Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8729

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
201008189/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2008, voor zover thans van belang, hebben gedeputeerde staten een verzoek van de VVMN om openbaarmaking van alle beschikbare documenten die betrekking hebben op de clustering van varkensbedrijven, de Stichting Gezinsbedrijf Plus en haar vertegenwoordigers en de locatie Visschersdijk 4 te Markelo en de daarbij behorende landbouwgronden gedeeltelijk afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/205 met annotatie van P.J. Stolk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008189/1/H3.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging Varkenscluster Markelo Nee,

gevestigd te Markelo, gemeente Hof van Twente (hierna: de VVMN),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) van 12 juli 2010 in zaak nr. 09/1116 in het geding tussen:

de VVMN

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: gedeputeerde staten).

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2008, voor zover thans van belang, hebben gedeputeerde staten een verzoek van de VVMN om openbaarmaking van alle beschikbare documenten die betrekking hebben op de clustering van varkensbedrijven, de Stichting Gezinsbedrijf Plus en haar vertegenwoordigers en de locatie Visschersdijk 4 te Markelo en de daarbij behorende landbouwgronden gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 20 mei 2009 hebben zij het door de VVMN daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, een deel van de verzochte stukken alsnog openbaar gemaakt, en voor het overige ongegrond.

Bij uitspraak van 12 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de VVMN daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover gedeputeerde staten de weigering om een brief van 6 oktober 2004, inhoudende de opdracht aan de Dienst Landelijk Gebied voor verwerving van gronden voor de vestiging van een varkenscluster openbaar te maken daarbij hebben gehandhaafd, bepaald dat zij in zoverre een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen, en voor het overige ongegrond. De uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de VVMN bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 26 juli 2010 hebben gedeputeerde staten ter uitvoering van de uitspraak het bezwaar tegen de weigering om de brief van 6 oktober 2004 openbaar te maken gegrond verklaard en deze brief openbaar gemaakt.

Bij brief van 26 oktober 2010 heeft de VVMN een reactie op dat besluit ingediend.

Gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend.

De VVMN heeft de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, om mede op de grondslag van de stukken, waarvan openbaarmaking is geweigerd, uitspraak te doen.

Bij besluit van 15 november 2010 hebben gedeputeerde staten nog drie stukken openbaar gemaakt.

De VVMN heeft hierop bij brief van 1 december 2010 een reactie ingediend.

De VVMN heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2011, waar de VVMN, vertegenwoordigd door haar [bestuurders], en gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. M. Hoogeboom en G. Valkeman, beiden werkzaam in dienst van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in artikel 10.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, blijft het verstrekken van informatie achterwege, voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen.

2.2. Gedeputeerde staten hebben geweigerd de stukken die betrekking hebben op de grondtransacties openbaar te maken, omdat die transacties nog niet zijn afgerond. Volgens hen zou de onderhandelingspositie van de provincie door openbaarmaking van die stukken te zeer worden geschaad.

2.3. De VVMN betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat gedeputeerde staten het economisch en financieel belang van de provincie in redelijkheid hebben kunnen laten prevaleren boven het algemeen belang bij openbaarmaking van die stukken, omdat de grondtransacties nog niet zijn afgerond, heeft miskend dat alle partijen die op de betrokken grondmarkt opereren reeds een grote mate van bekendheid met die markt hebben en delen van de mogelijke strategie van de provincie die betrekking hebben op haar eventuele onderhandelingspositie inmiddels bekend zijn. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte de belangen van de burgers die door het geplande varkenscluster ernstig zullen worden geschaad niet laten meewegen, aldus de VVMN.

Zij heeft verder aannemelijk gemaakt dat bij gedeputeerde staten meer relevante documenten berusten dan openbaar zijn gemaakt. Daartoe verwijst zij naar tussenrapportages waarmee de Stichting Gezinsbedrijf Plus gedeputeerde staten ingevolge een subsidiebeschikking van 19 juli 2005 tot en met 30 december 2008 iedere zes maanden heeft moeten informeren. De gemachtigde van gedeputeerde staten heeft ter zitting bij de rechtbank meegedeeld dat openbaarheid van die rapportages niet op bezwaren stuit, aldus de VVMN.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 14 mei 2003 in zaak nr. 200203532/1), dient openbaarmaking krachtens de Wob uitsluitend het algemeen belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de wet vooronderstelt. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Derhalve mag ten aanzien van openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naargelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook het algemeen belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken, maar niet het belang van de verzoeker.

In het licht hiervan is het algemeen belang bij openbaarmaking van de gegevens omtrent de grondtransacties uitgangspunt en mocht uitsluitend dat belang, niet de door de VVMN gestelde belangen van de burgers, wonend en werkend in Markelo, worden afgewogen tegen de belangen die gedeputeerde staten hebben gesteld.

2.3.2. De stukken, waarvan openbaarmaking is geweigerd, bevatten financiële gegevens inzake de grondexploitatie van de provincie. Nu openbaarmaking van een document ertoe leidt dat dit voor een ieder kenbaar is, zouden derden bij openbaarmaking hun onderhandelingspositie

bij de doorverkoop van de resterende gronden aan de Visschersdijk ten opzichte van de provincie op die gegevens kunnen afstemmen. Openbaarmaking van deze stukken kan de onderhandelingspositie van de provincie aldus zodanig beïnvloeden, dat haar economische of financiële belangen geschaad worden. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat gedeputeerde staten deze belangen niet in redelijkheid hebben kunnen laten prevaleren boven het algemeen belang bij openbaarmaking ervan.

2.3.3. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 22 augustus 2007 in zaak nr. 200701417/1), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust.

2.3.4. Het betoog van de VVMN dat de rechtbank, door te overwegen dat zij op het provinciehuis het zogeheten reconstructiedossier heeft kunnen inzien, heeft miskend dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om per computer vrij naar relevante stukken te zoeken, maar een ambtenaar voor haar naar die digitale stukken heeft gezocht, slaagt evenmin. De Wob voorziet er niet in dat een verzoeker om informatie in staat wordt gesteld daarnaar zelfstandig per computer te zoeken. De rechtbank heeft in de gestelde omstandigheid dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat gedeputeerde staten onvoldoende hebben gedaan om de VVMN inzicht in de beschikbare informatie te verschaffen.

2.3.5. Aan het besluit van 15 november 2010 hebben gedeputeerde staten naar aanleiding van het desbetreffende betoog van de VVMN ten grondslag gelegd dat zij op grond van de hiervoor onder 2.3 vermelde subsidiebeschikking van 19 juli 2005 van de Stichting Gezinsbedrijf Plus geen tussenrapportages, maar alleen de eindrapportage 2005-2009 van juni 2009 hebben ontvangen. Bij dat besluit hebben zij deze rapportage, een rapportage van de stichting over het project "Clusteren varkenshouderijbedrijven op duurzame locaties" van 23 december 2005 en een rapport "Het ruimtelijk ontwerp en de architectonische uitgangspunten voor de hervestiging van zes varkensbedrijven in het varkenscluster Markelo" van LTO Noord Projecten van 7 augustus 2008 openbaar gemaakt. Ter zitting bij de Afdeling hebben gedeputeerde staten verklaard dat bij hen, met uitzondering van de hiervoor onder 2.2 vermelde gegevens, niet meer relevante stukken over de bestuurlijke aangelegenheid berusten dan thans openbaar zijn gemaakt. Die mededeling is niet ongeloofwaardig. Ook met de stelling ter zitting bij de Afdeling dat zij vermoedt dat er een nader document is dat ten grondslag heeft gelegen aan de in het besluit van 20 mei 2009 vermelde, thans niet openbaar gemaakte notitie, heeft de VVMN niet aannemelijk gemaakt dat dit of nog enig ander relevant stuk bij gedeputeerde staten berust. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Gelet op het voorgaande, zijn de beroepen tegen de besluiten van 26 juli en 15 november 2010 ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart de beroepen tegen de besluiten van 26 juli en 15 november 2010 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

419-598.