Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8731

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
201012839/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "De Pirk-Noord" en het exploitatieplan "Exploitatieplan De Pirk-Noord Vaassen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012839/2/R2.

Datum uitspraak: 17 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Epe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "De Pirk-Noord" en het exploitatieplan "Exploitatieplan De Pirk-Noord Vaassen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2011, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid De Pirk B.V. en Ter Steege Vastgoed Apeldoorn B.V. hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 maart 2011, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door C.A.P. Bolhuis, en de raad, vertegenwoordigd door D.D. Scarse MSc, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting De Pirk B.V. en Ter Steege Vastgoed Apeldoorn B.V., vertegenwoordigd door mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van een oud bedrijventerrein De Pirk-Noord naar een woongebied en maakt de bouw van ongeveer 81 woningen mogelijk. Het plan is gewijzigd vastgesteld onder meer naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010, in zaak nr. 200909070/1/R2, waarbij het besluit van 17 september 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Pirk-Noord" en het exploitatieplan "Exploitatieplan De Pirk-Noord Vaassen" is vernietigd.

2.3. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, onder a, gelezen in verbinding met categorie 3, onder 3.1 van bijlage I van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op dit besluit.

2.4. De voorzitter ziet in de door [verzoeker] aangevoerde formele punten geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het betoog van [verzoeker] heeft in zoverre betrekking op mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen naar het oordeel van de voorzitter geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.5. Het verzoek van [verzoeker] heeft onder meer betrekking op zijn perceel [locatie], waaraan in het plan de bestemming "Wonen" en "Tuin" is toegekend. Gelet op het verhandelde ter zitting heeft [verzoeker] voor dit perceel aanvragen gedaan om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfsgebouw.

Voor zover het verzoek van [verzoeker] er aldus toe strekt om een voorziening te treffen die de bouw van dat bedrijfsgebouw mogelijk maakt, terwijl het onderhavige plan daarin niet voorziet, overweegt de voorzitter dat een voorziening waarmee het door hem gewenste resultaat kan worden bereikt, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, te verstrekkend is. Daartoe overweegt de voorzitter dat ook de uitspraak van de Afdeling, gelet op de aard van de toetsing in de bodemprocedure, doorgaans niet zal strekken tot het zelfvoorziend vaststellen van een planregeling als door [verzoeker] beoogd. Van uitzonderlijke omstandigheden welke nopen tot een andere conclusie is niet gebleken. In de enkele omstandigheid dat het oude plan volgens [verzoeker] de beoogde bebouwing wel mogelijk maakt, ziet de voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, juist omdat de raad zoals ter zitting is bevestigd uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten op het perceel niet langer wenselijk acht en [verzoeker] naar het oordeel van de voorzitter niet aannemelijk heeft gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

2.6. Wat betreft het betoog van [verzoeker] gericht tegen het gebruik van gebouwen ten behoeve van een seksinrichting, overweegt de voorzitter dat [verzoeker] volstaat met een herhaling van zijn betoog dat hij in de vorige procedure naar voren gebracht heeft gebracht. In eerdergenoemde uitspraak van 1 september 2010 heeft de Afdeling daarin geen aanleiding gezien het plan te vernietigen. Reeds omdat [verzoeker] geen gewijzigde feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, zal de Afdeling naar verwachting van de voorzitter in de bodemprocedure oordelen dat geen aanleiding bestaat over deze bezwaren anders te oordelen dan zij in eerdergenoemde uitspraak heeft gedaan.

2.7. [verzoeker] voert verder aan dat geen noodzaak bestaat om de in het plan voorziene woningen te realiseren en dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte voorbij is gegaan aan een nieuw onderzoek van de Regio Stedendriehoek, waarvan de gemeente Epe deel uitmaakt, naar de woningbehoefte in de regio. Uit dit onderzoek, dat is opgesteld voorafgaand aan de vaststelling van het plan, blijkt volgens [verzoeker] dat sprake is van een afnemende behoefte aan woningen in de regio.

2.7.1. Ingevolge artikel 1.10, eerste lid, van de Chw kan het bestuursorgaan, indien het na vernietiging van een besluit door de administratieve rechter een nieuw besluit moet nemen, dat besluit baseren op de feiten waarop het vernietigde besluit berustte, behoudens voor zover de onjuistheid of het onvoldoende vast staan van deze feiten een grond voor de vernietiging was.

2.7.2. De Afdeling heeft in eerdergenoemde uitspraak van 1 september 2010 het betoog van [verzoeker], dat geen noodzaak bestaat om de in het plan voorziene woningen te realiseren, ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat uit de "Woonvisie gemeente Epe 2005-2015" volgt dat de totale behoefte in de gemeente Epe uit ongeveer 1.600 woningen bestaat en dat de raad de Woonvisie voldoende actueel heeft mogen achten. De Afdeling heeft in de uitspraak geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de bouw van de in het plan voorziene woningen grotendeels wordt voorzien in een actuele woningbehoefte in de gemeente Epe.

2.7.3. Uit de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010 volgt derhalve dat [verzoeker] de aan het oorspronkelijke vaststellingsbesluit van 17 september 2009 ten grondslag gelegde feiten, wat betreft de noodzaak van de in het plan voorziene woningen, tevergeefs heeft betwist. Gelet op artikel 1.10, eerste lid, van de Chw mocht de raad naar het oordeel van de voorzitter bij de hernieuwde vaststelling van het bestemmingsplan "De Pirk-Noord" uitgaan van de juistheid van deze feiten en behoefde de raad geen rekening te houden met de uitkomsten van het nieuwe onderzoek naar de woningbehoefte. Nu voorts uit de plantoelichting volgt dat de raad bij de vaststelling van het onderhavige plan wederom is uitgegaan van de in de Woonvisie opgenomen woningbehoefte in de gemeente Epe, ziet de voorzitter dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende behoefte aan de voorziene woningen bestaat.

2.8. [verzoeker] betoogt dat geen sprake is van een sluitende parkeerbalans. Daartoe voert hij aan dat in het plan ten onrechte niet is verwezen naar het vastgestelde Parkeerbeleidplan.

Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 1 september 2010 reeds heeft overwogen, zijn bij het opstellen van het Parkeerbeleidplan van de gemeente Epe van 30 september 2009 de standaard parkeernormen van het CROW als uitgangspunt gehanteerd. Nu bij de vaststelling van het onderhavige plan eveneens is uitgegaan van deze normen, ziet de voorzitter in de enkele omstandigheid dat in de plantoelichting niet expliciet is verwezen naar het Parkeerbeleidplan geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hierbij neemt de voorzitter bovendien in aanmerking dat [verzoeker] heeft nagelaten aan te geven waarom de parkeerbalans, bezien in het licht van het Parkeerbeleidplan, niet sluitend is.

2.9. Voorts biedt naar het oordeel van de voorzitter de omstandigheid dat het Besluit bouwvergunningsvrije en licht- bouwvergunningsplichtige bouwwerken niet langer van kracht is onvoldoende grond voor het oordeel dat reeds daarom de in artikel 1 van de planregels opgenomen begripsomschrijvingen van aanbouw, uitgebouw en bijgebouw, waarvoor is aangesloten bij voormeld Besluit, onvoldoende duidelijk zijn. Nu [verzoeker] overigens niet heeft aangegeven waarom de in het plan opgenomen omschrijving van deze begrippen niet juist is, verwacht de voorzitter niet dat het plan in zoverre in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.

2.10. Volgens [verzoeker] zijn voorts de planregels rechtsonzeker voor zover het de toegestane bouwhoogte op zijn perceel [locatie] betreft, nu de maximale bouwhoogte afhankelijk is van de afstand tussen zijn woning en de molen.

Ter zitting is door de raad uiteengezet dat, gelet op de afstand van ongeveer 220 meter van de woning van [verzoeker] tot Daams' molen, ingevolge artikel 12, lid 12.1.1., onder a, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 7.2.1., aanhef en onder j, van de planregels, in afwijking van de op de verbeelding voor zijn perceel aangegeven maximale bouwhoogte van 11 meter op het perceel van [verzoeker] voor nieuw op te richten bebouwing een maximale bouwhoogte geldt van 7,9 meter. Anders dan [verzoeker] betoogt, ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre rechtsonzeker is. De voorzitter acht verder van belang dat, gelet op artikel 12, lid 12.1.1., onder b, van de planregels, na ophoging van Daams' molen met 4,90 meter, de maximale bouwhoogte op het perceel van [verzoeker] overeenkomstig de op de verbeelding aangegeven bouwhoogte maximaal 11 meter mag bedragen. De voorzitter wijst er in dit verband op dat met de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2011, in zaak nr. 201003348/1/R2, het bestemmingsplan "Daams' Molen te Vaassen", dat de ophoging van de molen planologisch mogelijk maakt, onherroepelijk is geworden.

De voorzitter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.

2.11. Voorts stelt [verzoeker] dat in het bestemmingsplan onvoldoende rekening is gehouden met Daams' molen, nu niet het gehele plangebied binnen de molenbiotoop is gebracht. Verder klaagt hij over het ontbreken van een verklaring van het college van gedeputeerde staten van Gelderland dat geen vergunning is vereist op grond van de Gelderse Molenverordening en dat ten onrechte de berekeningsformule, die is opgenomen in de Uitvoeringsregeling Gelderse Molenverordening, niet in het plan is gehanteerd.

2.11.1. Ingevolge artikel 1.9 van de Chw, dat onderdeel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw, dient de bestuursrechter een besluit niet te vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 49) kan worden afgeleid dat de wetgever met dit artikel de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad.

2.11.2. Nu [verzoeker] geen eigenaar van Daams' molen is en ook anderszins niet is gebleken dat hij rechten heeft met betrekking tot deze molen en hij voorts op aanzienlijke afstand daarvan woont, neemt de voorzitter voorshands aan dat de Gelderse Molenverordening en de Uitvoeringsregeling Gelderse Molenverordening kennelijk niet strekken ten behoeve van de bescherming van de belangen van [verzoeker]. Het voorgaande en hetgeen de Afdeling in overweging 2.4.3. van haar uitspraak van 19 januari 2011, in zaaknr. 201006426/1/R2 heeft overwogen leidt ertoe dat de voorzitter verwacht dat, daargelaten of deze beroepsgrond indien de Chw niet van toepassing zou zijn in de hoofdzaak zou slagen, de Afdeling dit betoog buiten beschouwing zal laten, nu artikel 1.9 van de Chw er aan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

2.12. Verder stelt [verzoeker] dat de raad weliswaar een Staat van Bedrijfsactiviteiten conform bijlage 4 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgegeven brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: VNG-brochure) aan het plan heeft toegevoegd, maar dat de in de VNG-brochure genoemde afstanden niet kunnen worden gehaald. Ten onrechte is niet aangegeven waarom van die afstandsnormen mag worden afgeweken, zodat volgens [verzoeker] een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gewaarborgd.

2.12.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 1 september 2010 overwogen dat de raad in het onderhavige geval terecht is uitgegaan van een "gebied met functiemenging" maar dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de toegestane bedrijfsfuncties toelaatbaar zijn, nu voor de Staat van Bedrijfsactiviteiten niet is uitgegaan van bijlage 4 van de VNG-brochure, maar van bijlage 1 van die brochure en de afstanden die in bijlage 1 worden aanbevolen in het plan niet worden gehaald.

2.12.2. Onder verwijzing naar pagina 24 en pagina 39 van de plantoelichting en bijlage 4 van de VNG-brochure, stelt de voorzitter vast dat in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, die als bijlage 1 bij het plan is gevoegd, uitsluitend bedrijfsactiviteiten zijn opgenomen die vallen onder de in bijlage 4 van de VNG-brochure opgenomen categorieën A en B. Dit betekent dat het plan alleen die bedrijfsactiviteiten toelaat die met het oog op de milieubelasting aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd, alsmede die activiteiten die in een functiemengingsgebied kunnen worden uitgeoefend zolang zij bouwkundig afgescheiden zijn van woningen en andere gevoelige functies. De weergave van de toegestane bedrijfsactiviteiten in de Staat van Bedrijfsactiviteiten komt echter overeen met de weergave van bedrijfsactiviteiten zoals die in bijlage 1 van de VNG-brochure is opgenomen. Nu voor de toegestane activiteiten een keuze is gemaakt uit de bedrijfsactiviteiten die vallen onder de categorieën A en B uit bijlage 4 van de VNG-brochure, was het naar het oordeel van de voorzitter beter geweest als voor de weergave van de toegestane bedrijfsactiviteiten in de Staat van Bedrijfsactiviteiten de omschrijving van die bedrijven zoals opgenomen in bijlage 4 was overgenomen. Nu dit niet is gebeurd is niet aanstonds duidelijk dat de activiteiten in lijst 1 van bijlage 1 activiteiten zijn die vallen onder categorie A en dat de activiteiten in lijst 2 van bijlage 1 vallen onder categorie B. De voorzitter ziet in deze onduidelijkheid echter onvoldoende aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Nu het plan alleen bedrijfsactiviteiten toestaat die vallen onder de categorieën A en B van bijlage 4, het plangebied als een functiemengingsgebied kan worden aangemerkt en het plan niet voorziet in een bedrijfsbestemming aanpandig aan woningen, heeft de raad zich naar het oordeel van de voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat voldoende is gewaarborgd.

2.13. Gelet op het vorenstaande en gelet op de belangen die zijn gemoeid met de bouw van de woningen ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Verbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2011

432.