon de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt stellen dat een verlengde bypass niet nodig is. Het betoog faalt.

2.9. [appellant sub 4] betoogt dat het aan het plan ten grondslag liggend geluidsonderzoek ter plaatse van haar woning, met adres [locatie], onjuist is geweest. Ten onrechte is ervan uitgegaan dat aan de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder zal worden voldaan. Volgens haar is geen rekening gehouden met het gat in de geluidswal waar de straat Lommerhof aansluit op de rotonde Oosttangent-Zuidtangent. Ook is volgens haar ten onrechte de geluidbelasting berekend op een hoogte van vijf meter, en niet op zeven en een halve meter, waar haar zolderkamer, die soms wordt gebruikt als logeerkamer, zich bevindt.

2.9.1. Volgens de raad is de zolder geen geluidgevoelige ruimte. De raad stelt in dit verband dat de ruimte niet voldoet aan de eisen die het Bouwbesluit 2003 stelt aan een verblijfsruimte: onder meer wordt niet voldaan aan ingevolge artikel 4.30 vereiste maten, en is de zolder alleen bereikbaar met een vlizotrap, niet met een vaste trap zoals vereist ingevolge artikel 2.24 van het Bouwbesluit 2003.

2.9.2. Ingevolge artikel 1.1 van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, dient onder een geluidgevoelige ruimte te worden verstaan een ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon- of eetkamer wordt gebruikt of voor zodanig gebruik is bestemd.

2.9.3. Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting zal de geluidbelasting op de gevel van [appellant sub 4] ter hoogte van de zolder, onder meer als gevolg van de onderbreking in de geluidschermen, 51 dB zijn, hetgeen 2 dB hoger is dan in de huidige situatie. Vast staat dat, indien de zolder een geluidgevoelige ruimte is als bedoeld in de Wet geluidhinder, de geluidbelasting daarmee hoger is dan de Wet geluidhinder toelaat. Gelet op het verhandelde ter zitting wordt de zolder niet regulier gebruikt als slaap-, woon- of eetkamer. Ook is zij niet voor zodanig gebruik ingericht. Wel wordt ze enkele malen per jaar gebruikt als slaapruimte voor kleinkinderen maar dit is, nu de zolder niet als slaapkamer is ingericht, onvoldoende om haar aan te merken als een ruimte die kennelijk als slaapkamer wordt gebruikt.

Voorts kon de raad uit het feit dat de zolder niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit 2003 afleiden dat zij niet voor gebruik als slaapkamer is bestemd. Het betoog faalt.

2.10. [appellant sub 4] betoogt voorts dat de raad ten onrechte heeft aangenomen dat op de rotonde met een snelheid van 30 km per uur zal worden gereden. Volgens haar zal die snelheid lager zijn. Daarom moet op het verwachte geluidsniveau de obstakelcorrectie worden toegepast voor afremmend en optrekkend verkeer op de nieuwe rotonde.

2.10.1. Volgens de raad is er geen reden om de obstakelcorrectie toe te passen. De obstakelcorrectie wordt volgens de raad alleen toegepast als de gemiddelde snelheid ter plaatse met meer dan de helft terugloopt. Volgens de raad is dat op de rotonde niet te verwachten, uitzonderingen daargelaten.

2.10.2. Ingevolge bijlage III bij het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder, voor zover hier van belang, dient een toeslag te worden berekend voor de aanwezigheid van een obstakel dat de snelheid sterk beperkt. Deze correctie wordt toegepast als ten gevolge van het obstakel de gemiddelde snelheid van het verkeer ten minste gehalveerd wordt en het verkeer ten gevolge van het obstakel afremt en weer optrekt. Vuistregels voor de toepassing van een obstakelcorrectie zijn gegeven in de Handleiding Akoestisch Onderzoek Wegverkeer van de Dienst verkeer en scheepvaart van Rijkswaterstaat. Als voorzieningen waardoor als gevolg van de aanwezigheid de gemiddelde snelheid met de helft wordt teruggebracht, noemt deze handleiding kruispunten, drempels en minirotondes. De Afdeling leidt hieruit af dat een normale rotonde, zoals de onderhavige, niet geacht wordt tot een vermindering van de snelheid met de helft, als bedoeld in het Reken- en meetvoorschrift, te leiden. Gelet daarop heeft de raad zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat geen obstakelcorrectie diende te worden toegepast. Het betoog faalt.

2.11. [appellant sub 4] betoogt voorts dat de situatie ter hoogte van haar woning ten onrechte is aangemerkt als een reconstructiesituatie. Volgens haar ligt de woning in de zone van een nieuwe weg.

2.11.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet geluidhinder, voor zover thans van belang, is een reconstructie van een weg aan de orde bij één of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting die als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt, met 2 dB of meer wordt verhoogd.

Ter hoogte van [locatie] wordt de huidige aansluiting Oosttangent - Zuidtangent - Lommerhof vervangen door een rotonde. Naar het oordeel van de Afdeling is dit aan te merken als een wijziging van een bestaande weg. Zonder maatregelen wordt de geluidbelasting met meer dan 2 dB verhoogd. Gelet daarop is de raad terecht van een reconstructiesituatie uitgegaan. Het betoog faalt.

Aantasting woonomgeving

2.12. [appellant sub 5] betoogt dat zijn woonomgeving zal worden aangetast door de aanleg van de Oosttangent. Als gevolg van de oprichting van een geluidswal van 3,5 meter hoog zal hij uitzicht verliezen. Voorts verwacht hij lichthinder als gevolg van de plaatsing van lichtmasten van acht meter hoog.

2.12.1. Aannemelijk is dat de realisatie van de Oosttangent een negatieve invloed zal hebben op de woonomgeving van, onder anderen, [appellant sub 5]. De effecten zijn echter, gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, niet dusdanig ingrijpend dat de raad niet in redelijkheid het belang van de weg zwaarder heeft mogen laten wegen dan de negatieve invloed op de woonomgeving. Het betoog faalt.

Bestuurlijke lus

2.13. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het in overweging 2.3.4 vermelde gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 2.3.4 het besluit van 24 maart 2009 alsnog toereikend te motiveren, of zo nodig, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. In het laatste geval dient het nieuwe besluit of wijzigingsbesluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

2.14. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de raad van de gemeente Heerhugowaard op om binnen 13 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van overweging 2.3.4. het besluit van 24 maart 2009 alsnog toereikend te motiveren, of zo nodig het bestreden besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. In het laatste geval dient het nieuwe besluit of wijzigingsbesluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;

2. de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

539.