Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8718

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
201007229/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college aan [vergunninghouders] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een woning en het vestigen van een kapsalon op het perceel [locatie] te Minnertsga.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4859
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007229/1/H1.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Minnertsga, gemeente Het Bildt,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 juli 2010 in zaak nr. 09/3108 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Het Bildt.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college aan [vergunninghouders] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een woning en het vestigen van een kapsalon op het perceel [locatie] te Minnertsga.

Bij besluit van 23 december 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het door [appellant] ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [vergunninghouders] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2011, waar [appellant], bijgestaan door drs. C. Atema, en het college, vertegenwoordigd door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, zijn verschenen. Voorts zijn daar [vergunninghouders], bijgestaan door mr. C. Lubben, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in een bouwwerk van 62,6 m2, met op de begane grond een ruimte van ongeveer 23 m2 die zal worden gebruikt als kapsalon, een bijkeuken, een toilet en een kinderspeelkamer. Het bouwwerk is gesitueerd tegen de op het perceel staande woning en heeft zowel op de begane grond als op de verdiepingsvloer een toegang tot deze woning.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat gold ten tijde van belang, moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan "Minnertsga de Bôle III" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 4, onder A, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor woondoeleinden aangewezen gronden bestemd voor

1. woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep;

2. aan- en uitbouwen;

3. bijgebouwen.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte onbesproken heeft gelaten dat de Afdeling ten aanzien van een eerder op het perceel te realiseren bouwplan heeft geoordeeld dat het college dat bouwplan ten onrechte als een bijgebouw of aanbouw had gekarakteriseerd, terwijl het als een uitbreiding van het hoofdgebouw diende te worden aangemerkt. Volgens [appellant] bestaat ten aanzien van het thans ter beoordeling staande bouwplan een discrepantie tussen de bij de aanvraag behorende bouwtekeningen en door het college gegeven onderbouwing van 27 april 2009 (hierna: de onderbouwing), omdat de tekeningen nog steeds uitgaan van de ondergeschikte betekenis van de uitbreiding ten opzichte van het hoofdgebouw, terwijl de onderbouwing uitgaat van een uitbreiding van het hoofdgebouw.

2.4.1. Met het college heeft de rechtbank het bouwplan terecht gekwalificeerd als een uitbreiding van een hoofdgebouw, nu dit bouwplan slechts in geringe mate afwijkt van het bouwplan ten aanzien waarvan de Afdeling in haar uitspraak van 14 januari 2009 in zaak nr. 200803127/1 heeft geoordeeld dat het de uitbreiding van een hoofdgebouw betreft. Ook in de onderbouwing gaat het college uit van deze kwalificatie. Reeds daarom is niet gebleken van een discrepantie tussen de aanvraag om bouwvergunning en de onderbouwing, waaraan de rechtbank aandacht had behoren te schenken. Evenmin is gebleken dat bij de welstandstoetsing van een onjuiste kwalificatie van het bouwplan is uitgegaan. Het betoog faalt.

2.5. Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder aan-huis-verbonden beroep verstaan: een beroep dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de kapsalon ten onrechte heeft gekwalificeerd als een aan-huis-verbonden beroep als bedoeld in voormelde bepaling. Hij voert hiertoe aan dat uit het bestemmingsplan niet valt op te maken dat de planwetgever heeft willen afwijken van de gangbare betekenis van het begrip ‘dienst’, zoals die blijkt uit de landelijke jurisprudentie. Uitgaand van die gangbare betekenis kan een kapsalon niet als een aan-huis-verbonden beroep worden aangemerkt, aldus [appellant].

2.6.1. Bij de beantwoording van de vraag of de kapsalon moet worden beschouwd als een aan-huis-verbonden beroep als bedoeld in artikel 1 van de planvoorschriften, heeft de rechtbank, in navolging van het college, datgene wat in dit verband in het bestemmingsplan is opgenomen, terecht doorslaggevend geacht. Nu het bestemmingsplan geen beperkingen bevat ten aanzien van hetgeen onder de begrippen ‘beroep’ en ‘dienst’ dient te worden verstaan en het beroep kapper bovendien is gericht op het verlenen van diensten, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college op juiste gronden heeft geconcludeerd dat het bouwplan in zoverre in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 1999 in zaak nr. H01.98.1714 (AB 1999, 279), waarnaar [appellant] verwijst, sprake was van een bestemmingsplan dat specifieke definities bevatte van de begrippen 'aan huis gebonden beroep' en 'ambachtelijk bedrijf'. Het betoog faalt.

2.7. Ingevolge artikel 4, onder B1, aanhef en onder d en e, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens ten minste 3 m zal bedragen en dat de goothoogte maximaal 4,5 m bedraagt.

Ingevolge artikel 4, onder D, aanhef en onder 1 en 2, kunnen burgemeester en wethouders, met inachtneming van het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen, vrijstelling (thans ontheffing) verlenen van de bedoelde bebouwingsbepalingen en toestaan dat de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens wordt verkleind, en dat de goothoogte van de hoofdgebouwen tot 6,5 m wordt vergroot.

Ingevolge artikel 3 (Beschrijving in Hoofdlijnen), onder 2.1.1 (Woonfunctie), is bij nieuwbouw, verbouw en uitbreiding van (bestaande) hoofdgebouwen in het algemeen de bebouwingsstructuur van de omgeving richtinggevend. De bebouwing moet blijven harmoniëren met het beeld van de aansluitende bebouwing dat bestaat uit woningen in één bouwlaag met kap (hierna: het eerste criterium).

De vrijstelling (thans ontheffing) ten behoeve van de verhoging van de goothoogte kan worden toegepast in hoeksituaties als dit het architectonisch accent van de betreffende hoeksituatie ten goede komt. De verhoging van de gootlijn mag het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aantasten (hierna: het tweede criterium).

2.8. Het college heeft ontheffing van het bestemmingsplan verleend, omdat het bouwplan voorziet in een goothoogte van 5,1 m en een afstand tot de zijdelingse perceelgrens van 0,9 m.

2.9. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid ontheffing van het bestemmingsplan kon verlenen met toepassing van artikel 4, onder D, aanhef en onder 1 en 2, van de planvoorschriften. In dat verband voert hij aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Beschrijving in Hoofdlijnen. De rechtbank is er daarbij volgens [appellant] ten onrechte aan voorbijgegaan dat de bepalingen van de Beschrijving in Hoofdlijnen als voorwaarden voor ontheffing moeten worden beschouwd. Ook heeft de rechtbank er bij haar oordeel dat het college in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen voor de afstand tot de zijdelingse perceelgrens, ten onrechte rekening mee gehouden dat het bestemmingsplan in deze omgeving zonder ontheffing een aanbouw aan een woning tot aan de perceelgrens toestaat, aldus [appellant].

2.9.1. Aan het eerste criterium uit de Beschrijving in Hoofdlijnen wordt voldaan. De rechtbank mocht hierbij rekening houden met de al aanwezige bebouwing in de omgeving van het perceel, die door het bouwplan niet wezenlijk wordt aangetast, de omstandigheid dat de afwijking van de toegestane goothoogte betrekking heeft op slechts een klein gedeelte van de goot en voorts dat in het plangebied reeds een aanbouw aan een woning tot aan de perceelgrens is toegestaan. Tevens wordt in aanmerking genomen dat het bouwplan in het kader van de welstandstoetsing positief is beoordeeld.

Ten aanzien van het tweede criterium uit de Beschrijving in Hoofdlijnen overweegt de Afdeling dat dit, mede gelet op de overige omschrijvingen in de Beschrijving in Hoofdlijnen, zo moet worden begrepen dat de daar genoemde beperking alleen geldt voor hoeksituaties. Voor andere situaties, zoals hier, geldt die beperking niet. Van strijd met dit criterium is daarom geen sprake.

[appellant] heeft zijn betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid ontheffing van het bestemmingsplan kon verlenen, niet onderbouwd.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college, gelet op alle belangen, in redelijkheid ontheffing van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen met betrekking tot de goothoogte en de afstand van de bebouwing tot de perceelgrens.

Het betoog faalt.

2.10. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding ziet het college met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de proceskosten te veroordelen, omdat hij voorafgaand aan het instellen van beroep zijns inziens geen schriftelijke ingebrekestelling aan het college hoefde te verzenden, treft geen doel, nu artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, een dergelijke ingebrekestelling wel eist. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit prematuur is, en dat de hiervoor gemaakte kosten voor rekening en risico van [appellant] moeten blijven. Dat [appellant], naar hij ter zitting heeft betoogd, op 20 december 2009 aan het college een brief heeft gezonden, voorzien van de aanduiding 'ingebrekestelling', wat daarvan zij, kan niet leiden tot een ander oordeel, nu uit voormelde bepaling volgt dat het beroepschrift, dat is gedateerd op 20 december 2009, niet eerder kan worden ingediend dan twee weken na de dag waarop de schriftelijke mededeling is verstrekt. Bovendien heeft het college op 23 december 2009 op zijn bezwaar beslist.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Montagne

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

374-619.