Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP8716

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
201002708/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Gronden van Breen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002708/1/R1.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1],

2. [appellanten sub 2] (hierna: gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3. [appellanten sub 3],

allen wonend te Ouddorp, gemeente Goedereede,

en

de raad van de gemeente Goedereede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Gronden van Breen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] bij afzonderlijke brieven, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2011, waar [appellant sub 2] en [appellanten sub 3], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.N. Schotborg en J.P. Zevenbergen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk een nieuwe woonwijk te realiseren ter plaatse van het gebied ten oosten van de Havenweg, aan de zuidzijde van Ouddorp, de zogeheten "Gronden van Breen".

Het beroep van [appellant sub 2]

2.2. [appellant sub 2] kan zich niet met het plan verenigen. Hij voert als eerste aan dat hij in december 2008 een inspraakreactie heeft ingediend en dat geen enkel punt van die inspraakreactie is verwerkt of opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan of het latere bestemmingsplan.

2.2.1. In het verweerschrift heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat een inspraakverslag aan de Commissie Grondgebiedzaken wordt voorgelegd voordat het aan de insprekers wordt toegezonden, zodat eventuele opmerkingen of voorstellen tot wijzigingen van die commissie nog kunnen worden verwerkt.

In het onderhavige geval is het inspraakverslag behandeld in de vergadering van de Commissie Grondgebiedzaken van 10 mei 2009. De beoordeling is door het gemeentebestuur bij brief van 18 mei 2009 verzonden aan alle personen die een inspraakreactie hebben ingediend, waaronder [appellant sub 2]. In die brief zijn de inspraakreacties behandeld en voorzien van een reactie van het gemeentebestuur. Dat de inspraak niet tot de door [appellant sub 2] gewenste resultaten heeft geleid, kan op zichzelf niet leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan.

Gezien het vorenstaande faalt het betoog.

2.3. Voorts voert [appellant sub 2] aan dat aan het "Cluster Ruimtelijke Ordening" de opdracht is gegeven de Gronden van Breen te ontwikkelen. Datzelfde "Cluster Ruimtelijke Ordening" heeft echter ook zijn inspraakreactie en zienswijze beoordeeld, zodat van een objectieve beoordeling geen sprake is geweest, aldus [appellant sub 2].

2.3.1. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het betoog niet kan slagen, aangezien het "Cluster Ruimtelijke Ordening" uitsluitend het ambtelijke voorbereidende werk heeft gedaan. De bestuurlijke besluitvorming is verricht door de Commissie Grondgebiedzaken en de raad. Gelet hierop is van belangenverstrengeling en subjectiviteit geen sprake.

2.4. [appellant sub 2] betoogt verder dat hij onmiddellijk nadat hij bekend werd met de voorgenomen plannen heeft getracht in overleg te treden met de gemeente. De communicatie tussen hem en de gemeente is echter gebrekkig verlopen, aldus [appellant sub 2].

2.4.1. De raad heeft in dit verband gewezen op onder meer een startersavond waarbij informatie is verstrekt omtrent het planproces, een omwonendenavond waarvoor de omwonenden zijn uitgenodigd, verschillende informatieavonden en ad hoc-overleg met omwonenden.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad zich onvoldoende heeft ingespannen voor een goede communicatie met burgers en belanghebbenden.

Voorts wordt ten aanzien van het bieden van de mogelijkheid tot overleg voorafgaande aan de vaststelling van het bestemmingsplan overwogen dat dit geen onderdeel uitmaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: de Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure, zodat het ontbreken van die mogelijkheid tot overleg, wat daar verder van zij, geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

2.5. Voorts voert [appellant sub 2] aan dat de raad zichzelf andere, gunstigere voorwaarden oplegt dan aan hem. [appellant sub 2] betoogt dat hij aan de Havenweg tegenover de "Gronden van Breen" een levensloopbestendige woning wil realiseren. Hiervoor worden door de raad ten onrechte andere eisen opgelegd dan de raad zichzelf oplegt in het kader van de ontwikkeling van de "Gronden van Breen". De raad bevoordeelt zichzelf als controlerend orgaan, aldus [appellant sub 2].

2.5.1. In het verweerschrift heeft de raad erop gewezen dat [appellant sub 2] een woning wil vervangen. Het gaat daarbij om de vervanging van een bestaande woning binnen een cultuurhistorisch waardevol bebouwingslint aan de westzijde van de Havenweg. Bij vervanging van de huidige woning zal de nieuwe woning in het bestaande bebouwingslint moeten worden ingepast. Bij de planontwikkeling in de "Gronden van Breen" ontbreekt een dergelijk bebouwingslint, zodat van eenzelfde situatie geen sprake is. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de situatie van [appellant sub 2] niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.6. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] dat hij een bij de gemeente opgevraagde rapportage van een stedenbouwkundige niet heeft ontvangen, zodat hij onvoldoende in staat was het bestemmingsplan te beoordelen, wordt overwogen dat ter zitting is komen vast te staan dat het gemeentebestuur over geen ander advies van de desbetreffende stedenbouwkundige beschikte dan het Stedenbouwkundig Masterplan. Ter zitting is van de zijde van de gemeente onweersproken gesteld dat dit Masterplan ter visie heeft gelegen.

2.7. [appellant sub 2] voert verder aan dat de "Gronden van Breen" een uiterst gevoelige cultuurhistorische waarde hebben en dat de ontwikkeling ervan met de grootste zorg dient plaats te vinden. Volgens [appellant sub 2] valt de geplande dichte bebouwing hiermee niet te verenigen.

2.7.1. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat inbreuk wordt gemaakt op de cultuurhistorische waarden ter plaatse. In dat verband is van belang dat de raad heeft aangegeven dat het gebied met lintbebouwing wordt ingericht, waardoor recht wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden. Bovendien is in overleg met het provinciebestuur van Zuid-Holland voor een invulling van het gebied gekozen die het open karakter van de gronden zoveel mogelijk respecteert.

Uit de verbeelding bij het plan blijkt voorts dat "groene longen" in het plangebied zijn aangebracht, waardoor het open karakter van de gronden zoveel mogelijk wordt gerespecteerd. In het verweerschrift heeft de raad verder nader toegelicht dat op de "Gronden van Breen" geen dichte bebouwing zal worden gerealiseerd. De bouw van de geplande 113 woningen geeft een woningdichtheid van 20,5 woningen per hectare. Het voorgaande is door [appellant sub 2] niet weersproken. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een dichte bebouwing.

Het betoog faalt.

2.8. Voorts is volgens [appellant sub 2] ten onrechte op basis van een niet recent woningbehoefteonderzoek bepaald hoeveel woningen zullen worden gerealiseerd.

2.8.1. De raad is van mening dat ondanks het feit dat het woningbehoefteonderzoek inmiddels ruim drie jaar oud is, de gegevens uit dat onderzoek nog steeds actueel zijn aangezien in Ouddorp nauwelijks is gebouwd. Uit het desbetreffende woningbehoefteonderzoek is gebleken dat in de kern Ouddorp een grote behoefte bestaat aan starterswoningen, zowel in de koop- als in de huursector. Voorts bestaat de wens voor de bouw van twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad bij de vaststelling van het plan niet in redelijkheid van deze gegevens heeft kunnen uitgaan.

2.9. Verder betoogt [appellant sub 2] dat de Havenweg in een slechte staat verkeert en niet is berekend op een toename van verkeer als gevolg van de voorziene 113 woningen. Het plan geeft bovendien geen mogelijkheid tot verbetering van de Havenweg, aldus [appellant sub 2].

2.9.1. Ter zitting is van de zijde van de raad onweersproken gesteld dat de ontsluiting van het plangebied mogelijk is zonder dat de Havenweg aangepast dient te worden en dat de capaciteit van de bestaande wegen toereikend is om de toename van het verkeer als gevolg van de voorziene woningen te kunnen verwerken. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat uit het plan niet blijkt dat ruimte bestaat voor verbreding van de Havenweg, wordt overwogen dat niet is gebleken dat de vaststelling van het plan aan een eventuele aanpassing van de Havenweg in de weg staat.

2.10. Ten slotte betoogt [appellant sub 2] dat als gevolg van het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid de realisatie van meer dan 113 woningen mogelijk wordt gemaakt. Het aantal woningen is tot stand gekomen na een advies daaromtrent van het provinciebestuur. Het gemeentebestuur heeft het maximale aantal te bouwen woningen ten onrechte verhoogd door wijzigingsbevoegdheden in het plan op te nemen. Aan deze extra woningen zou zeker geen behoefte zijn, aldus [appellant sub 2].

2.10.1. De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat het stedenbouwkundig plan mogelijkheden biedt om 113 woningen te realiseren. Voorts is het ingevolge de regels behorende bij het bestemmingsplan mogelijk langs de Havenweg nog een woning te bouwen en door middel van een planwijziging ten hoogste 4 grondgebonden woningen aan het Smalle Einde en ten hoogte 25 grondgebonden woningen op het agrarische perceel aan de zuidoostzijde van het plangebied te realiseren.

2.10.2. Ingevolge artikel 14, sub 14.2., van de regels behorende bij het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, kan het college van burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding "Wro-zone-wijzigingsgebied-1" het plan wijzigen naar de bestemming "Wonen", ten behoeve van de bouw van ten hoogste 4 grondgebonden woningen.

Ingevolge sub 14.3., voor zover thans van belang, kan het college van burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding "Wro-zone-wijzigingsgebied-2" het plan wijzigen naar de bestemming "Wonen", ten behoeve van de bouw van ten hoogste 25 grondgebonden woningen.

2.10.3. De Afdeling overweegt allereerst dat de uitvoering van een bestemmingsregeling in beginsel binnen de planperiode van tien jaar, zoals neergelegd in het tweede lid van artikel 3.1 van de Wro, voorzienbaar dient te zijn.

Ingevolge artikel 14, sub 14.2., onder g, van de planregels behorende bij het plan zal eerst van de in dat artikel opgenomen wijzigingsbevoegdheid gebruik kunnen worden gemaakt indien wordt aangetoond dat de bedrijfsactiviteiten van een agrarisch bedrijf zijn gestaakt. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat niet aannemelijk is dat binnen de planperiode gebruik zal worden gemaakt van deze wijzigingsbevoegdheid.

Ten aanzien van de in artikel 14, sub 14.3., van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid is ter zitting van de zijde van de raad meegedeeld dat zal worden voorzien in de mogelijkheid extra woningen te realiseren indien daaraan behoefte bestaat. De raad heeft voorts aangegeven dat thans geen concrete plannen bestaan om de desbetreffende woningen te realiseren en dat die behoefte wellicht eerst over 20 jaren zal ontstaan.

2.10.4. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de in artikel 14, sub 14.3., van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid is vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, onder a, gelezen in samenhang met artikel 3.1, eerste en tweede lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het betreft artikel 14, sub 14.3., van de planregels en de aanduiding "Wro-zone-wijzigingsgebied-2" dient te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 2] overigens heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het overigens aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 3]

2.11. [appellanten sub 3] kunnen zich evenmin met het plan verenigen.

2.12. De betogen van [appellanten sub 3] dat de raad op onjuiste wijze invulling heeft gegeven aan artikel 3.6 van de Wro en artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) en dat zowel het provinciebestuur als de raad op onjuiste wijze zijn omgegaan met artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), falen reeds omdat deze betogen op geen enkele wijze zijn gestaafd. Daarenboven speelt de Wob in de onderhavige procedure geen rol.

2.13. Voorts betogen [appellanten sub 3] dat de raad eerst na vijf maanden heeft gereageerd op hun inspraakreactie.

2.13.1. Ten aanzien van het bieden van inspraak voorafgaande aan de vaststelling van het bestemmingsplan, wordt overwogen dat dit geen onderdeel uitmaakt van de in de Wro en het Bro geregelde bestemmingsplanprocedure. De omstandigheid dat de raad laat heeft gereageerd op de inspraakreactie van [appellanten sub 3] heeft, wat daar verder van zij, geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

2.14. Verder is de in artikel 3.8, derde lid, van de Wro neergelegde termijn volgens [appellanten sub 3] overschreden.

2.14.1. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan dan ook geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.15. Voor het overige hebben [appellanten sub 3] zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de inspraakreactie en zienswijze.

In de beantwoording van de inspraakreactie respectievelijk de beantwoording van de zienswijze is ingegaan op deze inspraakreactie en zienswijze.

[appellanten sub 3] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze weerlegging onjuist zou zijn.

2.16. In hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.17. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het plan en voert aan dat tijdens de ontwikkeling van het ontwerpbestemmingsplan is aangegeven dat de woningbehoefte in Goedereede groot is en dat met name behoefte bestaat aan starterswoningen en woningen voor senioren. Onder druk van het provinciebestuur van Zuid-Holland is het aantal te realiseren woningen teruggebracht van 161 naar 113. Hierbij is ten onrechte een aantal seniorenwoningen geschrapt, zonder dat hiervoor een alternatief voorhanden was, aldus [appellant sub 1].

2.17.1. In het verweerschrift is door de raad toegelicht dat de plancapaciteit naar aanleiding van opmerkingen van het bestuur van de provincie is verminderd, waardoor aanpassing van het woningbouwprogramma nodig was. Hierbij is prioriteit toegekend aan starters. Uit recente bouwprojecten is gebleken dat de behoefte aan starterswoningen in de hele gemeente structureel en groot is, nu het aantal gegadigden voor een woning in die bouwprojecten vele malen groter was dan het aantal uit te geven woningen. Voor senioren zijn er volgens de raad op korte termijn woonmogelijkheden in Oosterpark. Voorts wordt gedacht aan een ontwikkeling van het complex De Vliedberg in Ouddorp en wordt in Goedereede een nieuw zorgcomplex gerealiseerd.

Voor zover [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat de raad het standpunt dat ook binnen de eigen bevolking behoefte bestaat aan duurdere vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen niet heeft onderbouwd en heeft betoogd dat volgens hem juist het tegendeel het geval is, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor in 2.8.1. is overwogen.

Uit het voorgaande volgt dat de raad voldoende heeft gemotiveerd dat behoefte bestaat aan de voorziene woningen.

2.18. Het betoog van [appellant sub 1] dat de raad de op- en aanmerkingen van omwonenden ten aanzien van het plan heeft genegeerd en dat geen voorlichtingsavond is georganiseerd faalt gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.1. is overwogen. De raad is in de beantwoording van de zienswijzen bovendien uitvoerig ingegaan op hetgeen door omwonenden tegen het plan is ingebracht. Dat de inspraak niet tot de door [appellant sub 1] gewenste uitkomsten heeft geleid, kan op zichzelf niet leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan.

2.19. Voorts kan [appellant sub 1] niet worden gevolgd in zijn betoog dat het plan economisch niet uitvoerbaar is indien geen gebruik wordt gemaakt van de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheid om de aan twee kavels toegekende bestemming "Groen" te wijzigen in de bestemming "Tuin" en deze als zodanig te verkopen. Hierbij is van belang dat bij zowel de gemeente als de woningbouwvereniging posten zijn gereserveerd om financiële tegenvallers op te vangen.

2.20. [appellant sub 1] voert verder aan dat het bestemmingsplan in strijd is met de structuurvisie van Goeree Overflakkee, waarin is vermeld dat voor Goeree Overflakkee een migratiesaldo van nul geldt. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat onverkochte huizen na een periode van drie maanden beschikbaar zullen zijn voor kopers buiten de gemeente Goedereede, waarmee de suggestie wordt gewekt dat deze dan zullen worden verkocht. Dit is echter in strijd met een migratiesaldo van nul, aldus [appellant sub 1].

2.20.1. Ter zitting is van de zijde van de raad aangegeven dat hij met dit beleid rekening heeft gehouden en toegelicht dat een migratiesaldo van nul inhoudt dat vestiging en vertrek met elkaar in evenwicht zijn. De raad heeft er terecht op gewezen dat ruimte bestaat voor een beperkte vestiging van elders, waaronder personen met een economische of sociale binding, omdat los van beschikbare woningen een zeker vertrek plaatsvindt. Er bestaat gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat sprake is van strijd met de structuurvisie van Goeree Overflakkee.

2.21. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat de raad ondanks herhaalde verzoeken daartoe, weigert om garanties af te geven ten aanzien van de te hanteren methode van heiwerk, wordt overwogen dat dit een uitvoeringsaspect betreft dat niet in deze procedure aan de orde kan komen.

2.22. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.23. Wat betreft [appellant sub 2] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft [appellanten sub 3] en [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Goedereede van 17 december 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Gronden van Breen" voor zover het betreft artikel 14, sub 14.3., van de planregels en de aanduiding "Wro-zone-wijzigingsgebied-2";

III. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] voor het overige en de beroepen van [appellant sub 1] en [appellanten sub 3 A] geheel ongegrond;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Goedereede aan [appellanten sub 2] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011

490.